Oorspronkelijke taal: Engels.
HvJ EU, 08-05-2025, nr. C-581/23
ECLI:EU:C:2025:323
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
08-05-2025
- Magistraten
K. Jürimäe, K. Lenaerts, M. Gavalec, Z. Csehi, F. Schalin
- Zaaknummer
C-581/23
- Conclusie
L. medina
- Roepnaam
Beevers Kaas
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:323, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 08‑05‑2025
ECLI:EU:C:2025:5, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 09‑01‑2025
Uitspraak 08‑05‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Mededinging — Mededingingsregelingen — Verbod — Verticale overeenkomsten — Artikel 101, lid 3, VWEU — Verordening (EU) nr. 330/2010 — Groepsvrijstelling — Artikel 4, onder b), i) — Hardcorebeperking die het voordeel van deze vrijstelling tenietdoet — Uitzondering — Alleenverkoopovereenkomsten — Beperking van de actieve verkoop in een exclusief gebied — Begrip ‘overeenkomst’ — Wilsovereenstemming tussen de leverancier en zijn afnemers — Bewijs — Aan een afnemer toegewezen exclusief gebied — Geen actieve verkoop door andere afnemers in dat gebied
K. Jürimäe, K. Lenaerts, M. Gavalec, Z. Csehi, F. Schalin
Partij(en)
In zaak C-581/23,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het hof van beroep Antwerpen (België) bij beslissing van 13 september 2023, ingekomen bij het Hof op 21 september 2023, in de procedure
Beevers Kaas BV
tegen
Albert Heijn België NV,
Koninklijke Ahold Delhaize NV,
Albert Heijn BV,
Ahold België BV,
in tegenwoordigheid van:
B.A. Coöperatieve Zuivelonderneming Cono,
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: K. Jürimäe (rapporteur), kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Tweede kamer, M. Gavalec, Z. Csehi en F. Schalin, rechters,
advocaat-generaal: L. Medina,
griffier: A. Lamote, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 16 oktober 2024,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Beevers Kaas BV, vertegenwoordigd door J. Janssen en F. Petillion, advocaten,
- —
Albert Heijn België NV, Koninklijke Ahold Delhaize NV, Albert Heijn BV en Ahold België BV, vertegenwoordigd door H. Burez en M. Varga, advocaten,
- —
B.A. Coöperatieve Zuivelonderneming Cono, vertegenwoordigd door L. Bersou, J.-P. Fierens, P. Goffinet en L. Goddeau, advocaten,
- —
de Belgische regering, vertegenwoordigd door A. De Brouwer, C. Jacob, C. Pochet en M. Van Regemorter als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Berghe, N. Cambien en D. Viros als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 januari 2025,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4, onder b), i), van verordening (EU) nr. 330/2010 van de Commissie van 20 april 2010 betreffende de toepassing van artikel 101, lid 3, [VWEU] op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen (PB 2010, L 102, blz. 1).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds Beevers Kaas BV en anderzijds Albert Heijn België NV, Koninklijke Ahold Delhaize NV, Albert Heijn BV en Ahold België BV (hierna samen: ‘Albert Heijn’) betreffende de schending door laatstgenoemden van de alleenverkoopovereenkomst tussen Beevers Kaas en B.A. Coöperatieve Zuivelonderneming Cono (hierna: ‘Cono’) voor de distributie van Beemster kaas in België en Luxemburg (hierna: ‘in het hoofdgeding aan de orde zijnde alleenverkoopovereenkomst’).
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
Verordening nr. 330/2010, die volgens de verwijzende rechter van toepassing is op het hoofdgeding, is met ingang van 1 juni 2010 in de plaats gekomen van verordening (EG) nr. 2790/1999 van de Commissie van 22 december 1999 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, [EG] op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen (PB 1999, L 336, blz. 21). Overeenkomstig artikel 10, tweede alinea, van verordening nr. 330/2010 is deze verordening op 31 mei 2022 vervallen.
4
Overeenkomstig artikel 11 van verordening (EU) 2022/720 van de Commissie van 10 mei 2022 betreffende de toepassing van artikel 101, lid 3, [VWEU] op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen (PB 2022, L 134, blz. 4) is deze verordening in werking getreden op 1 juni 2022 en vervalt zij op 31 mei 2034.
Verordening nr. 330/2010
5
Artikel 2 van verordening nr. 330/2010, met als opschrift ‘Vrijstelling’, bepaalde in lid 1:
‘Overeenkomstig artikel 101, lid 3, [VWEU] en onverminderd de bepalingen van deze verordening, wordt artikel 101, lid 1, [VWEU] buiten toepassing verklaard voor verticale overeenkomsten.
Deze vrijstelling is van toepassing, voor zover deze overeenkomsten verticale beperkingen bevatten.’
6
Artikel 4 van deze verordening, met als opschrift ‘Beperkingen die het voordeel van de groepsvrijstelling tenietdoen — hardcorebeperkingen’, bepaalde:
‘De in artikel 2 bepaalde vrijstelling is niet van toepassing op verticale overeenkomsten die, op zich of in combinatie met andere factoren waarover de partijen controle hebben, direct of indirect, tot doel hebben:
[…]
- b)
de beperking van het gebied waarin of de klanten aan wie een afnemer die partij is bij de overeenkomst, onverminderd een beperking ten aanzien van zijn vestigingsplaats, contractgoederen of -diensten mag verkopen, met uitzondering van:
- i)
de beperking van de actieve verkoop in het exclusieve gebied of aan een exclusieve klantenkring, gereserveerd voor de leverancier of door de leverancier aan een andere afnemer toegewezen, wanneer deze beperking niet de verkoop door de klanten van de afnemer belemmert,
[…]
[…]’
Richtsnoeren van 2010
7
De richtsnoeren inzake verticale beperkingen (PB 2010, C 130, blz. 1; hierna: ‘richtsnoeren van 2010’) zijn tegelijk met de vaststelling van verordening nr. 330/2010 bekendgemaakt door de Europese Commissie.
8
Punt 25 van de richtsnoeren van 2010 luidt als volgt:
‘De in punt 24 bedoelde definitie van verticale overeenkomsten omvat vier hoofdbestanddelen:
- a)
de groepsvrijstellingsverordening is van toepassing op overeenkomsten en onderling afgestemde praktijken. Zij is niet van toepassing op eenzijdige gedragingen van de betrokken ondernemingen. Dergelijke eenzijdige gedragingen vallen onder artikel 102 [VWEU] dat misbruik van een machtspositie verbiedt. Er is sprake van een overeenkomst in de zin van artikel 101 [VWEU] wanneer de partijen hun gezamenlijke wil tot uitdrukking hebben gebracht om zich op een bepaalde wijze op de markt te gedragen. Het maakt niet uit in welke vorm die wilsovereenstemming tot uitdrukking wordt gebracht, als de wilsovereenstemming van de partijen maar getrouw wordt weergegeven. Wanneer de wilsovereenstemming niet in een expliciete overeenkomst tot uitdrukking wordt gebracht, moet de Commissie aantonen dat het eenzijdige beleid van de ene partij de instemming van de andere partij heeft. Voor verticale overeenkomsten kan de instemming met een bepaald eenzijdig beleid op twee manieren worden vastgesteld. Ten eerste kan de instemming worden afgeleid uit de bevoegdheden die aan de partijen worden toegekend in een tevoren gesloten algemene overeenkomst. Als in een tevoren gesloten overeenkomst is bepaald of toegestaan dat een partij later een specifiek eenzijdig beleid zal voeren dat bindend is voor de andere partij, kan op grond daarvan worden vastgesteld dat er sprake is van instemming door de andere partij. Ten tweede kan de Commissie, als een dergelijke expliciete instemming ontbreekt, aantonen dat er sprake is van stilzwijgende instemming. Daarvoor moet eerst worden aangetoond dat de ene partij expliciet of impliciet van de andere partij verlangt dat zij medewerking aan de uitvoering van zijn eenzijdige beleid verleent en vervolgens dat de andere partij aan die eis heeft voldaan door het eenzijdige beleid daadwerkelijk uit te voeren. Als distributeurs bijvoorbeeld, nadat een leverancier een eenzijdige verminderde levering heeft aangekondigd om parallelhandel te voorkomen, onmiddellijk hun orders verminderen en geen parallelhandel meer drijven, betekent dit dat zij stilzwijgend instemmen met het eenzijdige beleid van de leverancier. Deze conclusie geldt evenwel niet indien de distributeurs parallelhandel blijven drijven of nieuwe manieren trachten te vinden om de parallelhandel verder te zetten. Evenzo kan bij verticale overeenkomsten stilzwijgende instemming worden afgeleid uit de mate van dwang die een partij uitoefent om haar eenzijdige beleid aan de andere partij of partijen bij de overeenkomst op te leggen, in combinatie met het aantal distributeurs dat het eenzijdige beleid van de leverancier daadwerkelijk uitvoert. Zo wijst een systeem van controles en sancties, opgezet door een leverancier om distributeurs te straffen die zich niet naar zijn eenzijdige beleid schikken, op stilzwijgende instemming met het eenzijdige beleid van de leverancier indien dit systeem de leverancier in staat stelt zijn beleid in de praktijk toe te passen. De twee in dit punt genoemde manieren om de instemming vast te stellen kunnen worden gecombineerd;
[…]’
9
Punt 51 van de richtsnoeren van 2010 luidt als volgt:
‘Er zijn vier uitzonderingen op de in artikel 4, onder b), van [verordening nr. 330/2010] beschreven hardcorebeperking. De eerste uitzondering in artikel 4, onder b), i), houdt in dat de leverancier de actieve verkoop door een afnemer die een partij is bij de overeenkomst in een gebied dat of aan een klantenkring die op basis van exclusiviteit aan een andere afnemer is toegewezen of door de leverancier voor zichzelf is gereserveerd, mag beperken. Een gebied of klantenkring geldt als exclusief toegewezen wanneer de leverancier afspreekt zijn product maar aan één distributeur te leveren met het oog op distributie in een bepaald gebied of aan een bepaalde klantenkring en de exclusieve distributeur beschermd wordt tegen actieve verkoop in zijn gebied of aan zijn klantenkring door alle andere afnemers van de leverancier in de [Europese] Unie, ongeacht de verkopen van de leverancier. De leverancier mag de toewijzing van een exclusief gebied en de toewijzing van een exclusieve klantenkring met elkaar combineren en bijvoorbeeld in een bepaald gebied een exclusieve distributeur voor een bepaalde klantenkring aanwijzen. In geval van een dergelijke bescherming van op basis van exclusiviteit toegewezen gebieden of klantenkringen moet echter passieve verkoop in dergelijke gebieden of aan dergelijke klantenkringen toegestaan zijn. Voor de toepassing van artikel 4, onder b), van [verordening nr. 330/2010] omschrijft de Commissie ‘actieve’ en ‘passieve’ verkoop als volgt:
- —
onder ‘actieve verkoop’ wordt verstaan het op eigen initiatief benaderen van individuele klanten, bijvoorbeeld door hen rechtstreeks aan te schrijven, [hun] een ongevraagde e-mail te sturen of [hen] te bezoeken; dan wel het op eigen initiatief benaderen van een specifieke klantenkring of van klanten in een specifiek gebied door middel van specifiek op hen gerichte reclame in de media of op internet, of via andere vormen van promotie. Reclame of promotie die alleen aantrekkelijk is voor de afnemer wanneer deze (ook) een specifieke klantenkring of klanten binnen een specifiek gebied bereikt, wordt beschouwd als actieve verkoop aan die klantenkring of aan de klanten in dat bepaald gebied;
[…]’
Belgisch recht
10
Artikel VI.104 van het Wetboek van economisch recht (hierna: ‘WER’) bepaalt:
‘Verboden is elke met de eerlijke marktpraktijken strijdige daad waardoor een onderneming de beroepsbelangen van een of meer andere ondernemingen schaadt of kan schaden.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
11
Beevers Kaas is de exclusieve distributeur in België van Beemster kaas, die zij afneemt van producent Cono, die in Nederland is gevestigd.
12
Op 1 januari 1993 hebben Cono en Beevers Kaas de in het hoofgeding aan de orde zijnde alleenverkoopovereenkomst gesloten.
13
Albert Heijn is actief in de supermarktensector in België en Nederland. Zij is afnemer van de Beemster kaas die door Cono wordt geproduceerd voor de markten buiten België en Luxemburg.
14
Beevers Kaas verwijt Albert Heijn derde-medeplichtigheid aan inbreuk op de in het hoofdgeding aan de orde zijnde alleenverkoopovereenkomst, hetgeen volgens haar een inbreuk op artikel VI.104 WER vormt. Deze inbreuk vloeide voort uit de wederverkoopactiviteiten die door Albert Heijn werden uitgeoefend op het Belgische grondgebied, terwijl zij wist dat Cono en Beevers Kaas door een alleenverkoopovereenkomst waren gebonden.
15
Volgens Albert Heijn trachten Beevers Kaas en Cono haar een wederverkoopverbod op te leggen, hetgeen verboden is. Albert Heijn is aldus van mening dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde alleenverkoopovereenkomst niet voldoet aan de strikte mededingingsrechtelijke voorwaarden om een wederverkoopverbod te rechtvaardigen, aangezien deze overeenkomst Cono niet verplicht om Beevers Kaas te beschermen tegen de actieve verkoop door andere distributeurs.
16
Bij vonnis van 9 juli 2021 heeft de voorzitter van de ondernemingsrechtbank Antwerpen (België) de door Beevers Kaas ingestelde vordering ongegrond verklaard omdat ‘uit geen enkele contractuele noch wetgevende bepaling volgt dat het aan ondernemingen verboden zou zijn om rechtstreeks, in Nederland, bij Cono […] aan te kopen en in België te verdelen’. In deze uitspraak is in het bijzonder vastgesteld dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde alleenverkoopovereenkomst enkel bepaalde dat Cono zelf niet aan Belgische distributeurs mocht verkopen. De door Beevers Kaas verdedigde uitlegging zou er dus op neerkomen dat alle ondernemingen, waar ook gevestigd, deze overeenkomst moeten respecteren en zich moeten onthouden van de verkoop in België van de door Cono geproduceerde Beemster kaas. Ook geniet Beevers Kaas in haar exclusieve distributiegebied in België geen enkele contractuele bescherming tegen actieve verkoop door andere afnemers van Cono.
17
Beevers Kaas heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij het hof van beroep Antwerpen (België), de verwijzende rechter.
18
Voor deze rechter zijn partijen het oneens over de vraag of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde alleenverkoopovereenkomst voldoet aan het mededingingsrecht en, meer specifiek, aan de voorwaarden van artikel 4, onder b), i), van verordening nr. 330/2010. De discussie betreft de voorwaarde van ‘parallelle oplegging’, waarmee de leverancier de exclusieve distributeur beschermt tegen actieve verkoop door alle andere afnemers van deze leverancier in het aan die distributeur toegewezen exclusieve gebied.
19
Volgens deze rechter is het aan Beevers Kaas om aan te tonen dat de vermeende haar door Cono geboden bescherming tegen actieve verkopen onder de uitzondering van dat artikel 4, onder b), i), valt.
20
Bij een tussenarrest van 27 april 2022 heeft de verwijzende rechter geoordeeld dat Beevers Kaas had aangetoond dat Albert Heijn op zijn minst stilzwijgend had ingestemd met het verbod op actieve verkoop. Volgens deze rechter dient Beevers Kaas echter ook aan te tonen dat alle andere wederverkopers aan wie Cono levert, dit verbod hebben aanvaard.
21
De verwijzende rechter onderschrijft de opmerking van de Belgische mededingingsautoriteit, waarbij deze rechter bij dat tussenarrest een amicus-curiaeprocedure heeft opgestart, en die van mening is dat de voorwaarde van parallelle oplegging moet worden uitgelegd in het licht van het begrip ‘overeenkomst’ in de zin van artikel 101 VWEU.
22
In dit verband merkt die rechter op dat verordening nr. 330/2010 en de richtsnoeren van 2010 niet verduidelijken hoe een leverancier zijn exclusieve distributeurs moet beschermen tegen de actieve verkoop door de andere afnemers van deze leverancier in het aan deze distributeurs toegewezen exclusieve gebied. Deze verordening en richtsnoeren geven meer bepaald niet aan op welke wijze die leverancier een dergelijk verbod van actieve verkoop aan deze andere afnemers moet meedelen en evenmin op welke wijze laatstgenoemden moeten instemmen met dit verbod.
23
In het onderhavige geval is er geen enkel bewijs dat alle andere wederverkopers van Cono uitdrukkelijk hebben ingestemd met een verbod op actieve verkoop. De Belgische mededingingsautoriteit is van mening dat de verwijzende rechter de impliciete instemming met dit verbod door deze wederverkopers kan afleiden uit het enkele feit dat geen van deze afnemers op dat moment in België producten verkocht die zij van Cono hadden gekocht. Beevers Kaas sluit zich aan bij dit standpunt en meent dus voldoende te hebben aangetoond dat die wederverkopers dat verbod hebben aanvaard.
24
Albert Heijn stelt daarentegen dat een dergelijke uitlegging voorbijgaat aan de bewijslast die op Beevers Kaas rust. Zij meent dat Beevers Kaas, wil er sprake zijn van stilzwijgende instemming, moet aantonen dat de strategie van Cono, namelijk dat de in Nederland aangekochte Beemster kaas niet actief in België mag worden verkocht, op de datum van toewijzing van de exclusiviteit is meegedeeld aan alle andere op die datum erkende wederverkopers en vervolgens aan iedere nieuw aangewezen wederverkoper, en dat elk van hen verplicht was zich daaraan te houden.
25
In die omstandigheden heeft het hof van beroep Antwerpen de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Kan de voorwaarde van de parallelle oplegging onder artikel 4, b), i) van [verordening nr. 330/2010] als voldaan worden beschouwd, en kan de leverancier die aan de overige voorwaarden van [deze verordening] voldoet, aldus rechtsgeldig de actieve verkopen van één van diens afnemers naar een territorium waarvoor één andere afnemer exclusief werd aangesteld, verbieden, enkel op basis van de vaststelling dat de andere afnemers niet actief verkopen in het territorium? Met andere woorden: wordt het bestaan van een overeenkomst inzake het verbod op actieve verkoop tussen die andere afnemers en de leverancier afdoende bewezen louter op basis van de vaststelling dat die andere afnemers niet actief verkopen naar het exclusief toebedeelde territorium?
- 2)
Kan de voorwaarde van de parallelle oplegging onder artikel 4, b), i) van [verordening nr. 330/2010] als voldaan worden beschouwd, en kan de leverancier die aan de overige voorwaarden van [deze verordening] voldoet, aldus rechtsgeldig de actieve verkopen van één van diens afnemers naar een territorium waarvoor één afnemer exclusief werd aangesteld, verbieden, wanneer de leverancier enkel de aanvaarding bekomt van zijn andere afnemers indien en wanneer zij aanstalten maken om actief te verkopen in het aldus exclusief toebedeelde territorium? Of is het daarentegen vereist dat dergelijke aanvaarding is bekomen van elke afnemer van de leverancier, ongeacht of deze afnemer aanstalten maakt actief te verkopen in het exclusief toebedeelde territorium?’
Verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling
26
Bij akten, neergelegd ter griffie van het Hof op respectievelijk 11 en 28 februari 2025, hebben Beevers Kaas en Cono verzocht om heropening van de mondelinge behandeling overeenkomstig artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
27
Ter ondersteuning van hun verzoeken voeren zij aan dat de advocaat-generaal, in de eerste plaats, in haar conclusie een andere vraag heeft beantwoord dan die welke de verwijzende rechter in het kader van de tweede prejudiciële vraag heeft gesteld en, in de tweede plaats, zich heeft gebaseerd op onjuiste feitelijke en juridische gegevens om deze tweede vraag, zoals geherformuleerd, te beantwoorden. In die omstandigheden is het noodzakelijk dat de partijen in het hoofdgeding of de andere in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde belanghebbenden hun standpunt over deze elementen kenbaar kunnen maken teneinde hun procedurele rechten te beschermen en te voorkomen dat het Hof een vraag beantwoordt die niet noodzakelijk is voor de beslechting van het hoofdgeding.
28
Het Hof kan volgens artikel 83 van zijn Reglement voor de procesvoering in elke stand van het geding, de advocaat-generaal gehoord, de heropening van de mondelinge behandeling gelasten, onder meer wanneer het zich onvoldoende voorgelicht acht of wanneer een partij na afsluiting van deze behandeling een nieuw feit aanbrengt dat van beslissende invloed kan zijn voor de uitspraak van het Hof, of wanneer een zaak moet worden beslecht op grond van een argument waarover de partijen of de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde belanghebbenden hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen.
29
In dit verband zij er echter op gewezen dat de inhoud van de conclusie van de advocaat-generaal als zodanig geen dergelijk nieuw feit kan vormen, omdat het de partijen anders vrij zou staan om met een beroep op een dergelijk feit op die conclusie te antwoorden. Over de conclusie van de advocaat-generaal kan evenwel niet door de partijen worden gediscussieerd. Zo heeft het Hof reeds benadrukt dat de advocaat-generaal op grond van artikel 252 VWEU tot taak heeft in het openbaar en in volkomen onpartijdigheid en onafhankelijkheid met redenen omklede conclusies te nemen aangaande zaken waarin zijn medewerking overeenkomstig het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie vereist is om het Hof bij te staan bij zijn taak de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en de toepassing van de Verdragen te waarborgen. Krachtens artikel 20, vierde alinea, van dat Statuut en artikel 82, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering komt met de conclusie van de advocaat-generaal een einde aan de mondelinge behandeling. Daar de conclusie buiten het kader van de discussie tussen de partijen valt, leidt zij de beraadslagingsfase van het Hof in. Het gaat dus niet om een voor de rechters of de partijen bestemd advies van een autoriteit die niet tot het Hof behoort, maar om de individuele opvatting van een lid van de instelling zelf, die met redenen is omkleed en in het openbaar wordt uitgesproken (zie in die zin arrest van 6 oktober 2021, Sumal, C-882/19, EU:C:2021:800, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30
Hieruit volgt met name dat de omstandigheid dat de advocaat-generaal een prejudiciële vraag heeft onderzocht op basis van een herformulering, op zich geen reden is om de mondelinge behandeling te heropenen (zie in die zin arrest van 23 januari 2003, Makedoniko Metro en Michaniki, C-57/01, EU:C:2003:47, punten 33–36).
31
In het onderhavige geval stelt het Hof vast, de advocaat-generaal gehoord, dat de door Beevers Kaas aangevoerde elementen geen enkel nieuw feit aan het licht brengen dat van beslissende invloed kan zijn op de beslissing die het in de onderhavige zaak moet geven, en dat deze zaak niet hoeft te worden beslecht op basis van een argument waarover de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde partijen of belanghebbenden hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen. Bovendien beschikt het Hof na afloop van de schriftelijke en mondelinge behandeling over alle noodzakelijke gegevens en is het dus voldoende voorgelicht om uitspraak te doen.
32
Het Hof is dan ook van oordeel dat het niet nodig is om de heropening van de mondelinge behandeling te gelasten.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
33
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 4, onder b), i), van verordening nr. 330/2010 aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een leverancier een exclusief gebied heeft toegewezen aan een van zijn afnemers, de enkele vaststelling dat de andere afnemers van deze leverancier niet actief in dat gebied verkopen volstaat om, voor de toepassing van deze bepaling, aan te tonen dat er tussen die leverancier en die andere afnemers een overeenkomst bestaat inzake een verbod op actieve verkoop in dat gebied.
34
Er zij aan herinnerd dat artikel 2, lid 1, van verordening nr. 330/2010 voor verticale overeenkomsten voorziet in een groepsvrijstelling van het verbod op overeenkomsten die vallen onder artikel 101, lid 1, VWEU. Volgens deze bepaling wordt artikel 101, lid 1, VWEU namelijk overeenkomstig artikel 101, lid 3, VWEU buiten toepassing verklaard voor verticale overeenkomsten die voldoen aan de voorwaarden van deze verordening.
35
Deze vrijstelling is echter niet van toepassing op verticale overeenkomsten die de in artikel 4 van die verordening genoemde hardcorebeperkingen bevatten.
36
Zo bepaalt artikel 4, onder b), van verordening nr. 330/2010 dat die ‘vrijstelling niet van toepassing [is] op verticale overeenkomsten die, op zich of in combinatie met andere factoren waarover partijen controle hebben, direct of indirect, tot doel hebben[] […] het gebied waarin of de klanten aan wie een afnemer die partij is bij de overeenkomst, onverminderd een beperking ten aanzien van zijn vestigingsplaats, contractgoederen of -diensten mag verkopen, [te beperken]’.
37
Overeenkomstig artikel 4, onder b), i), van deze verordening kan een verticale overeenkomst die tot doel heeft om het gebied of de klanten van een afnemer te beperken niettemin onder de groepsvrijstelling van artikel 2, lid 1, van die verordening vallen wanneer de beperking ziet op de actieve verkoop van deze afnemer in het exclusieve gebied of aan een exclusieve klantenkring, gereserveerd voor de leverancier of door de leverancier aan een andere afnemer toegewezen, en deze beperking niet de verkoop door de klanten van die eerste afnemer belemmert.
38
De beperking van actieve verkoop in het exclusieve gebied dat een leverancier aan een van zijn afnemers heeft toegewezen kan dus onder deze vrijstelling vallen, mits aan de voorwaarden van verordening nr. 330/2010 is voldaan.
39
Zoals de advocaat-generaal in de punten 39 tot en met 43 van haar conclusie in essentie heeft benadrukt, en zoals met name blijkt uit punt 51 van de richtsnoeren van 2010, gaat de toewijzing door een leverancier van een exclusief gebied aan een van zijn afnemers noodzakelijkerwijs gepaard met de parallelle verplichting voor die leverancier om deze afnemer te beschermen tegen de actieve verkoop door zijn andere afnemers. Hieruit volgt dat artikel 4, onder b), i), van verordening nr. 330/2010 ziet op de beperkingen van de actieve verkoop die een leverancier in die hoedanigheid aan zijn afnemers moet opleggen om de doeltreffendheid van een dergelijke exclusiviteit te waarborgen in het gebied dat hij aan een van zijn afnemers heeft toegewezen.
40
Om te beoordelen of een distributieovereenkomst tussen een leverancier en een afnemer kan worden aangemerkt als een verticale overeenkomst die mogelijk onder artikel 4, onder b), i), van deze verordening valt, moet rekening worden gehouden met het begrip ‘overeenkomst’ in de zin van artikel 101 VWEU.
41
Volgens vaste rechtspraak van het Hof is er sprake van een ‘overeenkomst’ in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU wanneer de betrokken ondernemingen uiting hebben gegeven aan hun gezamenlijke wil om zich op de markt op een bepaalde wijze te gedragen. Een overeenkomst kan dus niet worden gebaseerd op de uitdrukking van een zuiver eenzijdig beleid van een partij bij een distributieovereenkomst (arrest van 29 juni 2023, Super Bock Bebidas, C-211/22, EU:C:2023:529, punten 47 en 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42
Een schijnbaar eenzijdige handeling of gedraging vormt echter een ‘overeenkomst’ in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU wanneer zij uitdrukking geeft aan de overeenstemmende wil van ten minste twee partijen, waarbij de vorm waarin deze wilsovereenstemming tot uitdrukking komt op zich niet beslissend is (zie in die zin arrest van 29 juni 2023, Super Bock Bebidas, C-211/22, EU:C:2023:529, punt 49).
43
Aangezien het gaat om een beperking van de actieve verkoop in het aan een afnemer toegewezen exclusieve gebied, kan die overeenstemmende wil van de partijen dus zowel voortvloeien uit de bedingen van de betrokken distributieovereenkomsten tussen de leverancier en de afnemers die voor een gebied geen exclusiviteit genieten, wanneer die overeenkomsten een uitdrukkelijk verbod bevatten om tot dergelijke verkopen over te gaan, als uit het uitdrukkelijke of stilzwijgende gedrag van de partijen waaruit kan worden afgeleid dat laatstgenoemde afnemers hebben ingestemd met een verzoek van deze leverancier om niet tot dergelijke verkopen over te gaan (zie naar analogie arrest van 29 juni 2023, Super Bock Bebidas, C-211/22, EU:C:2023:529, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
44
Wat het bewijs van het bestaan van een ‘overeenkomst’ in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU betreft, blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat het bij gebreke van Unieregels inzake de beginselen voor de beoordeling van bewijs en de bewijsstandaard die in het kader van een nationale procedure op grond van artikel 101 VWEU wordt verlangd, krachtens het beginsel van procedurele autonomie een zaak van de lidstaten is om in hun interne rechtsorde dergelijke voorschriften vast te stellen, op voorwaarde evenwel dat die voorschriften niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke situaties naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (arrest van 29 juni 2023, Super Bock Bebidas, C-211/22, EU:C:2023:529, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45
Het doeltreffendheidsbeginsel vereist dat het bewijs van een schending van het mededingingsrecht van de Unie niet alleen door middel van rechtstreeks bewijs kan worden geleverd, maar ook door middel van objectieve en onderling overeenstemmende aanwijzingen. Het bestaan van een overeenkomst moet namelijk in de meeste gevallen worden afgeleid uit een samenloop van omstandigheden en andere feitelijke gegevens die in hun totaliteit beschouwd, bij gebreke van een andere coherente verklaring, het bewijs kunnen leveren dat de mededingingsregels zijn geschonden (zie in die zin arrest van 29 juni 2023, Super Bock Bebidas, C-211/22, EU:C:2023:529, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46
Hieruit volgt dat het bestaan van een ‘overeenkomst’ in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU die beoogt om de actieve verkoop in een exclusief gebied te beperken, niet alleen kan worden vastgesteld aan de hand van rechtstreeks bewijs, maar ook op basis van objectieve en onderling overeenstemmende aanwijzingen, zodra daaruit met voldoende zekerheid kan worden afgeleid dat een leverancier zijn afnemers heeft verzocht om dergelijke verkopen niet in dat gebied te verrichten en zij in de praktijk met dit verzoek hebben ingestemd (zie naar analogie arrest van 29 juni 2023, Super Bock Bebidas, C-211/22, EU:C:2023:529, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
47
In het onderhavige geval blijkt uit de aanwijzingen van de verwijzende rechter dat de distributieovereenkomsten tussen Cono en haar afnemers enerzijds geen enkel beding bevatten dat ertoe strekt om die afnemers een verbod op actieve verkoop op te leggen in het aan Beevers Kaas toegewezen exclusieve gebied. Anderzijds heeft geen enkele afnemer van Cono, met uitzondering van Albert Heijn, actief in dat gebied verkocht.
48
Het is aan de verwijzende rechter om de omstandigheden van het hoofdgeding te beoordelen in het licht van de in de punten 42 tot en met 46 van dit arrest in herinnering gebrachte rechtspraak.
49
Zo zal hij in de eerste plaats, aan de hand van alle gegevens waarover hij beschikt, moeten nagaan of kan worden vastgesteld dat Cono in het onderhavige geval haar afnemers in welke vorm dan ook heeft verzocht om niet actief te verkopen in het aan Beevers Kaas toegewezen exclusieve gebied.
50
Zoals de advocaat-generaal in punt 78 van haar conclusie heeft benadrukt, kan een dergelijk verzoek verschillende vormen aannemen, zoals een specifieke mededeling van een leverancier aan zijn afnemers waarbij hij hen gelast om een exclusief gebied in acht te nemen, of een beding of een bijzondere vermelding daartoe in de algemene voorwaarden van de leverancier.
51
In de tweede plaats zal ook moeten worden nagegaan of de afnemers van Cono expliciet of stilzwijgend hebben ingestemd met een eventueel verzoek van deze leverancier.
52
Gelet op de twee vereisten die in de punten 49 en 51 in herinnering zijn gebracht, moet worden vastgesteld dat de omstandigheid dat, met uitzondering van Albert Heijn, geen enkele andere afnemer van Cono actief is gaan verkopen in het exclusieve gebied van Beevers Kaas, op zich niet volstaat om aan te tonen dat er een ‘overeenkomst’ in de zin van artikel 101 VWEU bestaat.
53
Enerzijds kan uit deze omstandigheid niet worden afgeleid dat Cono haar afnemers heeft verzocht om niet actief te verkopen in het aan Beevers Kaas toegewezen exclusieve gebied. In dit verband moet worden benadrukt dat uit de enkele vaststelling dat Cono aan Beevers Kaas een exclusief gebied heeft toegewezen en dat andere afnemers van Cono eventueel op de hoogte zijn geweest van een dergelijk gebied, niet kan worden afgeleid dat Cono deze afnemers heeft verzocht om in dat gebied niet actief te verkopen, aangezien er, onder meer, geen sprake is van een specifieke mededeling aan deze andere afnemers dat zij het exclusieve gebied in acht moesten nemen.
54
Anderzijds kan deze omstandigheid zeker een relevant gegeven vormen dat in aanmerking moet worden genomen om aan te tonen dat de andere afnemers van Cono eventueel stilzwijgend hebben ingestemd met een verzoek van laatstgenoemde om niet actief te verkopen in het exclusieve gebied van Beevers Kaas. Deze omstandigheid volstaat op zich echter niet om een dergelijke instemming aan te tonen.
55
Op zichzelf beschouwd kan op basis van die omstandigheid namelijk niet met voldoende zekerheid worden aangetoond dat er in het exclusieve gebied van Beevers Kaas geen actieve verkopen plaatsvinden als gevolg van de wil van die andere afnemers om gehoor te geven aan een eventueel verzoek van Cono om niet actief te verkopen, of van een autonome commerciële beslissing van die andere afnemers om niet in dat gebied te verkopen.
56
Die omstandigheid zou echter het bewijs van een stilzwijgende instemming van de betrokken afnemers kunnen vormen, wanneer er, zoals blijkt uit punt 25 van de richtsnoeren van 2010, daarnaast met name sprake is van een uitdrukkelijk verzoek van de leverancier om het verbod op actieve verkoop in het exclusieve gebied na te leven en van middelen waarmee deze leverancier dit verbod in de praktijk kan handhaven, zoals een door die leverancier opgezet systeem van controles en sancties om afnemers die zich niet naar dit verbod schikken, te straffen.
57
Gelet op alle voorgaande overwegingen dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 4, onder b), i), van verordening nr. 330/2010 aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een leverancier een exclusief gebied heeft toegewezen aan een van zijn afnemers, de enkele vaststelling dat de andere afnemers van deze leverancier niet actief in dat gebied verkopen niet volstaat om, voor de toepassing van deze bepaling, aan te tonen dat er tussen die leverancier en die andere afnemers een overeenkomst bestaat inzake een verbod op actieve verkoop in dat gebied.
Tweede vraag
58
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 4, onder b), i), van verordening nr. 330/2010 aldus moet worden uitgelegd dat het voordeel van de in deze bepaling bedoelde uitzondering wordt toegekend voor de periode waarvoor is aangetoond dat de afnemers van een leverancier hebben ingestemd met een verzoek van laatstgenoemde om niet actief te verkopen in het aan een andere afnemer toegewezen exclusieve gebied.
59
Uit het antwoord op de eerste vraag vloeit voort dat een verbod op actieve verkoop binnen de werkingssfeer van dat artikel 4, onder b), i), valt, wanneer, ten eerste, een leverancier zijn afnemers heeft verzocht om niet actief te verkopen in het aan een andere afnemer toegewezen exclusieve gebied en, ten tweede, de betrokken afnemers met dit verzoek hebben ingestemd.
60
De partij die een beroep doet op de uitzondering uit dat artikel 4, onder b), i), moet dus, in voorkomend geval op basis van objectieve en onderling overeenstemmende aanwijzingen, bewijzen dat er sprake is van beide in het vorige punt in herinnering gebrachte elementen. Het voordeel van deze uitzondering wordt dan toegekend voor de periode waarvoor dit bewijs kon worden geleverd.
61
Gelet op het voorgaande dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 4, onder b), i), van verordening nr. 330/2010 aldus moet worden uitgelegd dat het voordeel van de in deze bepaling bedoelde uitzondering wordt toegekend voor de periode waarvoor is aangetoond dat de afnemers van een leverancier hebben ingestemd met een verzoek van laatstgenoemde om niet actief te verkopen in het aan een andere afnemer toegewezen exclusieve gebied.
Kosten
62
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 4, onder b), i), van verordening (EU) nr. 330/2010 van de Commissie van 20 april 2010 betreffende de toepassing van artikel 101, lid 3, [VWEU] op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen
moet aldus worden uitgelegd dat
wanneer een leverancier een exclusief gebied heeft toegewezen aan een van zijn afnemers, de enkele vaststelling dat de andere afnemers van deze leverancier niet actief in dat gebied verkopen niet volstaat om, voor de toepassing van deze bepaling, aan te tonen dat er tussen die leverancier en die andere afnemers een overeenkomst bestaat inzake een verbod op actieve verkoop in dat gebied.
- 2)
Artikel 4, onder b), i), van verordening nr. 330/2010
moet aldus worden uitgelegd dat
het voordeel van de in deze bepaling bedoelde uitzondering wordt toegekend voor de periode waarvoor is aangetoond dat de afnemers van een leverancier hebben ingestemd met een verzoek van laatstgenoemde om niet actief te verkopen in het aan een andere afnemer toegewezen exclusieve gebied.
Jürimäe | Lenaerts | Gavalec |
Csehi | Schalin |
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 8 mei 2025.
De griffier | De kamerpresident | |
A. Calot Escobar | K. Jürimäe |
Conclusie 09‑01‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Mededinging — Overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen — Artikel 101, lid 3, VWEU — Verticale overeenkomsten — Verordening (EU) nr. 330/2010 — Vrijstelling — Artikel 4, onder b), i) — Hardcorebeperkingen — Uitzonderingen — Alleenverkoopovereenkomsten — Voorwaarden — Actieveverkoopverbod in het exclusief toegewezen gebied — Voorwaarde van parallelle oplegging — Begrip ‘overeenkomst’ — Bewijs van wilsovereenstemming tussen de leverancier en zijn afnemers — Geen actieve verkoop door andere afnemers in het exclusief toegewezen gebied van de exclusieve distributeur
L. medina
Partij(en)
Zaak C-581/231.
Beevers Kaas BV
tegen
Albert Heijn België NV,
Koninklijke Ahold Delhaize NV,
Albert Heijn BV,
Ahold België BV,
Interveniërende partij:
B.A. Coöperatieve Zuivelonderneming Cono
[verzoek van het hof van beroep Antwerpen (België) om een prejudiciële beslissing]
1.
Dit verzoek van het hof van beroep Antwerpen (België) om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4, onder b), i), van verordening (EU) nr. 330/2010 van de Commissie [ook bekend als verticale groepsvrijstellingsverordening (VBER)].2. Het is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds Beevers Kaas BV en anderzijds Albert Heijn België NV, Koninklijke Ahold Delhaize NV, Albert Heijn BV en Ahold België BV (hierna samen: ‘Albert Heijn’).
2.
De procedure heeft betrekking op de vermeende schending door Albert Heijn van een alleenverkoopovereenkomst tussen Beevers Kaas en B.A. Coöperatieve Zuivelonderneming Cono (hierna: ‘Cono’) voor de distributie van de bekende Beemster kaas3. in België en Luxemburg.
I. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
3.
Verordening nr. 330/2010, die volgens de verwijzende rechter van toepassing is op het hoofdgeding, is met ingang van 1 juni 2010 in de plaats gekomen van verordening (EG) nr. 2790/1999 van de Commissie4.. Overeenkomstig artikel 10, tweede alinea, van verordening nr. 330/2010 is deze verordening op 31 mei 2022 vervallen.
4.
5.
Artikel 4 van verordening nr. 330/2010 had betrekking op ‘hardcorebeperkingen’ die, behoudens enkele uitzonderingen, niet in aanmerking kwamen voor de groepsvrijstelling van artikel 2 van deze verordening. Artikel 4 bepaalde:
‘De in artikel 2 bepaalde vrijstelling is niet van toepassing op verticale overeenkomsten die, op zich of in combinatie met andere factoren waarover de partijen controle hebben, direct of indirect, tot doel hebben:
[…]
- b)
de beperking van het gebied waarin of de klanten aan wie een afnemer die partij is bij de overeenkomst, onverminderd een beperking ten aanzien van zijn vestigingsplaats, contractgoederen of -diensten mag verkopen, met uitzondering van:
- i)
de beperking van de actieve verkoop in het exclusieve gebied of aan een exclusieve klantenkring, gereserveerd voor de leverancier of door de leverancier aan een andere afnemer toegewezen, wanneer deze beperking niet de verkoop door de klanten van de afnemer belemmert,
[…]’
6.
Verordening (EU) 2022/720 van de Commissie5., die in de plaats is gekomen van verordening nr. 330/2010, is op 1 juni 2022 in werking getreden en vervalt op 31 mei 2034, overeenkomstig de artikelen 10 en 11 ervan.
7.
De richtsnoeren van de Europese Commissie inzake verticale beperkingen6. zijn tegelijk met de vaststelling van verordening nr. 330/2010 bekendgemaakt.
8.
In punt 25 van de richtsnoeren van 2010 staat te lezen:
‘[…]
- a)
[Verordening nr. 330/2010] is van toepassing op overeenkomsten en onderling afgestemde praktijken. […] Er is sprake van een overeenkomst in de zin van artikel 101 wanneer de partijen hun gezamenlijke wil tot uitdrukking hebben gebracht om zich op een bepaalde wijze op de markt te gedragen. Het maakt niet uit in welke vorm die wilsovereenstemming tot uitdrukking wordt gebracht, als de wilsovereenstemming van de partijen maar getrouw wordt weergegeven. Wanneer de wilsovereenstemming niet in een expliciete overeenkomst tot uitdrukking wordt gebracht, moet de Commissie aantonen dat het eenzijdige beleid van de ene partij de instemming van de andere partij heeft. Voor verticale overeenkomsten kan de instemming met een bepaald eenzijdig beleid op twee manieren worden vastgesteld. Ten eerste kan de instemming worden afgeleid uit de bevoegdheden die aan de partijen worden toegekend in een tevoren gesloten algemene overeenkomst. Als in een tevoren gesloten overeenkomst is bepaald of toegestaan dat een partij later een specifiek eenzijdig beleid zal voeren dat bindend is voor de andere partij, kan op grond daarvan worden vastgesteld dat er sprake is van instemming door de andere partij. Ten tweede kan de Commissie, als een dergelijke expliciete instemming ontbreekt, aantonen dat er sprake is van stilzwijgende instemming. Daarvoor moet eerst worden aangetoond dat de ene partij expliciet of impliciet van de andere partij verlangt dat zij medewerking aan de uitvoering van zijn eenzijdige beleid verleent en vervolgens dat de andere partij aan die eis heeft voldaan door het eenzijdige beleid daadwerkelijk uit te voeren. […] [B]ij verticale overeenkomsten [kan] stilzwijgende instemming worden afgeleid uit de mate van dwang die een partij uitoefent om haar eenzijdige beleid aan de andere partij of partijen bij de overeenkomst op te leggen, in combinatie met het aantal distributeurs dat het eenzijdige beleid van de leverancier daadwerkelijk uitvoert. Zo wijst een systeem van controles en sancties, opgezet door een leverancier om distributeurs te straffen die zich niet naar zijn eenzijdige beleid schikken, op stilzwijgende instemming met het eenzijdige beleid van de leverancier indien dit systeem de leverancier in staat stelt zijn beleid in de praktijk toe te passen. […]’
9.
In punt 51 van de richtsnoeren van 2010 staat te lezen:
‘Er zijn vier uitzonderingen op de in artikel 4, onder b), van [verordening nr. 330/2010] beschreven hardcorebeperking. De eerste uitzondering in artikel 4, onder b), i), houdt in dat de leverancier de actieve verkoop door een afnemer die een partij is bij de overeenkomst in een gebied dat of aan een klantenkring die op basis van exclusiviteit aan een andere afnemer is toegewezen of door de leverancier voor zichzelf is gereserveerd, mag beperken. Een gebied of klantenkring geldt als exclusief toegewezen wanneer de leverancier afspreekt zijn product maar aan één distributeur te leveren met het oog op distributie in een bepaald gebied of aan een bepaalde klantenkring en de exclusieve distributeur beschermd wordt tegen actieve verkoop in zijn gebied of aan zijn klantenkring door alle andere afnemers van de leverancier in de [Europese] Unie, ongeacht de verkopen van de leverancier. De leverancier mag de toewijzing van een exclusief gebied en de toewijzing van een exclusieve klantenkring met elkaar combineren en bijvoorbeeld in een bepaald gebied een exclusieve distributeur voor een bepaalde klantenkring aanwijzen. In geval van een dergelijke bescherming van op basis van exclusiviteit toegewezen gebieden of klantenkringen moet echter passieve verkoop in dergelijke gebieden of aan dergelijke klantenkringen toegestaan zijn. Voor de toepassing van artikel 4, onder b), van [verordening nr. 330/2010] omschrijft de Commissie ‘actieve’ […] verkoop als volgt:
- —
onder ‘actieve verkoop’ wordt verstaan het op eigen initiatief benaderen van individuele klanten, bijvoorbeeld door hen rechtstreeks aan te schrijven, een ongevraagde e-mail te sturen of te bezoeken; dan wel het op eigen initiatief benaderen van een specifieke klantenkring of van klanten in een specifiek gebied door middel van specifiek op hen gerichte reclame in de media of op internet, of via andere vormen van promotie. Reclame of promotie die alleen aantrekkelijk is voor de afnemer wanneer deze (ook) een specifieke klantenkring of klanten binnen een specifiek gebied bereikt, wordt beschouwd als actieve verkoop aan die klantenkring of aan de klanten in dat bepaald gebied;
[…]’
B. Belgisch recht
10.
Artikel VI.104, van het Wetboek van economisch recht (hierna: ‘WER’) van 28 februari 2013 bepaalt:
‘Verboden is elke met de eerlijke marktpraktijken strijdige daad waardoor een onderneming de beroepsbelangen van een of meer andere ondernemingen schaadt of kan schaden.’
II. Aan het hoofdgeding ten grondslag liggende feiten en prejudiciële vragen
11.
Beevers Kaas, appellante in het hoofdgeding, is de exclusieve distributeur in België van Beemster kaas, die zij afneemt van de producent Cono, een in Nederland gevestigde onderneming.
12.
Sinds 1 januari 1993 bestaat er tussen Cono en Beevers Kaas een alleenverkoopovereenkomst voor de distributie van Beemster kaas in België en Luxemburg (hierna: ‘alleenverkoopovereenkomst’).
13.
Albert Heijn is actief in de supermarktensector in België en Nederland. Zij is afnemer7. van Beemster kaas die door Cono wordt geproduceerd voor de markten buiten België en Luxemburg.
14.
Beevers Kaas beschuldigt Albert Heijn ervan inbreuk te maken op eerlijke marktpraktijken doordat Albert Heijn in België activiteiten uitoefent die direct of indirect tot gevolg hebben dat haar exclusiviteitsrechten onder de alleenverkoopovereenkomst worden geschonden, hoewel Albert Heijn weet dat Cono door die overeenkomst gebonden is.
15.
Volgens Albert Heijn trachten Beevers Kaas en Cono haar een actieveverkoopverbod op te leggen, hetgeen verboden is. Zij is van mening dat de alleenverkoopovereenkomst Cono niet verplicht Beevers Kaas te beschermen tegen de actieve verkoop door andere afnemers en dat de overeenkomst niet voldoet aan de strikte mededingingsrechtelijke voorwaarden om een wederverkoopverbod te rechtvaardigen.
16.
Bij vonnis van 9 juli 2021 heeft de voorzitter van de ondernemingsrechtbank Antwerpen (België) de door Beevers Kaas ingestelde vordering als ongegrond afgewezen op grond dat ‘uit geen enkele contractuele noch wetgevende bepaling volgt dat het aan ondernemingen verboden zou zijn om rechtstreeks, in Nederland, bij Cono aan te kopen en […] in België te verdelen’. Die voorzitter wees met name op het feit dat de alleenverkoopovereenkomst er enkel in voorzag dat Cono zelf niet aan Belgische distributeurs mocht verkopen. De uitlegging van Beevers Kaas zou erop neerkomen dat alle ondernemingen, waar ook gevestigd, deze overeenkomst zouden moeten respecteren en zich zouden moeten onthouden van de verkoop van Cono's kaas in België. Ook geniet Beevers Kaas in haar exclusieve gebied in België geen enkele contractuele bescherming tegen actieve verkoop door andere afnemers van Cono.
17.
Beevers Kaas heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij het hof van beroep Antwerpen, de verwijzende rechter.
18.
Voor deze rechter zijn partijen het oneens over de vraag of de alleenverkoopovereenkomst voldoet aan de voorwaarden van artikel 4, onder b), i), van verordening nr. 330/2010 en in het bijzonder aan de ‘voorwaarde van parallelle oplegging’. Volgens deze voorwaarde moet de leverancier zijn exclusieve distributeur beschermen tegen de actieve verkoop in het exclusieve gebied door al zijn andere distributeurs/afnemers in de Europese Economische Ruimte (EER).
19.
Bij tussenarrest van 27 april 2022 heeft de verwijzende rechter het twistpunt betreffende de inhoud en de draagwijdte van de alleenverkoopovereenkomst beslecht in het voordeel van Beevers Kaas. Hij heeft geoordeeld dat Beevers Kaas had aangetoond dat Albert Heijn op zijn minst stilzwijgend had ingestemd met het actieveverkoopverbod. Volgens de verwijzende rechter moet Beevers Kaas echter ook aantonen dat alle andere distributeurs/afnemers dan Albert Heijn dit verbod hebben aanvaard.
20.
De verwijzende rechter is het eens met de opmerking van de Belgische Mededingingsautoriteit (hierna: ‘BMA’), die door die rechter is verzocht om als amicus curiae op te treden en volgens welke een actieveverkoopverbod enkel rechtmatig is indien aan het vereiste van parallelle oplegging is voldaan. Dit vereiste moet worden uitgelegd in het licht van het begrip ‘overeenkomst’ in de zin van artikel 101 VWEU en artikel IV.1, WER.
21.
In dit verband merkt de verwijzende rechter op dat verordening nr. 330/2010 en de richtsnoeren van 2010 niet preciseren hoe de leverancier zijn exclusieve distributeurs moet beschermen tegen de actieve verkoop in het exclusieve gebied door de andere afnemers van de leverancier. Zij geven in het bijzonder niet aan hoe de leverancier zijn andere afnemers over het actieveverkoopverbod moet informeren, noch hoe die afnemers met dit verbod moeten instemmen.
22.
In casu is er geen enkel bewijs dat alle andere afnemers van Cono uitdrukkelijk hebben ingestemd met het actieveverkoopverbod. De BMA is van mening dat de verwijzende rechter een stilzwijgende instemming met dit verbod kan afleiden uit het enkele feit dat geen van deze afnemers thans van Cono gekochte producten in België verkoopt. Beevers Kaas deelt dit standpunt en meent dus voldoende aannemelijk te hebben gemaakt dat alle afnemers van Cono het actieveverkoopverbod hebben aanvaard.
23.
Albert Heijn is daarentegen van mening dat Beevers Kaas, wil er sprake zijn van stilzwijgende aanvaarding, moet aantonen dat de strategie van Cono, namelijk dat geen enkel in Nederland gekocht Beemster product actief in België mag worden verkocht, aan al haar afnemers is meegedeeld.
24.
In die omstandigheden heeft het hof van beroep Antwerpen de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Kan de voorwaarde van de parallelle oplegging onder artikel 4, b), i) van [verordening nr. 330/2010] als voldaan worden beschouwd, en kan de leverancier die aan de overige voorwaarden van [deze verordening] voldoet, aldus rechtsgeldig de actieve verkopen van één van diens afnemers naar een territorium waarvoor één andere afnemer exclusief werd aangesteld, verbieden, enkel op basis van de vaststelling dat de andere afnemers niet actief verkopen in het territorium? […] [W]ordt het bestaan van een overeenkomst inzake het verbod op actieve verkoop tussen die andere afnemers en de leverancier afdoende bewezen louter op basis van de vaststelling dat die andere afnemers niet actief verkopen naar het exclusief toebedeelde territorium?
- 2)
Kan de voorwaarde van de parallelle oplegging onder artikel 4, b), i) van [verordening nr. 330/2010] als voldaan worden beschouwd, en kan de leverancier die aan de overige voorwaarden van [deze verordening] voldoet, aldus rechtsgeldig de actieve verkopen van één van diens afnemers naar een territorium waarvoor één afnemer exclusief werd aangesteld, verbieden, wanneer de leverancier enkel de aanvaarding bekomt van zijn andere afnemers indien en wanneer zij aanstalten maken om actief te verkopen in het aldus exclusief toebedeelde territorium? Of is het daarentegen vereist dat dergelijke aanvaarding is bekomen van elke afnemer van de leverancier, ongeacht of deze afnemer aanstalten maakt actief te verkopen in het exclusief toebedeelde territorium?’
III. Procedure bij het Hof
25.
Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door Beevers Kaas, Albert Heijn, Cono, de Belgische regering en de Europese Commissie. Op 16 oktober 2024 heeft een terechtzitting plaatsgevonden, waar deze partijen vertegenwoordigd waren.
IV. Analyse
A. Eerste prejudiciële vraag
26.
Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 4, onder b), i), van verordening nr. 330/2010 aldus moet worden uitgelegd dat in een situatie waarin een leverancier een exclusief gebied aan een bepaalde distributeur heeft toegewezen, de enkele vaststelling dat zijn andere afnemers (dat wil zeggen afnemers die niet onder deze specifieke exclusiviteitsregeling vallen) geen actieve verkoop in dat gebied verrichten, volstaat om aan te tonen dat er tussen die leverancier en die andere afnemers een overeenkomst bestaat inzake een actieveverkoopverbod in dat gebied.
1. Houdt artikel 4, onder b), i), van verordening nr. 330/2010 een vereiste van parallelle oplegging in?
27.
In zijn eerste vraag verwijst de verwijzende rechter naar het vereiste van parallelle oplegging. Voor de beantwoording van deze vraag moet worden onderzocht of artikel 4, onder b), i), van verordening nr. 330/2010 elementen bevat op basis waarvan het Hof — voor het eerst in zijn rechtspraak — tot de slotsom kan komen dat dit artikel een vereiste van parallelle oplegging bevat, ofschoon het niet uitdrukkelijk naar dat vereiste verwijst.
28.
Voor het bepalen van de draagwijdte van een bepaling van Unierecht dient rekening te worden gehouden met zowel de bewoordingen van die bepaling als de context en de doelstellingen ervan.8.
29.
Ik acht het gepast te beginnen met de context van artikel 4, onder b), i), van verordening nr. 330/2010.
30.
Artikel 2 van deze verordening voorziet onder bepaalde voorwaarden in een groepsvrijstelling voor verticale overeenkomsten van het verbod van artikel 101, lid 1, VWEU, waardoor voor die overeenkomsten een veilige zone wordt gecreëerd.
31.
Tegelijkertijd sluit dit artikel bepaalde soorten verticale overeenkomsten die, ongeacht het marktaandeel van de betrokken ondernemingen, bepaalde soorten ernstige mededingingsbeperkingen bevatten, van de groepsvrijstelling uit. Het gaat om overeenkomsten die hardcorebeperkingen bevatten in de zin van artikel 4 van verordening nr. 330/2010.
32.
Daarom is de verleende groepsvrijstelling krachtens artikel 4, onder b), van verordening nr. 330/2010 niet van toepassing op verticale overeenkomsten die direct of indirect tot doel hebben de beperking van het gebied waarin of de klanten aan wie een afnemer die partij is bij de overeenkomst, onverminderd een beperking ten aanzien van zijn vestigingsplaats, contractgoederen of -diensten mag verkopen.
33.
Artikel 4, onder b), van verordening nr. 330/2010 voorzag echter in vier uitzonderingen. De beperkingen die onder die uitzonderingen vallen, worden door deze verordening niet als hardcorebeperkingen beschouwd en leiden derhalve niet tot opheffing van het voordeel van de groepsvrijstelling voor de betrokken overeenkomst. Met andere woorden, op grond van deze bepaling blijven vier soorten beperkingen onder de groepsvrijstelling vallen.
34.
In dit verband zij eraan herinnerd dat dit artikel voorzag in vier uitzonderingen (op een uitzondering) en dat uitzonderingen op de regel restrictief moeten worden uitgelegd.9.
35.
Dit brengt mij bij de doelstelling van artikel 4, onder b), i), van verordening nr. 330/2010. De doelstelling van dit artikel, die uit de bewoordingen ervan naar voren komt, was een vrijstelling te verlenen voor beperkingen van de actieve verkoop in het exclusieve gebied van een distributeur/afnemer (het zogenoemde ‘actieveverkoopverbod’)10., wanneer deze beperkingen waren vervat in een bindende overeenkomst tussen de leverancier en zijn andere afnemers.11.
36.
In casu zou de leverancier (Cono) op grond van de uitzondering in deze bepaling dus — mits aan de voorwaarden van deze bepaling is voldaan — een gebied exclusief aan een van zijn distributeurs/afnemers (Beevers Kaas) kunnen toewijzen en tegelijkertijd de actieve verkoop van zijn andere afnemers in dat gebied kunnen beperken.
37.
Wat betreft de bewoordingen van artikel 4, onder b), i), van verordening nr. 330/2010 heb ik hierboven reeds opgemerkt12. en is ook op treffende wijze uitgelegd in het Expert report on the review of the Vertical Block Exemption Regulation13. dat het vereiste van parallelle oplegging — dat wil zeggen een ‘vereiste dat het mogelijk maakt dat een beperking van de actieve verkopen profiteert van de groepsvrijstelling’, dat bepalend zou zijn voor de relatie tussen de leverancier (Cono) en al zijn distributeurs/afnemers in de onderhavige zaak — ‘niet uitdrukkelijk tot uiting komt in [de bewoordingen van] artikel 4, onder b), i), van verordening [nr.] 330/2010, maar in punt 51 van de richtsnoeren [van 2010] wordt gekoppeld aan het begrip ‘exclusieve toewijzing’’. Bijgevolg moet worden nagegaan of dit vereiste deel uitmaakt van artikel 4, onder b), i), en dus een voorwaarde vormt waaraan moet worden voldaan opdat dit artikel van toepassing wordt in een zaak als die in het hoofdgeding.
38.
Indien dit het geval blijkt te zijn, zou het vereiste van parallelle oplegging betekenen dat de verlening van gebiedsexclusiviteit aan een bepaalde distributeur/afnemer (Beevers Kaas) en de toepassing van het actieveverkoopverbod op alle andere afnemers gepaard gaan met een verplichting voor de leverancier (Cono) om de exclusieve distributierechten van een dergelijke afnemer ten aanzien van al zijn andere afnemers te beschermen.
39.
Onder ‘exclusieve distributie’ wordt verstaan een situatie waarin een gebied (klantenkring) ‘exclusief wordt toegewezen’, dat wil zeggen wanneer de leverancier afspreekt zijn product maar aan één afnemer te leveren met het oog op distributie in een bepaald gebied (of aan een bepaalde klantenkring).14.
40.
Ten eerste volgt naar mijn mening impliciet15. uit de bewoordingen van artikel 4, onder b), i), van verordening nr. 330/2010, met name uit de term ‘exclusieve gebied’, dat een leverancier een exclusief gebied aan een van zijn afnemers mag toewijzen. De aanwijzing van een exclusief gebied impliceert noodzakelijkerwijs dat slechts aan een bepaalde afnemer het recht wordt verleend om het product in dat specifieke gebied te distribueren. De exclusiviteit heeft uitsluitend betekenis indien het genot van het aan die afnemer verleende recht tegen inbreuken wordt beschermd. Indien een leverancier besluit gebruik te maken van de uitzondering op de hardcorebeperkingen, gaat dit voor die leverancier gepaard met een overeenkomstige verplichting om de doeltreffendheid van deze exclusieve toewijzing van een gebied te waarborgen, onder meer door die afnemer te beschermen tegen de actieve verkoop in dat gebied door al zijn andere afnemers.
41.
Zoals de verwijzende rechter in wezen heeft opgemerkt, zou de mogelijkheid voor een leverancier om op exclusieve basis een bepaald gebied toe te wijzen aan een van zijn distributeurs/afnemers immers elk nuttig effect verliezen indien de exclusieve distributeur/afnemer niet werd beschermd tegen de actieve verkoop in dat gebied door de andere afnemers van de leverancier.16. In dit verband herinner ik aan de vaste rechtspraak van het Hof dat wanneer een Unierechtelijke bepaling voor meerdere uitleggingen vatbaar is, de voorkeur moet worden gegeven aan de uitlegging die de nuttige werking van de bepaling kan verzekeren.17.
42.
Ten tweede blijkt expliciet uit de bewoordingen van artikel 4, onder b), i), van verordening nr. 330/2010 dat een leverancier de actieve verkoop door andere afnemers in het exclusieve gebied mag beperken. Deze mogelijkheid zou betekenisloos en slechts een lege huls zijn indien zij niet gepaard zou gaan met een verplichting voor de leverancier om te waarborgen dat de beperking van de actieve verkoop daadwerkelijk door die andere afnemers wordt nageleefd. Tegelijkertijd moet worden opgemerkt dat een dergelijke verplichting alleen ontstaat wanneer een leverancier van plan was gebruik te maken van de uitzondering van artikel 4, onder b), i), en dit ook daadwerkelijk heeft gedaan.
43.
Hieruit volgt dat verordening nr. 330/2010, doordat zij beperkingen van de actieve verkoop in een ‘exclusief gebied’ toestaat, het vereiste van parallelle oplegging heeft opgenomen in de regeling van artikel 4, onder b), i), van deze verordening.
44.
In overweging 5 van verordening nr. 330/2010 wordt uitgelegd dat ‘het voordeel van de bij deze verordening vastgestelde groepsvrijstelling moet worden beperkt tot verticale overeenkomsten waarvan met voldoende zekerheid kan worden aangenomen dat zij aan de voorwaarden van artikel 101, lid 3, [VWEU] voldoen’.
45.
In de overwegingen 6 en 7 van deze verordening wordt uiteengezet dat bepaalde soorten verticale overeenkomsten de economische efficiëntie kunnen verhogen en tot een vermindering van de transactiekosten kunnen leiden en tot een optimalisering van de hoogte van de verkoop en investeringen. Uit deze overwegingen vloeit voort dat dergelijke efficiëntieverhogende effecten zwaarder kunnen wegen dan eventuele mededingingsbeperkende effecten, mits aan de vereisten van deze verordening wordt voldaan.
46.
Ten slotte staat in overweging 10 van verordening nr. 330/2010 met name te lezen dat ‘[d]eze verordening […] geen vrijstelling [dient] te verlenen voor verticale overeenkomsten welke beperkingen bevatten die waarschijnlijk de mededinging beperken en de consumenten schaden of die niet onmisbaar zijn om de voornoemde efficiëntieverhogende uitwerking te bereiken’.
47.
Hieruit volgt dat overeenkomsten als die welke in casu aan de orde zijn, in beginsel kunnen worden geacht te voldoen aan de voorwaarden van artikel 101, lid 3, VWEU. De uitzondering van artikel 4, onder b), i), van verordening nr. 330/2010 kan deze efficiëntieverhogende uitwerking evenwel enkel genereren indien de voorwaarden van die uitzondering worden vervuld en daadwerkelijk door de betrokken partijen worden toegepast. Met andere woorden, een specifieke overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging zal enkel van het algemene verbod worden vrijgesteld indien de in deze verordening gestelde voorwaarden daadwerkelijk worden toegepast en een dergelijke efficiëntieverhogende uitwerking kunnen hebben. Wat betreft de uitzondering van artikel 4, onder b), i), zou dit doel alleen kunnen worden bereikt wanneer de exclusiviteit en het actieveverkoopverbod worden gecombineerd met een effectieve bescherming van de door de leverancier verleende exclusiviteit.
48.
Gelet op de doelstelling van de groepsvrijstelling waarin verordening nr. 330/2010 voorziet, zoals in de overwegingen ervan genoemd, is het vereiste van parallelle oplegging een voorwaarde omdat artikel 4, onder b), i), van verordening nr. 330/2010 uitsluitend van toepassing is op alleenverkoopovereenkomsten die de exclusieve distributeur echt aanmoedigen om in het exclusieve gebied te investeren in zijn verkoopactiviteiten.18.
49.
In een dergelijke situatie is het, om die aanmoediging te waarborgen, noodzakelijk dat de leverancier de actieve verkoop in het exclusieve gebied door alle andere afnemers in de EER daadwerkelijk beperkt.19.
50.
Bovenstaande uitlegging van de bewoordingen van verordening nr. 330/2010 was opgenomen in de richtsnoeren van 2010, welke deze verordening begeleidden. In dit verband herinner ik eraan dat deze richtsnoeren als zachte wetgeving het Hof weliswaar niet binden, maar dat dit niet wegneemt dat de Commissie de auteur van die verordening is en dat de bijbehorende richtsnoeren bijgevolg in beginsel een relevant instrument vormen voor het juiste begrip van de betekenis die de wetgever, in casu de Commissie, aan die verordening heeft willen geven. Het Hof heeft zich in het verleden namelijk op dezelfde richtsnoeren beroepen ter ondersteuning van zijn uitlegging van artikel 101, lid 1, VWEU.20. Deze lezing van artikel 4, onder b), i), van verordening nr. 330/2010, in het licht van de bijbehorende richtsnoeren, is in overeenstemming met de doelstellingen van deze verordening, die samen met de richtsnoeren beoogt de rechtszekerheid en de uniforme toepassing van het mededingingsrecht, in het bijzonder artikel 101 VWEU, in de Europese Unie te waarborgen.
51.
In punt 51 van de richtsnoeren van 2010 wordt namelijk gepreciseerd dat ‘[e]en gebied of klantenkring geldt als exclusief toegewezen wanneer de leverancier afspreekt zijn product maar aan één distributeur te leveren met het oog op distributie in een bepaald gebied of aan een bepaalde klantenkring en de exclusieve distributeur beschermd wordt tegen actieve verkoop in zijn gebied of aan zijn klantenkring door alle andere afnemers van de leverancier in de [Europese] Unie, ongeacht de verkopen van de leverancier’ (cursivering van mij). Hieruit volgt dat de toelichting van de Commissie in haar richtsnoeren exclusiviteit en de beperking van actieve verkopen koppelt aan de noodzaak om de bescherming van aan die regelingen ontleende rechten te waarborgen.
52.
Uit het voorgaande volgt dat het vereiste van parallelle oplegging integrerend deel uitmaakt van de regeling van artikel 4, onder b), i), van verordening nr. 330/2010 en dat de richtsnoeren van 2010 in dit verband beogen te verduidelijken hoe de voorwaarden van deze bepaling in de praktijk moeten worden toegepast.
53.
Ik ben van mening dat deze uitlegging wordt bevestigd door de nieuwe verordening, namelijk verordening 2022/720, die verordening nr. 330/2010 heeft vervangen en, zoals uiteengezet in overweging 2 van verordening 2022/720, gebaseerd is op de over het algemeen positieve ervaring met de toepassing van verordening nr. 330/2010.
54.
Zoals de Commissie ter terechtzitting heeft uiteengezet, is in verordening 2022/720, die is vastgesteld om bepaalde elementen te verduidelijken, voortaan expliciet een definitie van het begrip ‘exclusief distributiestelsel’ opgenomen. Om de regels beter toe te lichten en rechtszekerheid te bieden aan de marktdeelnemers die gebruikmaken van de regeling inzake de vrijstelling van verticale groepen, is in deze nieuwe verordening daarom — in de definitie van een exclusief distributiestelsel — het vereiste van parallelle oplegging opgenomen. Met andere woorden, deze verordening bevat thans een expliciete definitie van de voorwaarden voor dat distributiestelsel, waarin de eerdere verordening mijns inziens impliciet voorzag. De nieuwe verordening is duidelijk bedoeld om het vereiste van parallelle oplegging te koppelen aan exclusiviteit.21.
55.
In dit verband wordt in de richtsnoeren van 2022 inzake verticale beperkingen22. verklaard dat ‘[o]m hun investeringsprikkels te behouden, […] de leverancier zijn exclusieve distributeurs [moet] beschermen tegen actieve verkoop, met inbegrip van gerichte onlinereclame, in hun exclusieve gebied of aan hun exclusieve klantengroep door alle andere afnemers van de leverancier’.
2. Hoe kan het vereiste van parallelle oplegging worden nageleefd?
56.
Uit bovenstaande analyse volgt dat in casu enkel is voldaan aan het vereiste van parallelle oplegging indien eerst wordt aangetoond dat er een overeenkomst is of was tussen de leverancier (Cono) en al zijn afnemers. Uit de logica van de vrijstellingsregeling van artikel 4, onder b), i), van verordening nr. 330/2010 volgt namelijk dat de uitzondering op ‘beperkingen die het voordeel van de groepsvrijstelling opheffen — hardcorebeperkingen’ pas van toepassing wordt wanneer de partijen (de leverancier en zijn afnemers) ermee instemmen de voorwaarden van dat artikel te vervullen.
57.
Om aan te tonen dat aan het vereiste van parallelle oplegging wordt voldaan, ligt het mijns inziens, in de geest van artikel 4, onder b), i), van verordening nr. 330/2010, het meest voor de hand om in de bindende schriftelijke overeenkomsten tussen de leverancier en al zijn andere afnemers een uitdrukkelijke clausule op te nemen die de actieve verkoop beperkt.23. Een dergelijke oplossing zou de voorkeur verdienen in het licht van het rechtszekerheidsbeginsel. In dit verband merk ik op dat in het hoofdgeding reeds bij een in kracht van gewijsde gegane uitspraak is geoordeeld dat de aan Beevers Kaas verleende exclusiviteit noodzakelijkerwijs een verplichting voor Cono inhield om Beevers Kaas te beschermen tegen de actieve verkoop door alle andere afnemers in België en Luxemburg.24.
58.
Aangezien er in het hoofdgeding geen sprake lijkt te zijn van dergelijke expliciete bedingen25. of schriftelijke overeenkomsten, zijn de belangrijkste vragen die in casu moeten worden behandeld: i) de juridische kwalificatie van de relatie tussen de leverancier (Cono) en zijn andere afnemers, en ii) de vaststelling van de gevolgen die aan deze relatie moeten worden verbonden.
59.
Aangezien verordening nr. 330/2010 niet preciseert hoe het vereiste van parallelle oplegging moet worden nageleefd, met name om aan te tonen dat de partijen hebben ingestemd met de voorwaarden die aan dit vereiste ten grondslag liggen, moet worden verwezen naar het begrip ‘overeenkomst’ in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU.
60.
Hieruit volgt dat, zoals de verwijzende rechter in de verwijzingsbeslissing suggereert, moet worden onderzocht of er naast de alleenverkoopovereenkomst tussen Cono en Beevers Kaas een overeenkomst in de zin van de rechtspraak van het Hof bestond tussen leverancier Cono en zijn andere afnemers met betrekking tot een actieveverkoopverbod in het aan Beevers Kaas toegewezen exclusieve gebied.
61.
Uit de rechtspraak van het Hof komt in het bijzonder duidelijk naar voren dat, ‘om een overeenkomst te vormen in de zin van artikel [101, lid 1, VWEU], het voldoende is dat een schijnbaar eenzijdige handeling of handelwijze uitdrukking geeft aan de overeenstemmende wil van ten minste twee partijen, en dat de vorm waarin deze wilsovereenstemming tot uitdrukking komt op zich niet beslissend is’26..
62.
Bovendien herinnert deze rechtspraak eraan dat ‘[d]e wil van partijen […] zowel [kan] blijken uit de bepalingen van de betrokken dealerovereenkomst als uit het gedrag van partijen, inzonderheid de eventuele stilzwijgende instemming van de dealers met het verzoek van de constructeur’.27. Deze redenering geldt ook voor de relatie tussen een leverancier en zijn distributeurs/afnemers, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is.
63.
Volgens het arrest in de zaak Bayer28. kan een dergelijke overeenkomst niet gebaseerd zijn op wat slechts de uitdrukking is van een eenzijdig beleid van een van de contractpartijen, dat zonder de medewerking van anderen kan worden uitgevoerd. Een overeenkomst in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU kan slechts worden geacht door stilzwijgende aanvaarding tot stand te zijn gekomen ‘indien de wilsuitdrukking van een van de contractpartijen die is gericht op het verstoren van de mededinging, een — expliciete of impliciete — uitnodiging vormt aan de andere partij om dit doel gezamenlijk te verwezenlijken’29..
64.
Om te kunnen vaststellen dat er sprake was van een overeenkomst in de zin van artikel 4, onder b), i), van verordening nr. 330/2010 en de daarin vastgelegde uitzondering, moet worden uitgegaan van deze rechtspraak, hetgeen impliceert dat moet worden aangetoond dat i) de leverancier zijn afnemers heeft uitgenodigd om van deze uitzondering gebruik te maken, en ii) zijn afnemers die uitnodiging op zijn minst stilzwijgend hebben aanvaard.
65.
De relevante rechtspraak komt ook tot uiting in de richtsnoeren van 2010.30. Uit deze richtsnoeren volgt dat, wanneer de wilsovereenstemming niet blijkt uit een uitdrukkelijke overeenkomst, moet worden bewezen dat de eenzijdige strategie van de ene partij de instemming van de andere partij heeft. Er is sprake van stilzwijgende instemming wanneer de ene partij de andere partij expliciet of impliciet uitnodigt om mee te werken aan de uitvoering van deze eenzijdige strategie en de andere partij daarmee vervolgens instemt door die strategie uit te voeren.
66.
Het recente arrest in de zaak Super Bock31. verduidelijkt en codificeert deze rechtspraak. Uit dat arrest kan worden afgeleid dat voor de toepassing van het vereiste van parallelle oplegging (dat wil zeggen om vast te stellen dat er sprake was van een overeenkomst tussen de leverancier en zijn andere afnemers) moet worden onderzocht of er sprake was van wilsovereenstemming van de partijen, die kan voortvloeien uit de bedingen van de distributieovereenkomst en uit het gedrag van de partijen en met name uit de eventuele uitdrukkelijke of stilzwijgende instemming van de distributeurs.32.
67.
In dat arrest33., dat is gewezen in een zaak waarin een leverancier zijn distributeurs bepaalde beperkingen oplegde, met name minimumwederverkoopprijzen, wordt gepreciseerd dat er ‘reeds sprake is van een ‘overeenkomst’ in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU wanneer de betrokken ondernemingen uiting hebben gegeven aan hun gezamenlijke wil om zich op de markt op een bepaalde wijze te gedragen’.
68.
Vervolgens herinnert het Hof er in dat arrest aan34. dat ‘[e]en overeenkomst […] dus niet [kan] worden gebaseerd op de uitdrukking van een zuiver eenzijdig beleid van een partij bij een distributieovereenkomst’.
69.
In hetzelfde arrest merkt het Hof echter op35. dat ‘[e]en schijnbaar eenzijdige handeling of gedraging […] een overeenkomst in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU [vormt] wanneer zij uitdrukking geeft aan de overeenstemmende wil van ten minste twee partijen, waarbij de vorm waarin deze wilsovereenstemming tot uitdrukking komt op zich niet beslissend is’.
70.
Deze wilsovereenstemming van de partijen kan dus voortvloeien ‘uit de bewoordingen van de betrokken distributieovereenkomst […] en met name uit de eventuele uitdrukkelijke of stilzwijgende instemming van de distributeurs met een verzoek om [het betrokken vereiste] in acht te nemen’36..
71.
Hieruit volgt dat er, om aan te tonen dat in het hoofdgeding is voldaan aan het vereiste van parallelle oplegging met betrekking tot Cono's andere distributeurs/afnemers, verschillende alternatieven bestaan om te bewijzen dat de voorwaarden van artikel 4, onder b), i), van verordening nr. 330/2010 zijn vervuld.
72.
Ten eerste kan het actieveverkoopverbod uitdrukkelijk worden opgenomen in de distributieovereenkomst met elke distributeur/afnemer, hetgeen in het hoofdgeding niet het geval lijkt te zijn.
73.
Ten tweede zou de uitdrukkelijke instemming van andere afnemers dan Beevers Kaas in bepaalde omstandigheden kunnen worden afgeleid uit de bevoegdheden die krachtens de door hen gesloten overeenkomst aan de partijen zijn verleend.37. Dit zou het geval zijn als de overeenkomsten tussen Cono en haar andere afnemers Cono de bevoegdheid zouden verlenen om actieveverkoopverboden op te leggen voor de gebieden die zij exclusief aan een of meer specifieke afnemers heeft toegewezen of zou toewijzen.
74.
Ten derde kan op basis van de rechtspraak van het Hof, zoals weergegeven in punt 25 van de richtsnoeren van 2010, worden gesteld dat bij gebreke van een expliciete instemming moet worden aangetoond dat er sprake is van stilzwijgende instemming. Daarvoor moet eerst worden aangetoond dat de ene partij expliciet of impliciet van de andere partij verlangt dat zij medewerking aan de uitvoering van haar eenzijdige strategie verleent en vervolgens dat de andere partij aan die eis voldoet door die eenzijdige strategie uit te voeren.
75.
Bovendien wordt in punt 57 van het arrest Super Bock een ander relevant punt aangeroerd, namelijk dat ‘het bestaan van een overeenkomst in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU […] niet alleen kan worden vastgesteld aan de hand van rechtstreeks bewijs, maar ook op basis van samenloop van omstandigheden en onderling overeenstemmende aanwijzingen, aangezien daaruit kan worden afgeleid dat een leverancier zijn distributeurs heeft uitgenodigd om [een bepaald vereiste toe te passen] en de distributeurs in de praktijk [dat] door de leverancier opgegeven [vereiste] in acht hebben genomen’ (cursivering van mij).
76.
Hieruit volgt dat in de onderhavige zaak, waarin directe of expliciete contractuele voorwaarden of direct bewijs van de overeenkomst tussen Cono en haar afnemers lijken te ontbreken, moet worden onderzocht wat de ‘samenloop van omstandigheden en onderling overeenstemmende aanwijzingen’ zou kunnen zijn waaruit kan worden afgeleid dat de leverancier (Cono), in geval van een actieveverkoopverbod in een exclusief gebied, zijn andere distributeurs/afnemers heeft uitgenodigd om dat verbod na te leven en dat zij dat in de praktijk hebben gedaan.
77.
De verwijzende rechter zal dus de feiten met betrekking tot twee met elkaar samenhangende en cumulatieve elementen moeten onderzoeken, aangezien deze elementen, indien zij aanwezig zijn, samen aantonen dat er sprake is van wilsovereenstemming en bijgevolg van een overeenkomst in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU.
78.
Het eerste element is de ‘uitnodiging’, dat wil zeggen de vraag of de leverancier (Cono) de andere afnemers expliciet of impliciet heeft uitgenodigd af te zien van actieve verkoop in het exclusieve gebied. Een dergelijke uitnodiging kan verschillende vormen aannemen. Zij had bijvoorbeeld de vorm kunnen hebben van een specifieke mededeling aan die andere afnemers (door middel van e-mails, brieven, contractuele bepalingen, formele kennisgevingen, vergeldingsmaatregelen of vergelijkbare handelingen), waarbij Cono hen uitnodigde om het exclusieve gebied en het actieveverkoopverbod in acht te nemen op straffe van vergeldingsmaatregelen. Een uitnodiging kan ook op een andere wijze worden gedaan, dat wil zeggen door specifieke vermeldingen of voorwaarden op te nemen in de algemene voorwaarden van de leverancier, die bijvoorbeeld bij de aan zijn distributeurs/afnemers gerichte factuur kunnen worden gevoegd of op een andere manier beschikbaar kunnen worden gesteld.
79.
Naar mijn mening kan hier een parallel worden getrokken met punt 52 van het arrest Super Bock, waaruit kan worden afgeleid dat de leverancier zijn distributeurs/afnemers proactief en duidelijk moet informeren over het feit dat hij het exclusieve distributiestelsel en een actieveverkoopverbod hanteert, en toezicht moet houden op hun naleving daarvan.38. Zo moet de leverancier al zijn afnemers bij het verlenen van de exclusiviteit en bij de aanwijzing van elke nieuwe distributeur/afnemer meedelen en duidelijk aangeven dat zij verplicht zijn om dat stelsel in acht te nemen.
80.
Hieruit volgt dat, om het bestaan van een ‘uitnodiging’ vast te stellen, de beoordeling moet aantonen dat Cono duidelijk beoogde Beevers Kaas in het exclusieve gebied te beschermen, en moet aangeven welk specifiek gedrag Cono van zijn andere afnemers verwachtte.
81.
Het tweede element is de ‘aanvaarding’ van of de instemming van de andere afnemers met het bovengenoemde actieveverkoopverbod. Ook dit kan blijken uit verschillende elementen, zoals een expliciete erkenning van dat verbod (door middel van een briefwisseling of interne nota's in het kader van contractonderhandelingen) of een impliciete vorm van erkenning. Een impliciete erkenning kan bijvoorbeeld tot uiting komen in de beëindiging of het ontbreken van actieve verkoop door andere afnemers in het exclusieve gebied, of in het laten varen van de wil van de afnemers om deze verkopen te verrichten, na een kennisgeving van de leverancier. Zij kan ook blijken uit het feit dat deze afnemers het actieveverkoopverbod in dat gebied niet hebben betwist of de algemene voorwaarden, waarin naar dat verbod wordt verwezen, hebben aanvaard.
82.
Om een impliciete erkenning aan te tonen, zou uit de bovengenoemde ‘samenloop van omstandigheden en onderling overeenstemmende aanwijzingen’ duidelijk moeten blijken dat de andere distributeurs/afnemers bereid zijn om de uitnodiging van de leverancier om het exclusieve distributiestelsel te eerbiedigen en na te leven, te aanvaarden. Dit zou het geval zijn in een situatie waarin de distributeurs/afnemers op de hoogte werden gebracht, maar zij ervoor kozen zich niet tegen dit stelsel te verzetten en ermee instemden.
83.
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt niet dat enige andere afnemer (met uitzondering van Albert Heijn) het actieveverkoopverbod heeft geschonden of betwist. De verwijzende rechter vraagt zich af of deze omstandigheid op zichzelf volstaat om aan te tonen dat de andere afnemers hebben ingestemd met de eventuele uitnodiging van Cono.
84.
In dit opzicht is het, zoals de Commissie heeft betoogd, relevant dat geen enkele afnemer van Cono zich heeft beziggehouden met de actieve verkoop van Beemster kaas in België, zoals uit de stukken voor het Hof blijkt, en kan de verwijzende rechter dit wellicht bij zijn beoordeling in aanmerking nemen als een van de omstandigheden en aanwijzingen.
85.
Een dergelijke omstandigheid is op zichzelf daartoe evenwel niet toereikend of noodzakelijk.39. Om het bestaan van een overeenkomst in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU aan te tonen, kan er niet worden volstaan met vast te stellen dat de andere afnemers niet actief zijn. Veeleer moet hun wil om in te stemmen worden aangetoond. In dit verband zou de vraag of een distributeur/afnemer daadwerkelijk in staat is tot de exclusieve markt toe te treden, deel kunnen uitmaken van de beoordeling.
86.
Zo zou bijvoorbeeld kunnen worden beoordeeld of de andere afnemers van de leverancier hebben geklaagd over of zijn opgekomen tegen het actieveverkoopverbod in het exclusieve gebied40., en of zij daardoor hun gedrag hebben gewijzigd. Zelfs indien een of meer afnemers zich over dit verbod hebben beklaagd of daartegen bezwaar hebben gemaakt, zou dit op zichzelf evenwel geen aanwijzing vormen voor het ontbreken van stilzwijgende instemming indien zij niettemin het actieveverkoopverbod in acht zijn blijven nemen.41.
87.
Met andere woorden, ik ben van mening dat het loutere ontbreken van verkopen door de andere afnemers in het exclusieve gebied niet volstaat om aan te tonen dat zij hebben ingestemd met een uitnodiging van Cono.
88.
Uit de voorgaande overwegingen volgt dat aan het vereiste van parallelle oplegging is voldaan indien kan worden aangetoond dat er een overeenkomst bestond tussen de leverancier en zijn andere afnemers, dat wil zeggen dat, ten eerste, de leverancier deze afnemers expliciet of impliciet heeft uitgenodigd om in te stemmen met het actieveverkoopverbod in het exclusieve gebied en dat, ten tweede, de andere afnemers op zijn minst stilzwijgend hun wil te kennen hebben gegeven om met dit verbod in te stemmen, hetgeen op basis van een samenloop van omstandigheden of onderling overeenstemmende aanwijzingen moet worden aangetoond.
3. Beantwoording van de eerste prejudiciële vraag
89.
Hieruit volgt dat artikel 4, onder b), i), van verordening nr. 330/2010 aldus moet worden uitgelegd dat het vereiste van een parallelle oplegging integrerend deel uitmaakt van dat artikel en dat de loutere vaststelling dat andere afnemers niet actief verkopen in het gebied dat exclusief aan een bepaalde afnemer is toegewezen, niet kan volstaan als bewijs dat er tussen een leverancier en zijn afnemers een overeenkomst inzake een actieveverkoopverbod in dat gebied bestaat. Teneinde aan te tonen dat een dergelijke overeenkomst bestaat, moet de leverancier, ten eerste, die andere afnemers expliciet of impliciet hebben uitgenodigd om zich op een bepaalde, duidelijk omschreven wijze op de markt te gedragen, dat wil zeggen niet actief te verkopen in het exclusieve gebied, en moeten de afnemers, ten tweede, op zijn minst stilzwijgend hun wil te kennen hebben gegeven om in te stemmen met dat verbod, hetgeen moet worden aangetoond aan de hand van een samenloop van omstandigheden of onderling overeenstemmende aanwijzingen.
B. Tweede prejudiciële vraag
1. Onderzoek van de tweede prejudiciële vraag
90.
In de tweede vraag wordt de kwestie aan de orde gesteld op welk tijdstip de andere afnemers hun instemming moeten geven, in het licht van de rechtspraak van het Hof met betrekking tot het begrip ‘overeenkomst’ in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU. De verwijzende rechter wenst met name te vernemen of het voldoende is dat de leverancier pas indien en wanneer de andere afnemers te kennen geven voornemens te zijn om actief in het exclusieve gebied te verkopen, aantoont dat zij het actieveverkoopverbod hebben aanvaard.
91.
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat deze vraag rijst in een context waarin, afgezien van Albert Heijn, de distributeurs/afnemers van Cono nooit voornemens lijken te zijn geweest om in België actief te verkopen. De verwijzende rechter vraagt zich af of het voor de toepassing van artikel 4, onder b), i), van verordening nr. 330/2010 voldoende is dat Cono Beevers Kaas beschermt tegen de actieve verkoop door die distributeurs/afnemers indien en voor zover zij daartoe in de toekomst voornemens zouden zijn, dan wel of die bescherming moet worden gewaarborgd vanaf het moment waarop Cono een overeenkomst met die andere distributeurs/afnemers heeft gesloten.
92.
Zoals in punt 51 van deze conclusie is uitgelegd, houdt het vereiste van parallelle oplegging in dat de exclusieve distributeur moet worden beschermd tegen actieve verkopen in zijn gebied door alle andere afnemers van de leverancier in de Europese Unie.
93.
Uit het door mij in overweging gegeven antwoord op de eerste prejudiciële vraag volgt dat aan deze voorwaarde slechts is voldaan voor zover de andere afnemers expliciet of stilzwijgend instemmen met het actieveverkoopverbod in het exclusieve gebied. Om redenen van voorzienbaarheid en gelet op het rechtszekerheidsbeginsel mag er niet te veel tijd liggen tussen het tijdstip waarop de leverancier het actieveverkoopverbod uitvaardigt en het tijdstip waarop de andere afnemers daarmee instemmen.
94.
Daartoe moet op basis van alle bewijsstukken (zoals uiteengezet in de punten 76–83 van deze conclusie) worden aangetoond dat er sprake was van een overeenkomst inzake een actieveverkoopverbod. Zoals ik in punt 34 van deze conclusie heb uitgelegd, voorziet artikel 4, onder b), i), van verordening nr. 330/2010 in een uitzondering (op een uitzondering) en moet het derhalve restrictief worden uitgelegd. Bovendien valt een al te soepele benadering van het vereiste van parallelle oplegging en actieveverkoopverboden niet te rechtvaardigen, aangezien hetgeen op het spel staat anders een hardcorebeperking van het mededingingsrecht van de Unie is.
95.
Hieruit volgt dat het, om te voldoen aan het vereiste van parallelle oplegging, niet voldoende is dat de leverancier, ten einde aan te tonen dat er een overeenkomst in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU bestaat, pas op het moment dat zijn andere afnemers op het punt staan actief te verkopen in het exclusieve gebied, kan aantonen dat zij met het actieveverkoopverbod hebben ingestemd.
96.
Zolang de leverancier een dergelijke instemming niet van de andere afnemers heeft verkregen, is dus niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 4, onder b), i), van verordening nr. 330/2010 om de overeenkomst onder de groepsvrijstelling te laten vallen.
97.
Met andere woorden, aan die voorwaarden wordt, zoals de Commissie heeft opgemerkt, slechts voldaan indien en vanaf het tijdstip waarop de andere afnemers hebben ingestemd met het actieveverkoopverbod in het exclusieve gebied, en niet daarvóór. Indien de leverancier die instemming pas verkrijgt op tijdstip ‘X’, wanneer een onderneming op het punt staat actief te verkopen in het exclusieve gebied, is de groepsvrijstelling van verordening nr. 330/2010 niet van toepassing in de periode die voorafgaat aan tijdstip ‘X’.
98.
In dit verband is het van belang een onderscheid te maken tussen enerzijds het bestaan van een dergelijke instemming en anderzijds de elementen die noodzakelijk zijn om deze te bewijzen.
99.
Dit laatste punt is een feitelijke kwestie die van geval tot geval moet worden onderzocht, rekening houdend met alle relevante omstandigheden.
100.
Het staat derhalve aan de leverancier om aan te tonen dat in beginsel gedurende de gehele periode waarvoor hij aanspraak maakt op de groepsvrijstelling van verordening nr. 330/2010, ten aanzien van al zijn andere afnemers aan die voorwaarde is voldaan.42.
2. Beantwoording van de tweede prejudiciële vraag
101.
Hieruit volgt dat artikel 4, onder b), i), van verordening nr. 330/2010 aldus moet worden uitgelegd dat, wanneer een leverancier een exclusief gebied aan een bepaalde afnemer heeft toegewezen, het voor de toepassing van die bepaling niet voldoende is dat de leverancier pas indien en wanneer zijn andere afnemers op het punt staan actief te verkopen in het exclusief toegewezen gebied, kan aantonen dat zij met de beperking van de actieve verkoop in dat gebied hebben ingestemd. Voor de toepassing van deze bepaling moet de leverancier daarentegen aantonen dat gedurende de gehele periode waarvoor hij aanspraak maakt op de groepsvrijstelling van verordening nr. 330/2010, ten aanzien van al zijn andere afnemers binnen de EER aan het vereiste van parallelle oplegging is voldaan.
C. Slotopmerkingen
102.
Volledigheidshalve lijkt het mij nuttig enkele slotopmerkingen te maken.
103.
Het staat uitsluitend aan de verwijzende rechter om de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomsten juridisch te kwalificeren, rekening houdend met alle voorgaande verduidelijkingen.
104.
Indien de verwijzende rechter tot de slotsom zou komen dat artikel 4, onder b), i), van verordening nr. 330/2010 niet op de onderhavige zaak van toepassing is, zou hij vervolgens moeten nagaan of de alleenverkoopovereenkomst de mededinging beperkt in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU en, zo ja, of aan de voorwaarden voor de in artikel 101, lid 3, VWEU vastgelegde uitzondering is voldaan.43.
105.
Ten eerste zou de verwijzende rechter een individuele beoordeling van de betrokken verticale overeenkomst moeten verrichten teneinde vast te stellen of deze binnen de werkingssfeer van artikel 101, lid 1, VWEU valt en, zo ja, of zij de mededinging beperkt naar strekking of naar gevolg, overeenkomstig de in de rechtspraak van het Hof vastgelegde criteria.44.
106.
Ten tweede kan die overeenkomst, indien de verwijzende rechter tot de slotsom komt dat zij de mededinging beperkt in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU, niettemin verenigbaar zijn met artikel 101 VWEU, mits de partijen aantonen dat zij voldoet aan de vier cumulatieve voorwaarden van artikel 101, lid 3, VWEU.45.
107.
Zoals de Commissie heeft opgemerkt, zou de verwijzende rechter vervolgens de mededingingsbevorderende en de mededingingsverstorende aspecten van de overeenkomst tegen elkaar moeten afwegen binnen het specifieke beoordelingskader van artikel 101, lid 3, VWEU, daarbij rekening houdend met alle relevante omstandigheden.
108.
De verwijzende rechter zou met name de positie van de concurrenten van Cono, de koopkracht, de marktdynamiek, de aard van het product en het niveau van de bedrijfsactiviteit van de partijen moeten beoordelen. Hij zou ook moeten beoordelen of de overeenkomst die bepaalde distributeurs verbiedt actief te verkopen in een gebied dat exclusief aan een andere distributeur (Beevers Kaas) is toegewezen, efficiëntieverbeteringen oplevert in die zin dat deze laatste distributeur investeringen moet doen (bijvoorbeeld in specifieke apparatuur, vaardigheden of knowhow) om de verkoop van het in dat gebied gedistribueerde product te bevorderen, en of bescherming tegen actieve verkoop door andere distributeurs in dat gebied noodzakelijk is om dergelijke investeringen te stimuleren.
V. Conclusie
109.
Ik geef het Hof in overweging de prejudiciële vragen van het hof van beroep Antwerpen te beantwoorden als volgt:
- ‘1)
Artikel 4, onder b), i), van verordening (EU) nr. 330/2010 van de Commissie van 20 april 2010 betreffende de toepassing van artikel 101, lid 3, [VWEU] op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen
moet aldus worden uitgelegd dat
het vereiste van een parallelle oplegging integrerend deel uitmaakt van dat artikel en dat de loutere vaststelling dat andere afnemers niet actief verkopen in het gebied dat exclusief aan een bepaalde afnemer is toegewezen, niet kan volstaan als bewijs dat er tussen een leverancier en zijn afnemers een overeenkomst inzake een actieveverkoopverbod in dat gebied bestaat. Teneinde aan te tonen dat een dergelijke overeenkomst bestaat, moet de leverancier, ten eerste, die andere afnemers expliciet of impliciet hebben uitgenodigd om zich op een bepaalde, duidelijk omschreven wijze op de markt te gedragen, dat wil zeggen niet actief te verkopen in het exclusieve gebied, en moeten de afnemers, ten tweede, op zijn minst stilzwijgend hun wil te kennen hebben gegeven om in te stemmen met dat verbod, hetgeen moet worden aangetoond aan de hand van een samenloop van omstandigheden of onderling overeenstemmende aanwijzingen.
- 2)
Artikel 4, onder b), i), van verordening nr. 330/2010 van de Commissie
moet aldus worden uitgelegd dat,
wanneer een leverancier een exclusief gebied aan een bepaalde afnemer heeft toegewezen, het voor de toepassing van die bepaling niet voldoende is dat de leverancier pas indien en wanneer zijn andere afnemers op het punt staan actief te verkopen in het exclusief toegewezen gebied, kan aantonen dat zij met de beperking van de actieve verkoop in dat gebied hebben ingestemd. Voor de toepassing van deze bepaling moet de leverancier daarentegen aantonen dat gedurende de gehele periode waarvoor hij aanspraak maakt op de groepsvrijstelling van verordening nr. 330/2010, ten aanzien van al zijn andere afnemers binnen de Europese Economische Ruimte aan het vereiste van parallelle oplegging is voldaan.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 09‑01‑2025
Verordening van 20 april 2010 betreffende de toepassing van artikel 101, lid 3, [VWEU] op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen (PB 2010, L 102, blz. 1).
Beemster kaas is een harde kaas die is gemaakt van koemelk. Hij dankt zijn specifieke smaak aan de ingrediënten (melk afkomstig van koeien die worden gevoederd met gras dat in een Nederlandse polder op vier meter onder de zeespiegel op zeeklei wordt geteeld) en aan het feit dat een deel van het productieproces (het roeren van de wrongel) handmatig gebeurt en de kaas in wisselende omstandigheden rijpt.
Verordening van 22 december 1999 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, [EG] op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen (PB 1999, L 336, blz. 21).
Verordening van 10 mei 2022 betreffende de toepassing van artikel 101, lid 3, [VWEU] op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen (PB 2022, L 134, blz. 4).
PB 2010, C 130, blz. 1; hierna: ‘richtsnoeren van 2010’.
In beginsel biedt een ‘afnemer’ zijn producten rechtstreeks aan de consument aan, terwijl een ‘distributeur’ zijn producten aan andere ondernemingen aanbiedt. Aangezien de onderhavige zaak niet van het onderscheid tussen deze termen afhangt, gebruik ik ze door elkaar.
Arrest van 8 december 2005, Jyske Finans (C-280/04, EU:C:2005:753, punt 34). Zie hierover Lenaerts, K., ‘Interpretation and the Court of Justice: A basis for comparative reflection’, International Lawyer, deel 41, nr. 4, 2007, blz. 1011.
Zie arrest van 4 maart 2020, Marine Harvest/Commissie (C-10/18 P, EU:C:2020:149, punt 58). Zie in die zin ook arrest van 9 juli 2020, Land Hessen (C-272/19, EU:C:2020:535, punt 68).
Het begrip ‘actieve verkopen’ is uitgelegd in punt 9 van deze conclusie. Actieve verkopen moeten worden onderscheiden van ‘passieve verkopen’, waaronder wordt verstaan het ingaan op spontane verzoeken van individuele klanten, met inbegrip van de levering van goederen of diensten aan dergelijke klanten.
Dit verbod mag echter niet de verkoop door de klanten van de exclusieve afnemer in het exclusieve gebied beperken.
Zie punt 27 van deze conclusie.
Europese Commissie, Wijckmans, F., en Jaques, S., Expert report on the review of the Vertical Block Exemption Regulation — Active sales restrictions in different distribution models and combinations of distribution models — Final report, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg, 2021, blz. 27 (hierna: ‘deskundigenrapport’) (cursivering van mij).
Zie punt 51 van de richtsnoeren van 2010.
Deze uitlegging kan ook worden afgeleid uit het in voetnoot 13 genoemde deskundigenrapport, op. cit., blz. 27 en 28.
Met andere woorden, het is noodzakelijk dat aan een distributeur/afnemer, zoals Beevers Kaas, niet alleen een exclusief gebied wordt toegewezen, maar dat deze distributeur/afnemer ook wordt beschermd tegen de actieve verkoop in dat gebied door andere afnemers. Bij gebreke van een dergelijke bescherming zou het de facto onmogelijk zijn om een exclusief gebied toe te wijzen, aangezien van exclusiviteit voor dit gebied geenszins sprake zou zijn wanneer de andere afnemers niet zouden zijn onderworpen aan een actieveverkoopverbod en zij dit verbod niet daadwerkelijk zouden nakomen.
Arrest van 24 februari 2000, Commissie/Frankrijk (C-434/97, EU:C:2000:98, punt 21).
Zie punt 164 van de richtsnoeren van 2010: ‘Alleenverkoop kan tot efficiëntieverbeteringen leiden, in het bijzonder wanneer investeringen door de distributeurs noodzakelijk zijn om een merkimago op te bouwen of te beschermen. De kans op efficiëntieverbeteringen is over het algemeen het grootst bij nieuwe producten, complexe producten, producten waarvan de kwaliteiten vóór consumptie moeilijk te beoordelen zijn ([…] ervaringsproducten) en producten waarvan de kwaliteiten zelfs na consumptie moeilijk te beoordelen zijn ([…] vertrouwensproducten). […]’
Ik verwijs naar alle andere afnemers ‘in de EER’ in plaats van ‘in de Unie’, aangezien in de verwijzingsbeslissing sprake is van ‘actieve verkopen van al haar afnemers in de EER in het exclusief toegewezen gebied’ (cursivering van mij).
Zie arrest van 26 oktober 2023, EDP — Energias de Portugal e.a. (C-331/21, EU:C:2023:812, punt 82 e.v.). Zie ook de conclusie van advocaat-generaal Wahl in de zaak Coty Germany (C-230/16, EU:C:2017:603, punt 57), betreffende dezelfde verordening en dezelfde richtsnoeren als die welke in deze conclusie aan de orde zijn: ‘niet [valt] uit te sluiten dat het Hof de juridische overwegingen en beoordelingen in die richtsnoeren in het kader van de […] te geven uitlegging van het Unierecht zal overnemen’. Zie ook arrest van 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie (C-189/02 P, C-202/02 P, C-205/02 P—C-208/02 P en C-213/02 P, EU:C:2005:408, punten 210 e.v.), waarin het Hof eraan herinnert dat mededelingen van de Commissie, zoals haar richtsnoeren, die bestemd zijn voor marktdeelnemers, externe gevolgen beogen, een algemene strekking hebben en rechtsgevolgen kunnen sorteren.
Artikel 1, onder h), van verordening 2022/720 bepaalt dat wordt verstaan onder ‘‘exclusief distributiestelsel’: een distributiestelsel waarbij de leverancier een grondgebied of een groep klanten uitsluitend aan zichzelf of aan ten hoogste vijf afnemers toewijst en al zijn andere afnemers beperkt actief in het exclusieve gebied of aan de exclusieve klantengroep te verkopen’ (cursivering van mij).
PB 2022, C 248, blz. 1, punt 219 (hierna: ‘richtsnoeren van 2022’).
Zie ook Wijckmans, F., en Tuytschaever, F., ‘Active sales restrictions revisited’, European Competition Law Review, deel 25(2), 2004, blz. 110.
Zie de verwijzingsbeslissing (oorspronkelijke taalversie), blz. 18 en 19, punt 2, tweede streepje.
Het in voetnoot 13 van deze conclusie genoemde deskundigenrapport geeft op blz. 37 een algemeen voorbeeld van een actieveverkoopverbod: ‘De [afnemer] zal zijn activiteiten binnen [de gebieden] uitoefenen. De [afnemer] verkoopt niet actief in gebieden die exclusief voor de [leverancier] zijn gereserveerd, noch in gebieden die exclusief aan een andere door de leverancier aangewezen afnemer zijn toegewezen.’
Arrest van 13 juli 2006, Commissie/Volkswagen (C-74/04 P, EU:C:2006:460, punt 37).
Ibidem, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Arrest van 6 januari 2004, BAI en Commissie/Bayer (C-2/01 P en C-3/01 P, EU:C:2004:2, punten 100–102).
Ibidem, punt 102.
Zie punt 25 van de richtsnoeren van 2010.
Arrest van 29 juni 2023, Super Bock Bebidas (C-211/22, EU:C:2023:529; hierna: ‘arrest Super Bock’).
Zie arrest Super Bock, punten 47–50.
Ibidem, punt 47.
Ibidem, punt 48.
Ibidem, punt 49.
Ibidem, punt 50.
Zie punt 25, onder a), van de richtsnoeren van 2010.
Het Hof heeft erop gewezen dat het feit dat een leverancier de distributeurs regelmatig lijsten toezendt met de door hem vastgestelde minimumwederverkoopprijzen en het feit dat hij hun verzoekt deze onder zijn toezicht in acht te nemen, op straffe van vergeldingsmaatregelen, en dat hij bij niet-naleving negatieve distributiemarges kan toepassen, niet meer op een eenzijdige gedraging wijzen wanneer de distributeurs deze prijzen in acht hebben genomen. Het Hof merkt tevens op dat de omstandigheden dat die prijzen in de praktijk door de distributeurs worden toegepast of dat de distributeurs om een opgave ervan verzoeken, en dat zij zich bij de leverancier beklagen over de vermelde prijzen, maar tegelijkertijd niet het initiatief nemen om andere prijzen toe te passen, erop wijzen dat de distributeurs hebben ingestemd met de vaststelling van minimumwederverkoopprijzen door de leverancier.
Zie arrest van 10 februari 2011, Activision Blizzard Germany/Commissie (C-260/09 P, EU:C:2011:62, punt 82).
Zie arrest van 11 januari 1990, Sandoz Prodotti Farmaceutici/Commissie (C-277/87, EU:C:1990:6, punt 11).
Zie arrest Super Bock (punt 52).
Evenwel zij erop gewezen dat volgens de richtsnoeren van 2022 (punt 122), ‘[w]anneer het exclusieve grondgebied of de exclusieve klantengroep om praktische redenen en niet met het doel parallelhandel te voorkomen tijdelijk niet tegen actieve verkoop door bepaalde afnemers wordt beschermd, bijvoorbeeld wanneer de leverancier het exclusieve distributiestelsel wijzigt en tijd nodig heeft om met bepaalde afnemers opnieuw over beperkingen van de actieve verkoop te onderhandelen, […] het exclusieve distributiestelsel toch [kan] vallen onder de in artikel 2, lid 1, van [verordening 2022/720] bedoelde vrijstelling’. Uit dit punt van de richtsnoeren van 2022 volgt dat de periode waar het om gaat, wordt beperkt tot de tijd die nodig is om te voldoen aan het vereiste van parallelle oplegging.
Zie punt 47 van de richtsnoeren van 2010.
Zie arrest Super Bock, punten 37–42, en arrest van 18 november 2021, Visma Enterprise (C-306/20, EU:C:2021:935, punten 54–82).
Zie de richtsnoeren van 2022, punten 125–140.