Einde inhoudsopgave
De ex-werknemer (MSR nr. 83) 2023/5.3.4
5.3.4 Het ledencontract als alternatieve grondslag
Vincent Gerlach, datum 10-11-2022
- Datum
10-11-2022
- Auteur
Vincent Gerlach
- JCDI
JCDI:ADS687200:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Onder andere A. Stege, De cao en het regelingsbereik van de sociale partners, Deventer: Kluwer 2004, p. 148-149; E. Lutjens, ‘Pensioenvoorziening bij CAO’, SR 2004/53; E. Lutjens, Asser/Lutjens 7-XI 2019, 135; M.F. Baltussen, ‘Gepensioneerden aller bedrijven verenigt u’, SMA 2008, p. 82 e.v.
Zo ook E. Lutjens, naschrift bij P.G. van der Horst, ‘Opties voor het invaren – reactie op artikel TPV 2013/14’, TPV 2013/27.
Hof Arnhem 25 oktober 2011, JAR 2011/312 (Vereniging van Gepensioneerden van Elementis Specialties Netherlands c.s./Elementis Specialties Netherlands), r.o. 5.25.
F.C. Kollen, De vereniging in de praktijk, Deventer: Kluwer 2007, p. 176.
F.C. Kollen, De vereniging in de praktijk, Deventer: Kluwer 2007, p. 169 en p. 171; G.J.C. Rensen, in: H.J. Krans, C.J.J.M. Stolker en W.L. Valk (red.), Tekst & Commentaar Burgerlijk Wetboek, dertiende druk, Deventer: Kluwer 2019, artikel 2:46 BW, aant. 2; J.J.A. Hamers, C.A. Schwarz en D.F.M.M. Zaman, Handboek stichting en vereniging, Zutphen: Paris 2018, p. 143; M.F. Baltussen, ‘Gepensioneerden aller bedrijven verenigt u’, SMA 2008, p. 82; J. van Drongelen, Collectief arbeidsrecht, deel 4, De collectieve arbeidsovereenkomst en het algemeen verbindend verklaren van bepalingen daarvan, Zutphen: Paris 2012, p. 66. C.H.C. Overes, T.J. van der Ploeg en W.J.M. van Veen, Van vereniging en stichting, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij, Deventer: Kluwer 2019, p. 159-160, sluiten zich daarbij aan, maar merken ook op dat naar hun mening de mogelijkheden tot opzegging niet zouden mogen worden ingeperkt wanneer de gebondenheid aan een ledencontract niet beperkt is tot de duur van het lidmaatschap. T. Huijg, ‘DNB in de fout bij Q&A’s over wijzigingen indexatieregelingen’, PM 2012/112, stelt dat het uiterst onzeker is of een ex-werknemer nog gebonden is na opzegging van het lidmaatschap.
M.F. Baltussen, ‘Gepensioneerden aller bedrijven verenigt u’, SMA 2008, p. 82 e.v.
M.M. Olbers, ‘Handhaving van de cao’, SMA maart 1988, p. 207.
Kamerstukken II 1982/83, 17725, nr. 3, p. 74; A.M.J.M. Ploumen en S. Laseur, Sdu Commentaar Burgerlijk Wetboek Rechtspersonen, artikel 2:46 BW, 2020.
G.J.C. Rensen, Asser/Rensen 2-III 2017/49; F.C. Kollen, De vereniging in de praktijk, Deventer: Kluwer 2007, p. 169.
C.H.C. Overes, T.J. van der Ploeg en W.J.M. van Veen, Van vereniging en stichting, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij, Deventer: Kluwer 2019, p. 158.
Uitgebreid G.J.C. Rensen, Asser/Rensen 2-III 2017/54. Zo ook A-G Bakels in zijn conclusie bij HR 30 november 2001, NJ 2002/72 (Datelnet/Schagen).
C.H.C. Overes, T.J. van der Ploeg en W.J.M. van Veen, Van vereniging en stichting, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij, Deventer: Kluwer 2019, p. 158; J.J.A. Hamers, C.A. Schwarz en D.F.M.M. Zaman, Handboek stichting en vereniging, Zutphen: Paris 2018, p. 143.
Vergelijk M.F. Baltussen, ‘Gepensioneerden aller bedrijven verenigt u’, SMA 2008, p. 82 e.v.
Volgens J.J.M. de Laat, Naar zwarte, grijze en blauwe lijsten in het arbeidsrecht, Deventer: Kluwer 2016, p. 156, zou de invloed van de grijze en zwarte lijst relatief beperkt zijn op het arbeidsrecht en zou artikel 6:233 BW de grootste invloed hebben. Het belangrijkste argument van de wetgever om de cao uit te sluiten van afdeling 3 van Boek 6 BW was dat deze zich niet goed verdraagt met de wetgeving over de cao, zie p. 23-26 van het hiervoor aangehaalde boek.
Zoals gebeurde in Hof Amsterdam 20 oktober 2009, JAR 2009/282 (Neerincx/Rabobank).
Door een aantal auteurs1 is de gedachte geopperd dat als een ex-werknemer niet gebonden kan worden aan een overeenkomst met de vakbonden via de Wet CAO, hij of zij alsnog gebonden kan worden aan die overeenkomst op grond van het verenigingsrecht. Volgens artikel 2:46 BW kan een vereniging rechten bedingen namens de leden, tenzij uit de statuten het tegendeel voortvloeit, en verplichtingen aangaan, als dat in de statuten uitdrukkelijk is opgenomen: het zogeheten ledencontract. Een vereniging hoeft geen reguliere vakbond te zijn, maar kan ook een vereniging van gepensioneerden betreffen. Via deze band kan mogelijk binding worden bewerkstelligd van ex-werknemers. Artikel 2:46 BW gebruiken als wettelijke grondslag hiervoor zou, in afwezigheid van incorporatiebedingen, betekenen dat leden van de vereniging zich wijzigingen moeten laten welgevallen en niet-leden niet.2 In de rechtspraak is over de vraag in hoeverre de Wet CAO nog van toepassing is op ex-werknemers, geoordeeld dat dit een onaanvaardbare uitkomst zou zijn.3 Ik zie het niet als een onoverkomelijk probleem, aangezien het een ex-werknemer vrijstaat lid te zijn of niet. Het helemaal niet kunnen binden van ex-werknemers lijkt mij bovendien een nog onaanvaardbaarder rechtsgevolg, omdat de rekening dan volledig op het bordje van de werknemer belandt.
Op grond van artikel 2:36 BW mogen leden het lidmaatschap opzeggen. Op grond van lid 3 van dat artikel mag dat zelfs met onmiddellijke ingang binnen een maand nadat een besluit wordt genomen waarbij een lid zijn rechten ziet beperkt of zijn verplichtingen ziet verzwaard, zoals wanneer een ledencontract het lid verplichtingen oplegt.4 De mogelijkheid om met onmiddellijke ingang op te zeggen kan statutair worden beperkt. Het rechtsgevolg van opzegging, zoals algemeen aangenomen, is dat de binding aan het ledencontract eindigt, tenzij uit het ledencontract anders blijkt.5 Contractuele afwijking is dus mogelijk. Dat betekent dat, bij gebreke aan een regeling vergelijkbaar met artikel 10 Wet CAO (gebondenheid aan de cao eindigt niet bij het opzeggen van lidmaatschap), dit contractueel moet worden ondervangen.6
Problematischer aan een wijziging via artikel 2:46 BW lijkt de wijze waarop de leden aan het ledencontract gebonden worden. De dwingende doorwerking van de Wet CAO ontbreekt.7 Binding aan bedingen ten behoeve van de leden is gebaseerd op de constructie van het derdenbeding en niet op basis van een vertegenwoordigingshandeling.8 Concreet betekent dit dat het lid deze nog dient te aanvaarden, waarna hij als partij geldt bij de door de vereniging gesloten overeenkomst.9 Na toetreding tot de overeenkomst kan het lid nakoming en/of schadevergoeding vragen, net zoals de vereniging zelf. Voor het aangaan van verplichtingen geldt dat er sprake is van een wettelijke bevoegdheid van de vereniging tot het aangaan daarvan, maar deze mogelijkheid in de statuten moet zijn geregeld. De gedachte is dan dat door lidmaatschap te aanvaarden een lid wordt gebonden aan de statuten en besluiten van de vereniging, en daaruit volgt dat de leden gebonden zijn aan het ledencontract.10 Aanvaarding door een lid van een verplichting is niet nodig. De aard van de specifieke verplichting moet dan wel in de statuten staan, een algemene bepaling in de statuten omtrent het aangaan van verplichtingen is onvoldoende.11 In de praktijk zijn de statuten op dit punt vaak niet duidelijk en is dus niet duidelijk of enkel de vereniging of ook de leden zijn gebonden.12
Goede statuten (inperking van mogelijkheid tot opzeggen, binding aan specifieke verplichtingen) zijn dus noodzakelijk om artikel 2:46 BW als grondslag te gebruiken voor binding van ex-werknemers, anders wordt het een lastig verhaal.13 Het risico is dat een ex-werknemer zal zeggen niet aan een verplichting gebonden te zijn, maar wel de daarmee samenhangende rechten (bijvoorbeeld een schadevergoeding) accepteert als derdenbeding. Ik meen dat dit grotendeels te ondervangen valt door in het ledencontract het recht aan de plicht te verbinden (betwist je de plicht, dan vervalt het recht) en door als ex-werkgever van vakbonden en verenigingen van gepensioneerden te verlangen dat zij eerst hun statuten aangaande verplichtingen op orde hebben voordat er wordt onderhandeld over een ledencontract dat beoogt ex-werknemers te binden. Ongetwijfeld zal dat laatste op veel principiële en praktische bezwaren stuiten.
Verder geldt dat op grond van artikel 6:245 BW de cao (evenals de arbeidsovereenkomst) is uitgesloten van de wettelijke regeling omtrent algemene voorwaarden, maar het ledencontract niet. Dat betekent onder meer toepasselijkheid van de algemene norm van artikel 6:233 BW, dat wil zeggen een beding in algemene voorwaarden is vernietigbaar indien het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden zijn tot stand gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij.14 Ook dit resulteert in de nodige complicaties.
Hoewel de binding via het verenigingsrecht dus geen wondermiddel is om deze problematiek op te lossen, biedt het een belangrijk juridisch argument voor ex-werkgevers om op terug te vallen wanneer de Wet CAO geen soelaas biedt. Dat maakt het opvallend dat er in de rechtspraak eigenlijk nauwelijks aandacht aan wordt besteed. Wat daar ook van zij: als ook het verenigingsrecht de ex-werknemer niet rechtstreeks bindt, is een overeenkomst met een vakbond of vereniging van gepensioneerden die (mede) ziet op ex-werknemers daarmee volgens mij niet waardeloos. Een dergelijke omstandigheid kan en moet een rechter meewegen bij een redelijkheidstoets als het gaat om een wijziging op andere grondslagen, zoals artikel 6:248 BW.15