Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/8.3.2
8.3.2 Nederland
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS367788:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De bedoelde motivering wordt hierna in § 21.2.2.2 geciteerd.
Lichtenauer, diss. p. 18.
Koopmann, diss. p. 104. Koopmann verwoordt het (p. 4) ook nog als volgt: 'Het particuliere belang van de debiteur vergt dat deze niet meer in rechte door zijn wederpartij kan worden aangevallen wanneer de laatste te lang stilzit; door stilzitten heeft de wederpartij bij de debiteur de verwachting gewekt dat de laatste niet meer zal worden aangesproken. De verjaring dient zo tevens ter bescherming van het algemene belang van de rechtszekerheid.”
Verheul (1971) p. 82.
Van Schaick, WPNR 2000 p. 592. Dat overigens in 'elk land' is gediscussieerd over verjaring is moeilijk te verifiëren. Dat in al die landen inmiddels wel heersende leer is dat verjaring uiteindelijk wordt gerechtvaardigd door 'maatschappelijke belangen die boven de concrete relatie tussen de vorderingsgerechtigde en zijn wederpartij uitstijgen' is in ieder geval niet juist wat betreft de landen die ik nauwkeurig genoeg heb bekeken om iets over de heersende leer te kunnen zeggen (Engeland en Duitsland).
Die opmerking laat zich overigens ook wel weer relativeren; de verhouding tussen deze twee is onderwerp van klassiek debat.
11R 31 oktober 2003, NJ 2006, 112.
Zie voor een nadere analyse van het Saehnan-arrest § 21.2.2.1.
Valk diss., p. 74.
Brunner, Themis 2001, p. 244, r.k.
Smeehuijzen, WPNR 2003, 1, met in een voetnoot de volgende nuancering: 'Dat overigens het algemeen rechtszekerheidsbelang in het geheel niet bij verjaring is gebaat, is te sterk gezegd. Wel degelijk kan de door tijdsverloop ontstane onbestemdheid van een bepaalde rechtsverhouding het rechtsverkeer negatief treffen, doordat ook derden bij die rechtsverhouding betrokken kunnen raken of er hun gedrag op afstemmen. Denk aan verzekeraars en kredietverschaffers.' Zie nader over die nuancering hierna, § 8.5.
Die veranderende opvatting lijkt men ook terug te zien in Asser/Hartkamp: in de elfde druk (2000) is 'het algemeen welzijn' nog onbetwist, terwijl in de twaalfde druk (2004) staat dat dat belang in het kader van de relatieve termijn 'm.i. op goede grond' wordt gerelativeerd.
Vranken (1997), p. 33.
Dat de Hoge Raad belang hecht aan het algemene rechtszekerheidsbelang komt onder andere tot uitdrukking in zijn bekende asbest-arrest Van Hese/De Schelde van april 2000:
"Laatstbedoelde termijn heeft een objectief en in beginsel absoluut karakter, dat wil zeggen dat, hoezeer dit ook moeilijk is te aanvaarden uit een oogpunt van individuele gerechtigheid ten opzichte van degene die schade heeft geleden, het beginsel van rechtszekerheid dat deze absolute termijn beoogt te dienen en de billijkheid jegens de wederpartij — waarbij in het bijzonder valt te denken aan de moeilijkheden die bij het loslaten van deze termijn voor deze kunnen ontstaan met betrekking tot het vaststellen van de feiten en het beoordelen van de gemaakte verwijten — meebrengen dat hieraan strikt de hand moet worden gehouden (...)."
De Hoge Raad noemt hier de billijkheid jegens de wederpartij als grond voor verjaring onder verwijzing naar diens dreigende bewijsnood; dat motief werd in de vorige paragraaf uitgewerkt. Maar ook kent de Hoge Raad een centrale positie toe aan het algemeen belang van de rechtszekerheid. Dat hij niet het individueel rechtszekerheidsbelang als besproken in de voorgaande paragraaf voor ogen heeft, blijkt onder andere uit de spanning die hij signaleert tussen enerzijds de rechtszekerheid en anderzijds de individuele gerechtigheid. Hetzelfde geldt voor zijn overweging ten aanzien van de relatieve termijn uit het seksueel-misbruikarrest van oktober 1998; daar diende de rechtszekerheid als algemeen belang heel expliciet als motief voor een strikt op de bewoordingen van de wet gebaseerde interpretatie van de relatieve termijn.1
Ook in de literatuur is breed de opvatting gedragen dat met de verjaring het algemeen belang van de rechtszekerheid wordt gediend. Zo werd die positie onder andere verdedigd in de twee Nederlandse dissertaties over verjaring. Lichtenauer schreef:
"De staat als zodanig heeft niet belang bij den uitslag van elk geding op zichzelf, bij toewijzing van of ontzegging van den eisch, maar bij zekerheid van rechtstoestanden in het algemeen. Het nastreven van de verwezenlijking daarvan is het motief, dat naar ons oordeel in het kader van ons recht een plaats verschaft aan de verjaring, die in ieder bijzonder geval een rol spelend in particuliere belangen, als geheel dient het algemeene belang, waarop zij in beginsel is gericht."2
Koopmann merkt in haar proefschrift op, waar zij beziet hoe verjaring zich verhoudt tot rechtsverwerking:
"Toch gaat het om geheel verschillende begrippen. Het instituut verjaring is gecreëerd ter bevordering van de rechtszekerheid; rechtsverwerking vindt haar wortels echter in de goeder trouw.”3
En ook andere schrijvers toonden zich aanhanger van de opvatting dat de verjaring haar doel vindt in het algemeen belang van de rechtszekerheid. Verheul:
"De klemtoon is verlegd [ten opzichte van de rechtsverwerking — JLS] naar de rechtszekerheid, de bescherming van de belangen van de rechtsgemeenschap als geheel, niet van die van de verplichte partij alleen, vandaar dat enkel tijdsverloop hier volstaat, ongeacht de oorzaken daarvan en het effect dat het op de toestand van de wederpartij heeft."4
Voorts brak recent Van Schaick nog een lans voor het algemeen belang als primair verj aringsdoel:
"Elk burgerlijk wetboek regelt de verjaring. Een ontwikkelde maatschappij kan kennelijk niet zonder het instituut. In elk land is gediscussieerd over de ratio van de verjaring. Heersende leer is inmiddels wel dat verjaring uiteindelijk wordt gerechtvaardigd door maatschappelijke belangen die boven de concrete relatie tussen de vorderingsgerechtigde en zijn wederpartij uitstijgen. Het is zaak dat het recht zich na verloop van tijd aansluit bij de feiten en daarmee een situatie die wellicht niet is zoals zij rechtens zou moeten zijn, alsnog legaliseert."5
Deze stemmen in de literatuur zijn eigenlijk nog uitgesprokener dan de koers van de Hoge Raad, in die zin dat de Hoge Raad weliswaar belangrijk gewicht toekende aan het algemeen rechtszekerheidsbelang, maar hij zowel in het kader van de relatieve als de absolute termijn ook ruimte liet voor andere verjaringsmotieven ("en de billijkheid jegens de wederpartij" in de asbestarresten en "welke het instituut der verjaring mede beoogt te dienen" in het seksueel-misbruikarrest). Bij de hiervoor geciteerde schrijvers is die nuance niet of nauwelijks te lezen.
Inmiddels lijkt zich een kentering af te tekenen, zowel in de rechtspraak van de Hoge Raad als in de doctrine. De koerswijziging van de Hoge Raad kan men lezen in het belangrijke Saelman-arrest van oktober 2003, waarin wordt overwogen:
"Aan deze lange termijn ligt blijkens de wetsgeschiedenis en de daarmee strokende, vaste rechtspraak van de Hoge Raad (...) de rechtszekerheid ten grondslag. (...) De korte verjaringstermijn daarentegen, waarom het in dit geding gaat, staat niet alleen in het teken van de rechtszekerheid, maar ook van de billijkheid."
Waar de Hoge Raad vroeger sprak over gronden die in algemene zin aan "het instituut der verjaring" ten grondslag liggen, differentieert hij nu tussen de absolute en de relatieve termijn. In het kader van de absolute termijn houdt de rechtszekerheid onverkort stand, maar in het kader van de relatieve termijn voegt hij heel nadrukkelijk een grond toe, te weten "de billijkheid". Die toevoeging is opmerkelijk, omdat de rechtszekerheid en de billijkheid twee concepten zijn die in zekere zin elkaars tegenpolen vormen6 Dat de billijkheid in de ogen van de Hoge Raad bepaald niet de mindere is, blijkt uit het feit dat de regel die hij uiteindelijk in het Saelman-arrest7 formuleert, veeleer op de billijkheid dan op de rechtszekerheid als algemeen belang is geënt.8
Ook in de doctrine zijn barsten ontstaan in het bastion van het algemeen rechtszekerheidsbelang. Valk schreef in 1993 in zijn dissertatie:
"Het is maar wat men onder de belangen van de gemeenschap verstaat. Men kan er onder verstaan dat de belangen van ieder onzer in het geding zijn. In die zin dient de verjaringsregeling ongetwijfeld de belangen van de gemeenschap. Ieder onzer heeft belang bij de rechtszekerheid die de verjaringsregeling brengt, omdat... ons zo bewijsnood en verrassingen bespaard blijven. Op die manier opgevat, is het beroep op maatschappelijke belangen vooral weinigzeggend: in de een of andere zin dient elke rechtsregel de belangen van ieder onzer (als het goed is)."9
Ook Brunner keerde zich in 2001 tegen de rechtszekerheid als algemeen belang:
"Verjaring in het verbintenissenrecht betreft uitsluitend de bescherming van de schuldenaar, indien de schuldeiser zijn recht zonder goede reden niet binnen redelijke termijn heeft geldend gemaakt. Daarbij speelt alleen de rechtsverhouding tussen de partijen bij de verbintenis een rol, niet mede de rechtszekerheid van het rechtsverkeer."10
Zelf betrok ik in 2003 in een publicatie over de vijfjaarstermijn van art. 3:310 lid 1 BW de volgende stelling:
"Hoewel men in de literatuur met grote frequentie de opvatting treft dat dit belang [het rechtszekerheidbelang — JLS] wel van doorslaggevend gewicht is, vindt men nergens uitgewerkt waarom en in welk opzicht de rechtszekerheid als algemeen belang gediend is. Die leemte bevreemdt mij niet, omdat het bij bevrijdende verjaring gaat om een regeling die primair ingrijpt in de individuele rechtsverhouding en daarin de door tijdsverloop ontstane onduidelijkheid wegneemt. De baat van de rechtsgemeenschap als geheel is niet meer dan de optelsom van de daardoor bevredigend geregelde individuele rechtsverhoudingen, maar die constatering geldt voor iedere rechtvaardige regel en biedt daarom geen nuttig perspectief."11
Zo lijkt inmiddels in Nederland de rol van het ooit onbetwiste algemene rechtszekerheidsbelang12 op wankele grond te staan. Ten eerste was het bij gebreke van nadere concretisering al nooit een erg helder argument. Vranken schreef in algemene zin over het begrip 'rechtszekerheid': "Zonder nadere invulling is het niet meer dan een gratuit eresaluut aan een beginsel dat het soms meer van zijn retorische kracht lijkt te moeten hebben dan van zijn intrinsieke waarde."13 Die scepsis treft bij uitstek de rechtszekerheid zoals zij traditioneel in het verjaringsdebat is gepresenteerd. Ten tweede is er geen weerwoord gekomen op de bedenking die de kern vormt van alle hiervoor gegeven citaten, namelijk de bedenking dat het bij de bevrijdende verjaring gaat om een figuur die ingrijpt in de individuele rechtsverhouding, zodat men in de eerste plaats daar, en niet in het daarbuiten gelegen algemene belang zijn doel moet zoeken.