Proces-verbaal van bevindingen gesprek [verdachte] , d.d. 9 mei 2018, los opgenomen in dossier,
Rb. Zeeland-West-Brabant, 13-06-2022, nr. 02-800939-17
ECLI:NL:RBZWB:2023:4981, Hoger beroep: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum
13-06-2022
- Zaaknummer
02-800939-17
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBZWB:2023:4981, Uitspraak, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14‑07‑2023; (Op tegenspraak)
ECLI:NL:RBZWB:2022:8428, Uitspraak, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 27‑09‑2022; (Op tegenspraak)
ECLI:NL:RBZWB:2022:3196, Uitspraak, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 13‑06‑2022; (Op tegenspraak)
ECLI:NL:RBZWB:2018:5093, Uitspraak, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 28‑08‑2018; (Op tegenspraak)
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:965, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Uitspraak 14‑07‑2023
Inhoudsindicatie
Toewijzing vordering herroeping VI. Betrokkene heeft opnieuw de gestelde bijzondere voorwaarden niet nageleefd.
Partij(en)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02/800939-17
VI-nummer: 99/000515-16
Beslissing van 14 juli 2023 op de vordering tot herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling
in de zaak van de officier van justitie tegen:
[betrokkene01] ,
geboren op [geboortedag01] 1989 te [geboorteplaats01] ,
zonder bekende woon-of verblijfplaats in Nederland,
verblijvende op het [verblijfadres01] .
[betrokkene01] wordt hierna aangeduid als betrokkene.
1 De voorgeschiedenis
Bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 11 maart 2019 is betrokkene
veroordeeld voor verduistering en witwassen. Betrokkene heeft opgelegd gekregen een
gevangenisstraf van 54 maanden met aftrek van het voorarrest. Ook is de vordering van de
benadeelde partij toegewezen.
De officier van justitie heeft op 24 november 2020 een vordering tot uitstel van de
voorwaardelijke invrijheidsstelling (hierna: VI) ingediend voor een periode van 120 dagen. Daartoe was aangevoerd dat betrokkene zich onvoldoende had ingespannen om te voldoen aan de betalingsverplichting jegens de benadeelde partij. Deze vordering is op 23 december 2020 door de rechtbank afgewezen, omdat de tekst van de wet niet voorzag in de mogelijkheid om een dergelijke betalingsverplichting als voorwaarde aan de VI te verbinden. Bepaald werd dat betrokkene met ingang van 23 december 2020 voorwaardelijk in vrijheid moest worden gesteld.
Nadien is op 23 december 2020 een Besluit VI afgegeven, met daarin opgenomen een aantal bijzondere voorwaarden. Deze voorwaarden zijn gewijzigd bij het Wijzigingsbesluit van
26 januari 2021. Bepaald is dat betrokkene zich aan de volgende bijzondere voorwaarden moet houden:
- meldplicht binnen drie werkdagen bij de reclassering;
- het tonen van een open, gemotiveerde en meewerkende houding met betrekking tot
het toezicht en de overige bijzondere voorwaarden van het besluit;
- het geven van openheid van zaken ten aanzien van zijn financiën, inclusief alle
financiën in de vorm van cryptovaluta;
- de verplichting om in Nederland te verblijven en niet zonder toestemming
Nederland te verlaten.
Na afgifte van het Besluit VI heeft betrokkene feitelijk nog een jaar gedetineerd gezeten, omdat aansluitend aan zijn VI-datum het dwangmiddel gijzeling op hem is toegepast vanwege het niet betalen van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Een jaar later,
te weten op 23 december 2021, is hij in vrijheid gesteld. Vanaf toen is de proeftijd van 513 dagen gaan lopen. Betrokkene had toen dus nog een strafrestant van 513 dagen.
De officier van justitie heeft op 28 december 2021 een vordering tot herroeping van de VI ingediend voor een periode van 180 dagen, omdat betrokkene zich na zijn invrijheidsstelling niet bij de reclassering had gemeld. Deze vordering is behandeld op de politierechterzitting van 21 januari 2022. Omdat betrokkene zich op die datum nog steeds niet had gemeld, werd de vordering ter zitting bijgesteld naar een volledige herroeping van de VI. De politierechter heeft daarop de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.
De meervoudige kamer heeft bij beslissing van 13 juni 2022 de VI herroepen voor een periode van 100 dagen. Een volledige herroeping werd niet proportioneel geacht.
Dit betekent dat betrokkene thans een strafrestant heeft van 413 dagen.
De officier van justitie heeft op 2 september 2022 een vordering ingediend tot volledige herroeping van de VI. Betrokkene zou meerdere keren de bijzondere voorwaarden hebben overtreden. De meervoudige kamer heeft bij beslissing van 27 september 2022 en
20 december 2022 de betekening van deze vordering herroeping VI nietig verklaard.
De vordering tot volledige herroeping VI van 2 september 2022 ligt nu opnieuw ter beoordeling voor aan de meervoudige kamer.
2 De procesgang
De behandeling van de vordering herroeping VI van 2 september 2022 heeft plaatsgevonden op de openbare zitting van de meervoudige kamer op 30 juni 2023.
De officier van justitie, mr. I. Klein, is ter zitting gehoord. Zij heeft gepersisteerd bij de vordering tot volledige herroeping VI.
Betrokkene is, hoewel goed opgeroepen, niet ter zitting verschenen. Wel was aanwezig mr. S. de Goede, advocaat te Breda, maar hij was niet uitdrukkelijk door verdachte gemachtigd om de verdediging te voeren.
Tevens was op zitting als deskundige aanwezig de heer [deskundigde01] (toezichthouder bij Reclassering Nederland). Hij heeft een toelichting gegeven op het Advies aan opdrachtgever van 20 juli 2022.
3 Het oordeel van de rechtbank
Het openbaar ministerie is ontvankelijk in zijn vordering, nu de vordering op 2 september 2022 is ontvangen en de grond bevat waarop zij berust.
De rechtbank stelt vast dat verdachte op 23 december 2021 voorwaardelijk in vrijheid is gesteld. Nadien heeft de meervoudige kamer bij beslissing van 13 juni 2022 vastgesteld dat betrokkene zich niet heeft gehouden aan de gestelde bijzondere voorwaarden. Betrokkene werd desalniettemin een tweede kans gegund door de VI deels te herroepen met 100 dagen, waardoor er thans een strafrestant resteert van 413 dagen.
Naar aanleiding van de gedeeltelijke herroeping is betrokkene op 22 juni 2022 door de Tsjechische autoriteiten in vrijheid gesteld, nadat hij eerder op 26 november 2021 was teruggestuurd wegens het overtreden van zijn meldplicht. Het voorgaande volgt uit het Advies aan opdrachtgever van Reclassering Nederland van 20 juli 2022. In dit advies wordt verder vermeld dat betrokkene na zijn invrijheidstelling één keer telefonisch contact heeft opgenomen met de reclassering voor het maken van een meldplichtafspraak. Op de ochtend voor deze afspraak liet betrokkene echter per mail d.d. 6 juli 2022 weten dat hij niet naar de afspraak komt. Betrokkene mailde onder meer: “Ik wil bij deze onze afspraak afzeggen en hem terug (laten) leggen bij de rechter waar hij in mijn ogen thuis hoort.”
De deskundige heeft op zitting van 30 juni 2023 medegedeeld dat er sinds 6 juli 2022 geen contact meer is geweest met betrokkene, ondanks meerdere pogingen daartoe van de reclassering.
Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat betrokkene de aan hem geboden tweede kans niet heeft aangegrepen door opnieuw de bijzondere voorwaarden niet na te leven. Betrokkene is de meldplicht niet nagekomen en verblijft nog altijd in het buitenland. Hij heeft daarmee geen open, gemotiveerde en meewerkende houding getoond.
De rechtbank zal daarom de vordering tot volledige herroeping toewijzen, wat betekent dat betrokkene alsnog zijn strafrestant zal moeten uitzitten.
4 De beslissing
De rechtbank
- wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe;
- herroept de voorwaardelijke invrijheidstelling geheel voor een periode van 413 dagen en gelast dat dit deel van de vrijheidsstraf alsnog ten uitvoer wordt gelegd.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.E.I. Beudeker, voorzitter, mr. W.A.H.A. Schnitzler en mr. J.F.C. Janssen, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. H.J.E.M. Hoezen en is uitgesproken ter openbare zitting op 14 juli 2023.
De voorzitter is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Uitspraak 27‑09‑2022
Inhoudsindicatie
Vordering volledige herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling (VI). Geen rechtsgeldige betekening. De rechtbank verklaart de betekening nietig.
Partij(en)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02/800939-17
VI-nummer: 99/000515-16
Beslissing van 27 september 2022 op de vordering tot herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling
in de zaak van de officier van justitie tegen:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats] ,
zonder bekende woon of verblijfplaats in Nederland.
[betrokkene] wordt hierna aangeduid als betrokkene.
1. De voorgeschiedenis
Bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 11 maart 2019 is betrokkene
veroordeeld voor verduistering en witwassen. Betrokkene heeft opgelegd gekregen een
gevangenisstraf van 54 maanden met aftrek van het voorarrest. Ook is de vordering van de
benadeelde partij toegewezen.
De officier van justitie heeft op 24 november 2020 een vordering tot uitstel van de
voorwaardelijke invrijheidsstelling (hierna: VI) ingediend voor een periode van 120 dagen. Daartoe was aangevoerd dat betrokkene zich onvoldoende had ingespannen om te voldoen aan de betalingsverplichting jegens de benadeelde partij. Deze vordering is op 23 december 2020 door de rechtbank afgewezen, omdat de tekst van de wet niet voorzag in de mogelijkheid om een dergelijke betalingsverplichting als voorwaarde aan de VI te verbinden. Bepaald werd dat betrokkene met ingang van 23 december 2020 voorwaardelijk in vrijheid moest worden gesteld.
Nadien is op 23 december 2020 een Besluit VI afgegeven, met daarin opgenomen een aantal bijzondere voorwaarden. Deze voorwaarden zijn gewijzigd bij het Wijzigingsbesluit van
26 januari 2021. Bepaald is dat betrokkene zich aan de volgende bijzondere voorwaarden moet te houden:
- meldplicht binnen drie werkdagen bij de reclassering;
- het tonen van een open, gemotiveerde en meewerkende houding met betrekking tot
het toezicht en de overige bijzondere voorwaarden van het besluit;
- het geven van openheid van zaken ten aanzien van zijn financiën, inclusief alle
financiën in de vorm van cryptovaluta;
- de verplichting om in Nederland te verblijven en niet zonder toestemming
Nederland te verlaten.
Na afgifte van het Besluit VI is betrokkene feitelijk een jaar later, te weten op 23 december 2021, in vrijheid gesteld. Dit omdat hij aansluitend aan zijn VI-datum op titel van gijzeling in het kader van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel in detentie diende te verblijven. Vanaf toen is de proeftijd gaan lopen van 513 dagen. Betrokkene had toen nog een strafrestant van 513 dagen.
De officier van justitie heeft op 28 december 2021 een vordering tot herroeping van de VI ingediend voor een periode van 180 dagen. Deze vordering is behandeld op de politierechterzitting van 21 januari 2022. Omdat betrokkene zich op die datum nog steeds niet had gemeld, werd de vordering ter zitting bijgesteld naar een volledige herroeping van de VI. De politierechter heeft de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.
De meervoudige kamer heeft bij beslissing van 13 juni 2022 de VI herroepen voor een periode van 100 dagen. Een volledige herroeping werd toen niet proportioneel geacht.
Dit betekent dat betrokkene thans een strafrestant heeft van 413 dagen.
2. De procesgang
De officier van justitie heeft op 2 september 2022 een vordering ingediend tot volledige herroeping van de VI, omdat betrokkene meerdere keren de bijzondere voorwaarden heeft overtreden. De behandeling van deze vordering heeft plaatsgevonden op de zitting van de meervoudige kamer op 27 september 2022.
Ter zitting is gehoord mr. I.M. Peters, officier van justitie. Aan de zijde van betrokkene is niemand verschenen.
3. Het advies van de reclassering
De reclassering adviseert in het rapport van 20 juli 2022 een volledige herroeping van de VI, omdat betrokkene zijn meldplicht niet is nagekomen.
4. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter zitting verzocht om aanhouding van de zaak om een betekeningsverzuim te kunnen herstellen. Bij het Openbaar Ministerie is een adres van betrokkene in Tsjechië bekend en dus had ook een afschrift van de oproeping en de vordering verzonden moeten worden naar dat adres. De enkele betekening aan het Openbaar Ministerie volstaat in dit geval niet.
5. Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat aan de zijde van betrokkene niemand is verschenen en zal daarom eerst moeten beoordelen of sprake is van een rechtsgeldige betekening.
Het dossier bevat een betekeningsakte van 12 september 2022 waaruit blijkt dat van de oproeping en de vordering een afschrift is uitgereikt aan het Openbaar Ministerie. Gelet op de ter zitting gedane mededeling door de officier van justitie dat betrokkene een bekend adres in Tsjechië heeft, had ingevolge artikel 36e lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) óók een afschrift verzonden moeten worden naar het buitenlandse adres van
betrokkene. Nu dit niet is gebeurd, is geen sprake van een rechtsgeldige betekening en kan de rechtbank niet anders dan de betekening nietig verklaren.
Gezien het voorgaande wordt het aanhoudingsverzoek van de officier van justitie afgewezen. Een dergelijk verzoek zou mogelijk wel zijn gehonoreerd vóór de inwerkingtreding van de Wet Uitvoeringsketen Strafrechtelijke Beslissingen. Op basis van de toen geldende wetgeving kon een betekeningsverzuim in bepaalde gevallen worden hersteld, nu artikel 590 lid 1 Sv (oud) niet de sanctie van nietigheid op schending van de voorschriften van artikel 588 lid 2 Sv (oud) stelde.
6. De beslissing
De rechtbank verklaart de betekening nietig.
Deze beslissing is gegeven door mr. S. Speekenbrink, voorzitter, mr. T.M. Brouwer en
mr. F.L. Donders, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier H.J.E.M. Hoezen en is uitgesproken ter openbare zitting op 27 september 2022.
De griffier is niet in de gelegenheid om deze beslissing mede te ondertekenen.
Uitspraak 13‑06‑2022
Inhoudsindicatie
Vordering herroeping VI. Deels toegewezen.
Partij(en)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02/800939-17
beslissing op de vordering tot herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling d.d. 13 juni 2022
in de zaak van de officier van justitie tegen:
[Betrokkene]
geboren op [Geboortedag] 1989 te ’ [Geboorteplaats]
ingeschreven op het adres van de P.I. te Arnhem, Ir. Molsweg 5, 6834 AA.
[Betrokkene] wordt hierna aangeduid als betrokkene.
1. De voorgeschiedenis
Bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 11 maart 2019 is betrokkene veroordeeld voor verduistering en witwassen. Betrokkene heeft opgelegd gekregen een gevangenisstraf van 54 maanden met aftrek van het voorarrest. Ook is de vordering van de benadeelde partij toegewezen.
Op 18 december 2020 heeft de vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidsstelling (hierna: VI) op zitting gestaan bij de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Hierbij had de officier van justitie gevorderd de VI uit te stellen met 120 dagen, omdat betrokkene zich onvoldoende zou hebben ingespannen te voldoen aan de betalingsverplichting jegens de benadeelde partij. De rechtbank heeft de vordering afgewezen en bepaalt dat betrokkene met ingang van 23 december 2020 voorwaardelijk in vrijheid diende te worden gesteld.
Betrokkene is uiteindelijk op 23 december 2021 feitelijk in vrijheid gesteld omdat hij aansluitend aan zijn VI-datum op titel van gijzeling in het kader van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel in detentie diende te verblijven. Vanaf toen is de proeftijd gaan lopen van 513 dagen. Betrokkene had toen nog een strafrestant van 513 dagen. Uit het wijzigingsbesluit voorwaardelijke invrijheidsstelling d.d. 26 januari 2021 is gebleken dat betrokkene zich aan de volgende bijzondere voorwaarden diende te houden:
- -
meldplicht binnen drie werkdagen bij de reclassering;
- -
het tonen van een open, gemotiveerde en meewerkende houding met betrekking tot het toezicht en de overige bijzondere voorwaarden van het besluit;
- -
het geven van openheid van zaken ten aanzien van zijn financiën, inclusief alle financiën in de vorm van cryptovaluta;
- -
de verplichting om in Nederland te verblijven en niet zonder toestemming Nederland te verlaten.
De officier van justitie heeft op 28 december 2021 een vordering ingediend tot herroeping van de VI voor een periode van 180 dagen. Betrokkene zou zich niet hebben gehouden aan de gestelde bijzondere voorwaarden omdat vanuit de reclassering is gebleken dat betrokkene zich niet tijdig bij hen had gemeld. Tevens was betrokkene onbereikbaar voor de reclassering aangezien het bij hen bekende telefoonnummer niet in gebruik bleek te zijn. De vordering tot herroeping is behandeld op de politierechterzitting van 21 januari 2022. Omdat betrokkene zich op die datum nog steeds niet had gemeld, heeft de officier van justitie ter zitting de vordering aangepast naar een volledige herroeping van de VI, te weten 513 dagen. Primair is door de officier van justitie verzocht de behandeling te verwijzen naar de meervoudige kamer, subsidiair om een toewijzing van de herroeping van 360 dagen.
De raadsman heeft destijds ter zitting aangevoerd dat tussen de reclassering en betrokkene een andere afspraak was gemaakt, namelijk inhoudende dat hij zich pas 12 januari 2022 bij hen diende te melden. De raadsman heeft verzocht om mevrouw [Naam 1] , reclasseringswerker, op te roepen als getuige zodat zij bevraagd kan worden over het maken van die afspraak.
De politierechter heeft de zaak verwezen naar de meervoudige kamer en heeft aan de officier van justitie de opdracht gegeven om [Naam 1] op te roepen als getuige voor de volgende zitting.
De vordering herroeping heeft vervolgens op 23 februari 2022 bij de meervoudige kamer op zitting gestaan. De deskundige van de reclassering, [Naam 1] , kon toen niet ter zitting verschijnen. De raadsman heeft verzocht om de heer [Naam 2] , casemanager van de P.I., ook op te roepen als getuige, omdat hij aanwezig zou zijn geweest bij het maken van de afspraken met betrokkene. De rechtbank heeft het onderzoek ter terechtzitting geschorst en bevolen dat naast [Naam 1] ook [Naam 2] dient te worden opgeroepen voor een volgende behandeling.
2. De procesgang
De behandeling van de vordering herroeping VI heeft plaatsgevonden op de openbare zitting van de meervoudige kamer op 30 mei 2022. De officier van justitie, mr. I.E.M.M. Haenen, en de gemachtigde raadsman van betrokkene mr. L. Bien, advocaat te Maastricht zijn gehoord. Ter zitting zijn [Naam 1] en [Naam 2] als getuige(n)(-deskundigen) gehoord.
3. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de VI geheel, te weten voor een periode van 513 dagen, wordt herroepen en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Betrokkene diende zich binnen drie werkdagen te melden bij de reclassering en dit heeft hij niet gedaan. Volgens de verdediging zou tussen betrokkene en [Naam 1] zijn afgesproken dat hij zich pas 12 januari 2022 diende te melden. [Naam 1] en [Naam 2] zijn hierover ter zitting gehoord en hieruit is niet gebleken dat betrokkene zich niet meer na drie werkdagen diende te melden. Destijds is een vordering tot herroeping ingediend van 180 dagen. Omdat betrokkene zich ook daarna en tot op heden niet heeft gemeld, is een volledige herroeping gevorderd.
4. Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de vordering tot herroeping van de VI af te wijzen. De grondslag voor de herroeping betreft het niet binnen drie werkdagen voldoen aan de meldplicht. Volgens betrokkene was met hem afgesproken dat hij zich pas op 12 januari 2022 diende te melden en vanaf die datum zou het verdere traject met hem worden besproken. [Naam 1] heeft aangegeven dat de datum van 12 januari 2022 een voorwaardelijk karakter had en dat dit mondeling met betrokkene is afgesproken. [Naam 2] heeft verklaard dat met betrokkene was afgesproken dat hij zich binnen enkele dagen diende te melden. Dit klinkt niet erg overtuigend en het is voor betrokkene dan ook onduidelijk en niet concreet geweest wanneer hij zich nou diende te melden. Indien de rechtbank van oordeel is dat het wel duidelijk is geweest voor betrokkene dat hij zich binnen drie werkdagen moest melden, dan verzoekt de raadsman om de herroeping te beperken tot 100 dagen.
5. Het oordeel van de rechtbank
Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in zijn vordering, nu de vordering op 23 december 2021 is ontvangen en de grond bevat waarop zij berust.
De rechtbank stelt vast dat betrokkene zich na de invrijheidsstelling op 23 december 2021 niet binnen drie werkdagen heeft gemeld bij de reclassering. Deze op schrift gestelde meldplicht maakte onderdeel uit van één van de bijzondere voorwaarden waar betrokkene zich na de invrijheidsstelling aan diende te houden. Ter zitting zijn [Naam 1] en [Naam 2] gehoord over het standpunt van betrokkene dat hij zich niet binnen drie werkdagen maar pas op 12 januari 2022 diende te melden. De rechtbank is van oordeel dat ook ter zitting niet is gebleken van een afspraak om van de eerder op schrift gestelde termijn van drie werkdagen af te wijken. Betrokkene had binnen die periode van drie werkdagen contact moeten opnemen met de reclassering, maar dit heeft hij niet gedaan. Daar komt bij dat betrokkene zich op die 12 januari 2022 en tot op heden nog steeds niet heeft gemeld bij de reclassering. Indien betrokkene zich daadwerkelijk had vergist en dacht dat hij zich pas op 12 januari 2022 diende te melden, had hij hierover gelijk contact kunnen opnemen met de reclassering en kunnen uitleggen dat het vanaf zijn kant een vergissing was. In plaats daarvan is betrokkene, nadat hij hoorde dat het Openbaar Ministerie de VI wilde herroepen, meteen naar het buitenland vertrokken en is hij niet meer teruggekomen. Ook het vertrek naar het buitenland is in strijd met de (op schrift) gestelde voorwaarden. Betrokkene heeft daarnaast geen open, gemotiveerde en meewerkende houding getoond.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot herroeping van de officier van justitie gedeeltelijk dient te worden toegewezen. De vordering rust voornamelijk op het niet voldoen aan de meldplicht. De rechtbank acht een volledig herroeping van de VI niet proportioneel, maar is van oordeel dat een herroeping van 100 dagen in dit geval passend is. Betrokkene dient zich te realiseren dat na het uitzitten van die 100 dagen nog 413 dagen openstaan. Na zijn invrijheidsstelling zal hij zich wederom aan algemene en bijzondere voorwaarden moeten houden. Betrokkene is aldus een gewaarschuwd mens en het is te hopen dat hij zijn houding in de toekomst zal veranderen en zich zal houden aan de voorwaarden die hem dan worden opgelegd.
6. De beslissing.
De rechtbank
- wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling gedeeltelijk toe;
- herroept de voorwaardelijke invrijheidstelling voor een periode van 100 dagen en gelast dat dit deel van de vrijheidsstraf alsnog ten uitvoer wordt gelegd;
- wijst de vordering voor het overige af.
Deze beslissing is gegeven door mr. M. Diepenhorst, voorzitter, mr. T.M. Brouwer en mr. G.M. Goes rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.C.M. de Haas en is uitgesproken ter openbare zitting op 13 juni 2022.
De oudste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Uitspraak 28‑08‑2018
Inhoudsindicatie
Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim een jaar schuldig gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking, en heeft daarbij in totaal ruim één miljoen euro van zijn werkgever weggenomen. Verdachte heeft hiervoor 48 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk gekregen.
Partij(en)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02/800939-17
vonnis van de meervoudige kamer d.d. 28 augustus 2018
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] ,
thans verblijvende in de PI Middelburg, [locatie] , Middelburg,
raadsman mr. G.L. de Gier, advocaat te [geboorteplaats] .
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 14 augustus 2018, waarbij de officier van justitie, mr. Van Setten, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht ter zake dat:
feit 1
hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of rond de periode 1 augustus 2016 tot en met 13
december 2017 te [plaats 1] en/of [plaats 2] , in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
(telkens) opzettelijk een of meerdere geldbedrag(en) (van in totaal 1.037.405,04 euro, dan wel 1.036.453,96 euro, in elk geval 1.035.546,46 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehoorde aan [V.o.F.] en/of [B.V. 1] en/of [B.V. 2] en/of [naam 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte al dan niet uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten financieel directeur schadebedrijven, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
of
hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2016 tot en
met 13 december 2017 te [plaats 1] en/of [plaats 2] , in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of
meerdere geldbedrag(en) (van in totaal 1.037.405,04 euro, dan wel 1.036.453,96 euro, in
elk geval 1.035.546,46 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [V.o.F.] en/of [B.V. 1] en/of [B.V. 2] en/of [naam 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);
feit 2
hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 1 augustus 2016 tot en met
13 december 2017 te [plaats 1] en [plaats 2] , althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) een of meer voorwerp(en), te weten een of meerdere geldbedrag(en) met een totaalwaarde van 1.037.405,04 euro, dan wel 1.036.453,96 euro, in elk geval 1.035.546,46 euro, (telkens) heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad, heeft/hebben overgedragen en/of omgezet, althans van een of meer voorwerp(en), te weten voornoemd(e) geldbedrag(en), (telkens) gebruik heeft/hebben gemaakt en/of (telkens) van voorwerpen de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op voornoemd voorwerp was en/of heeft verborgen en/of verhuld wie op voornoemd voorwerp voorhanden heeft gehad,
terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs
moest(en) vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk -
afkomstig was/waren uit een of meer misdrijf/misdrijven.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte beide feiten heeft gepleegd en gaat er bij feit 1 van uit dat verdachte het hoogst genoemde bedrag heeft verduisterd. Zij baseert zich voor beide feiten op de aangifte, de aanvullende aangifte en de bekennende verklaring van verdachte. Anders dan verdachte stelt hadden ook de betalingen aan [medeverdachte] en terzake van onkostenvergoedingen, geen rechtsgrond.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft, ten aanzien van feit 1, opgemerkt dat verdachte niet het gehele in de tenlastelegging opgenomen bedrag heeft verduisterd, nu er mogelijk ook onkostenvergoedingen aan verdachte en legitieme betalingen aan [medeverdachte] tussen zitten. Ten aanzien van het witwassen stelt de verdediging, dat het maar de vraag is of cryptovaluta voorwerpen zijn in de zin van zaken en vermogensrechten. Daarnaast zijn de bitcoins waarvan gesteld wordt dat verdachte ze heeft gekocht, nooit gevonden. Het is dan ook maar de vraag of deze bitcoins nog bestaan. Dat betekent volgens de verdediging dat vrijspraak zou moeten volgen. Ook is de verdediging van oordeel dat de veronderstelde witwashandeling niet te onderscheiden valt van de verduisteringshandeling. Er mag geen sprake zijn van dubbele bestraffing.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
Aangezien verdachte ten aanzien van de feitelijkheden van de feiten 1 en 2 een bekennende verklaring heeft afgelegd en hier door de verdediging niets aan af is gedaan, wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank die feiten wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd bij de politie;1.
- de aangifte van [naam 1] ;2.
- de aanvullende aangifte van [naam 1] .3.
De verdediging heeft echter wel een aantal opmerkingen geplaatst ten aanzien van een aantal betalingen, meegenomen onder feit 1, en de kwalificatie van feit 2 en het gevolg daarvan. Hieromtrent overweegt de rechtbank het volgende.
Feit 1
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het totale bedrag van € 1.037.405,04 in dienstbetrekking heeft verduisterd in de tenlastegelegde periode. Verdachte had weliswaar een mandaat om als financieel directeur betalingen te verrichten en heeft als zodanig de betalingen ook kunnen doen, maar geen van de betalingen die deel uitmaken van dit totaalbedrag had een factuur, declaratie of andere rechtsgrond als basis. Met betrekking tot al deze betalingen heeft verdachte onrechtmatig gehandeld in die zin, dat hij deze bedragen heeft verduisterd. Dat een deel van het bedrag onkostenvergoedingen aan verdachte en betalingen aan [medeverdachte] voor werkzaamheden zou betreffen, die terecht zouden zijn overgemaakt, acht de rechtbank niet aannemelijk. Verdachte heeft deze stelling op geen enkele wijze onderbouwd en ook anderszins is deze stelling niet aannemelijk geworden.
Feit 2
Onder verwijzing naar de eerder aangehaalde bewijsmiddelen komt de rechtbank allereerst tot de vaststelling dat de geldbedragen een criminele herkomst hebben, namelijk het eigen misdrijf van verdachte: verduistering in dienstbetrekking. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de handelingen die verdachte heeft verricht met de door hem verduisterde geldbedragen, gekwalificeerd kunnen worden als witwassen. Verdachte heeft de geldbedragen die hij had verkregen uit eigen misdrijf onder andere overgemaakt naar rekeningnummers van andere personen, waaronder [naam 2] , verdachtes partner [medeverdachte] en ten behoeve van zijn schoonmoeder. Hij heeft reizen betaald met de geldbedragen en geïnvesteerd in onder andere bitcoins en andere cryptovaluta. Door deze handelingen te verrichten, heeft verdachte niet alleen de geldbedragen verworven en voorhanden gehad, maar deze ook overgedragen, omgezet en er gebruik van gemaakt.
Aangezien niet is gebleken dat verdachte handelingen heeft verricht waarmee de werkelijke aard of herkomst van de geldbedragen zijn verborgen of verhuld zal de rechtbank verdachte vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging (artikel 420bis, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht (Sr)).
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen als bedoeld in artikel 420bis, eerste lid, onder b, Sr. De verdediging heeft betoogd dat er sprake is van een voortgezette handeling (artikel 56 Sr). Dit onderdeel zal onder het kopje strafbaarheid besproken worden.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
feit 1
hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of rond de periode 1 augustus 2016 tot en met 13
december 2017 te [plaats 1] en/of [plaats 2] , in elk geval in Nederland,
meermalen, althans eenmaal,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
(telkens)n het
opzettelijk
een of meerdere geldbedrag(en) (van in totaal 1.037.405,04 euro, dan wel 1.036.453,96
euro, in elk geval 1.035.546,46 euro),
in elk geval enig goed,
geheel of ten dele toebehorende aan [V.o.F.] en/of [B.V. 1]
en/of [B.V. 2] en/of [naam 1] ,
in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,
en welk goederen verdachte al dan niet uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten financieel directeur schadebedrijven, in elk geval anders dan door misdrijf onder
zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
of
hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2016 tot en
met 13 december 2017 te [plaats 1] en/of [plaats 2] , in elk geval in Nederland,
meermalen, althans eenmaal,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
(telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of
meerdere geldbedrag(en) (van in totaal 1.037.405,04 euro, dan wel 1.036.453,96 euro, in
elk geval 1.035.546,46 euro),
in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [V.o.F.] en/of [B.V. 1] en/of [B.V. 2] en/of [naam 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);
feit 2
hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 1 augustus 2016 tot en met
13 december 2017 te [plaats 1] en [plaats 2] , althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) een of meer voorwerp(en), te weten een of meerdere geldbedrag(en) met een totaalwaarde van 1.037.405,04 euro, dan wel 1.036.453,96 euro, in elk geval 1.035.546,46 euro, (telkens) heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad, heeft/hebben overgedragen en/of omgezet, althans van een of meer voorwerp(en), te weten voornoemd(e) geldbedrag(en), (telkens) gebruik heeft/hebben gemaakt en/of (telkens) van voorwerpen de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op voornoemd voorwerp was en/of heeft verborgen en/of verhuld wie op voornoemd voorwerp voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit een of meer misdrijf/misdrijven.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Met betrekking tot het standpunt van de verdediging dat artikel 56 Sr van toepassing is, overweegt de rechtbank dat volgens recente jurisprudentie van de Hoge Raad, in een aantal op 20 juni 2017 gewezen arresten (onder meer ECLI:NL:HR:2017:1113), voor de vraag of er sprake is van een voortgezette handeling in de zin van artikel 56 Sr bepalend is of de verschillende bewezen verklaarde, elkaar in tijd opvolgende gedragingen - ook ten aanzien van het ‘wilsbesluit’ - zo nauw met elkaar samenhangen dat verdachte daarvan (in wezen) één verwijt kan worden gemaakt. In de onderhavige zaak zijn de verduisterde geldbedragen weliswaar op verschillende momenten en op verschillende wijzen witgewassen, maar dit witwassen moet in het onderhavige geval als een voortgezette handeling in de zin van artikel 56 Sr worden beschouwd. Het verduisteren van geldbedragen en het vervolgens witwassen van die geldbedragen zijn handelingen die naar het oordeel van de rechtbank in de kern genomen voortkomen uit één ongeoorloofd wilsbesluit van verdachte. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat het witwassen feitelijk betrekking heeft op het op diverse manieren gebruik maken van het verduisterde geld, waarbij niet gebleken is van bijzondere witwasconstructies. Het betreffen gelijksoortige en elkaar in tijd opvolgende gedragingen, waardoor de verschillende bewezen geachte gedragingen, ook ten aanzien van het wilsbesluit, zo nauw met elkaar samenhangen dat verdachte daarvan één verwijt kan worden gemaakt. Bovendien gaat de rechtbank er van uit dat verdachte de geldbedragen niet heeft verduisterd om vervolgens niets met het geld te gaan doen.
Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert de volgende misdrijven op:
Feiten 1 en 2:
De voortgezette handeling van verduistering door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd, en witwassen.
Er zijn voor het overige geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en dat verdachte zich moet houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat inhoudt dat verdachte zich ambulant moet laten behandelen.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging sluit zich aan bij het schriftelijke strafadvies van de reclassering, te weten een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf zonder bijzondere voorwaarden. Daarbij wijst de verdediging erop dat verdachte een first offender is en dat de zaak al grote impact heeft op zijn leven en zijn sociale omgeving.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim een jaar schuldig gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking, en heeft daarbij in totaal ruim één miljoen euro van zijn werkgever weggenomen. Hij heeft daarbij misbruik gemaakt van zijn functie als financieel directeur bij [B.V. 2] en het door zijn werkgever in hem gestelde vertrouwen, door op slinkse wijze geldbedragen naar zijn eigen bankrekening en naar die van anderen uit zijn omgeving over te (laten) maken. Tevens heeft hij zich schuldig gemaakt aan de voortgezette handeling van witwassen van dit geld. Het buitgemaakte geld heeft hij onder andere uitgegeven aan reizen en aanschaf van bitcoins en andere cryptovaluta. Door zijn handelen heeft verdachte grote financiële schade toegebracht aan zijn werkgever. Uit de toelichting van de benadeelde partij ter terechtzitting blijkt dat een aantal werknemers ’s nachts heeft moeten doorwerken om de problemen die verdachte veroorzaakt heeft, op te lossen. Ook los van die schade vormt het handelen van verdachte een persoonlijke teleurstelling voor de werkgever, die nota bene een mooie verdere carrière voor verdachte binnen het bedrijf voor ogen had. De werkgever begrijpt nog altijd niet waarom verdachte zo gehandeld heeft. Verdachte heeft zich kennelijk laten leiden door het oogmerk van financieel gewin ten koste van anderen. De rechtbank neemt het verdachte ook kwalijk dat hij zijn werkgever publiekelijk in een negatief daglicht heeft gezet, door ongefundeerde, niet bewezen, negatieve uitlatingen over de werkgever in de pers te brengen.
De rechtbank is van oordeel dat een lange gevangenisstraf op zijn plaats is, waarbij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS en de straffen die rechtbanken voor soortgelijke feiten plegen op te leggen als uitgangspunt worden genomen. Daarbij heeft de rechtbank de lange pleegperiode en de hoogte van het verduisterde en witgewassen bedrag als straf verhogend aangemerkt. Tevens heeft de rechtbank in het nadeel van verdachte rekening gehouden met zijn proceshouding: hij presenteert zich als slachtoffer in plaats van als dader en hij is niet ter zitting verschenen om verantwoording af te leggen. Daarnaast is verdachte tot op heden niet duidelijk geweest over de reden van zijn handelen; hij doet het voorkomen alsof hij het beste voorhad met het bedrijf, maar het geld is alleen bij hemzelf en personen uit zijn naaste omgeving terechtgekomen. Ook heeft verdachte meerdere malen aangegeven tot een oplossing te willen komen en het geld terug te willen geven, maar geeft hij uiteindelijk niet thuis. Telkens zegt hij ‘schoon schip te willen maken’, maar de werkgever heeft nog niet één euro van hem teruggekregen. Het lijkt erop dat verdachte, bij het zoeken naar een oplossing, met name oog heeft voor zijn eigen voorwaarden en belangen.
De rechtbank heeft tevens acht geslagen op de rapportage van 15 mei 2018 van de Reclassering. Over de mogelijke achterliggende gedachte en reden van het delict rapporteert de reclassering dat verdachte meent over veel vaardigheden en kennis te beschikken op het gebied van cijfers en computers. Aan deze kennis en vaardigheden en zijn werk als financieel directeur ontleende hij status en een gevoel van eigenwaarde. Deze status en het gevoel van eigenwaarde lijken te hebben bijgedragen aan de totstandkoming en het voortduren van delictsgedrag. Dit is tevens een risicofactor omdat verdachte mogelijk weer op zoek zal gaan naar een dergelijke behoeftebevrediging. Het recidiverisico is als laag tot gemiddeld ingeschat. Op grond van het recidiverisico en de criminogene factoren zijn geen (gedrags)interventie(s) en/of behandelingen geïndiceerd. Verdachte wordt voldoende in staat geacht, gezien zijn cognitieve vaardigheden en steunend netwerk, om zijn leefgebieden op orde te krijgen. De reclassering adviseert een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf, zonder bijzondere voorwaarden, op te leggen.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan, te weten zes maanden, voorwaardelijk op te leggen. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank acht het niet zinvol om daarbij bijzondere voorwaarden, zoals reclasseringstoezicht op te leggen.
7. De benadeelde partij
De benadeelde partij [V.o.F.] vordert een schadevergoeding van € 1.037.405,04, te vermeerderen met de wettelijke rente, voor feit 1.
De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezenverklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.
Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de vordering zal worden toegewezen. Tevens zal de wettelijke rente vanaf de datum van de aangifte, 13 december 2017, worden toegewezen.
Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.
8. Het beslag
8.1
De verbeurdverklaring
Het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp, te weten 0,00927454 Bitcoin, met een waarde van €330,98 volgens de beslaglijst van 12 juli 2018, is vatbaar voor verbeurdverklaring.
Gebleken is dat het aan verdachte toebehoort en het geheel of grotendeels door middel van het strafbare feit is verkregen.
9. De wettelijke voorschriften
10. De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
Feiten 1 en 2:
de voortgezette handeling van
verduistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd, en witwassen.
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 48 maanden;
- bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf groot 6 maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd van twee jaren na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde:
* dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Beslag
- verklaart verbeurd het inbeslaggenomen voorwerp, te weten 0,00927454 Bitcoin;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [V.o.F.] een geldbedrag van € 1.037.405,04, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 13 december 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, ter zake van materiële schade;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [V.o.F.] (feit 1), € 1.037.405,04, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 13 december 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, te betalen, bij niet betaling te vervangen door 365 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. Beudeker, voorzitter, mr. De Weert en mr. Van Bergen, rechters, in tegenwoordigheid van Van Rensch, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 28 augustus 2018. De voorzitter en griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.