Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
HvJ EU, 12-09-2024, nr. C-352/23
ECLI:EU:C:2024:748
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
12-09-2024
- Magistraten
O. Spineanu-Matei, C. Lycourgos, S. Rodin
- Zaaknummer
C-352/23
- Roepnaam
Changu
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2024:748, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 12‑09‑2024
Uitspraak 12‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Asiel- en immigratiebeleid — Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Werkingssfeer — Artikelen 1, 4 en 7 — Richtlijn 2011/95/EU — Werkingssfeer — Artikelen 2 en 3 — Nationale bescherming op humanitaire gronden — Richtlijn 2008/115/EG — Artikel 14 — Onmogelijkheid om tot verwijdering over te gaan — Verklaring — Rechten van een illegaal verblijvende derdelander in geval van uitstel van verwijdering — Richtlijn 2013/33/EU — Werkingssfeer — Materiële opvangvoorzieningen
O. Spineanu-Matei, C. Lycourgos, S. Rodin
Partij(en)
In zaak C-352/23 [Changu]i.,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Administrativen sad Sofia-grad (bestuursrechter in eerste aanleg Sofia, Bulgarije) bij beslissing van 29 mei 2023, ingekomen bij het Hof op 7 juni 2023, in de procedure
LF
tegen
Zamestnik-predsedatel na Darzhavna agentsia za bezhantsite,
wijst
HET HOF (Negende kamer),
samengesteld als volgt: O. Spineanu-Matei, kamerpresident, C. Lycourgos (rapporteur), president van de Vierde kamer, waarnemend rechter van de Negende kamer, en S. Rodin, rechter,
advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
LF, vertegenwoordigd door V. B. Ilareva en K. Stoyanov, advokati,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Azéma, J. Hottiaux, A. Katsimerou en E. Rousseva als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 1, 4 en 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’), artikel 2, onder h), en artikel 3 van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB 2011, L 337, blz. 9), en artikel 14, lid 2, van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008, L 348, blz. 98).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen LF en de Darzhavna agentsia za bezhantsite (nationaal agentschap voor vluchtelingen, Bulgarije; hierna: ‘DAB’) betreffende een beslissing waarbij werd geweigerd hem de vluchtelingenstatus en de ‘humanitaire status’ toe te kennen.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 2008/115
3
In overweging 12 van richtlijn 2008/115 is vermeld:
‘Er dient een regeling te worden getroffen voor onderdanen van derde landen die illegaal verblijven maar nog niet kunnen worden uitgezet. Voorziening in hun elementaire levensbehoeften dient volgens de nationale wetgeving te worden geregeld. Teneinde ervoor te zorgen dat de betrokkenen bij administratieve controles of inspecties een bewijs van hun specifieke situatie kunnen leveren, dienen zij een schriftelijke bevestiging te krijgen van hun situatie. De lidstaten dienen, wat de concrete invulling van deze schriftelijke bevestiging betreft, over een ruime mate van beleidsvrijheid te beschikken en moeten de bevestiging ook kunnen opnemen in uit hoofde van deze richtlijn genomen besluiten in het kader van terugkeer.’
4
Artikel 2, lid 2, van deze richtlijn luidt als volgt:
‘De lidstaten kunnen besluiten deze richtlijn niet toe te passen op onderdanen van derde landen:
- a)
aan wie de toegang is geweigerd overeenkomstig artikel 13 van [verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) (PB 2006, L 105, blz. 1)], of die door de bevoegde autoriteiten zijn aangehouden of onderschept wegens het op niet reguliere wijze overschrijden over land, over zee of door de lucht van de buitengrens van een lidstaat, en die vervolgens geen vergunning of recht heeft verkregen om in die lidstaat te verblijven;
- b)
die verplicht zijn tot terugkeer als strafrechtelijke sanctie of als gevolg van een strafrechtelijke sanctie overeenkomstig de nationale wetgeving, of jegens wie een uitleveringsprocedure loopt.’
5
Artikel 6, lid 4, van die richtlijn bepaalt:
‘De lidstaten kunnen te allen tijde in schrijnende gevallen, om humanitaire of om andere redenen beslissen een onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft een zelfstandige verblijfsvergunning of een andere vorm van toestemming tot verblijf te geven. In dat geval wordt geen terugkeerbesluit uitgevaardigd. Indien al een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, wordt het ingetrokken of opgeschort voor de duur van de geldigheid van de verblijfsvergunning of andere vorm van toestemming tot legaal verblijf.’
6
Artikel 8, leden 1 en 2, van richtlijn 2008/115 luidt:
- ‘1.
De lidstaten nemen de nodige maatregelen om het terugkeerbesluit uit te voeren indien er geen termijn voor vrijwillig vertrek overeenkomstig artikel 7, lid 4, is toegekend of indien de betrokkene niet binnen de volgens artikel 7 toegestane termijn voor vrijwillig vertrek aan de terugkeerverplichting heeft voldaan.
- 2.
Indien een lidstaat overeenkomstig artikel 7 een termijn voor vrijwillig vertrek heeft toegekend, kan het terugkeerbesluit pas na het verstrijken van die termijn worden uitgevoerd, tenzij tijdens die termijn een van de risico's bedoeld in artikel 7, lid 4, ontstaat.’
7
Artikel 9, leden 1 en 2, van richtlijn 2008/115 bepaalt:
- ‘1.
De lidstaten stellen de verwijdering uit:
- a)
in geval deze in strijd zou zijn met het beginsel van non-refoulement, of
- b)
voor de duur van de overeenkomstig artikel 13, lid 2, toegestane opschorting.
- 2.
De lidstaten kunnen op grond van de specifieke omstandigheden de verwijdering in een individueel geval voor een passende termijn uitstellen. Door de lidstaten wordt met name rekening gehouden met:
- a)
de fysieke of mentale gesteldheid van de onderdaan van een derde land;
- b)
technische redenen, zoals het ontbreken van vervoermiddelen of het mislukken van de verwijdering wegens onvoldoende identificatie.’
8
In artikel 14 van deze richtlijn wordt het volgende bepaald:
- ‘1.
Behoudens het bepaalde in de artikelen 16 en 17, zorgen de lidstaten ervoor dat jegens de onderdanen van derde landen, tijdens de termijn die overeenkomstig artikel 7 voor vrijwillig vertrek is toegestaan, en tijdens de termijn waarvoor overeenkomstig artikel 9 de verwijdering is uitgesteld, zoveel mogelijk de volgende beginselen in acht worden genomen:
- a)
indien gezinsleden op het grondgebied aanwezig zijn, wordt de eenheid van het gezin gehandhaafd;
- b)
dringende medische zorg wordt verstrekt en essentiële behandeling van ziekte wordt uitgevoerd;
- c)
minderjarigen krijgen toegang tot het basisonderwijs, afhankelijk van de duur van hun verblijf;
- d)
er wordt rekening gehouden met de speciale behoeften van kwetsbare personen.
- 2.
De in lid 1 bedoelde personen ontvangen van de lidstaten schriftelijk de bevestiging, overeenkomstig de nationale wetgeving, dat de termijn voor vrijwillig vertrek overeenkomstig artikel 7, lid 2, is verlengd, of dat het terugkeerbesluit voorlopig niet zal worden uitgevoerd.’
Richtlijn 2011/95
9
Overwegingen 14 en 15 van richtlijn 2011/95 vermelden:
- ‘(14)
De lidstaten moeten ten aanzien van onderdanen van derde landen of staatlozen die om internationale bescherming van een lidstaat verzoeken, gunstiger bepalingen dan de in deze richtlijn vastgestelde normen kunnen treffen of in stand houden, mits het desbetreffende verzoek door een vluchteling in de zin van artikel 1, onder A, van het Verdrag van Genève [betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951, zoals aangevuld bij het Protocol van New York van 31 januari 1967] of door een persoon die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt, wordt geacht te zijn ingediend.
- (15)
Onderdanen van derde landen of staatlozen die op het grondgebied van de lidstaten mogen blijven om redenen die geen verband houden met een behoefte aan internationale bescherming, maar, op discretionaire basis, uit mededogen of op humanitaire gronden, vallen niet onder deze richtlijn.’
10
Volgens artikel 2, onder h), van deze richtlijn wordt voor de toepassing van die richtlijn onder het begrip ‘verzoek om internationale bescherming’ verstaan ‘een verzoek van een onderdaan van een derde land of een staatloze om bescherming van een lidstaat die kennelijk de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus wenst en niet uitdrukkelijk verzoekt om een andere, niet onder deze richtlijn vallende vorm van bescherming waarom afzonderlijk kan worden verzocht’.
11
Artikel 3 van deze richtlijn bepaalt:
‘De lidstaten kunnen ter bepaling van wie als vluchteling of als voor subsidiaire bescherming in aanmerking komend persoon wordt erkend en ter bepaling van de inhoud van de internationale bescherming, gunstiger normen vaststellen of handhaven indien die met deze richtlijn verenigbaar zijn.’
Richtlijn 2013/32
12
Artikel 2 van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB 2013, L 180, blz. 60), luidt:
‘In deze richtlijn wordt verstaan onder:
[…]
- f)
‘beslissingsautoriteit’: elk semirechterlijk of administratief orgaan in een lidstaat dat met de behandeling van verzoeken om internationale bescherming is belast en bevoegd is daarover in eerste aanleg een beslissing te nemen;
[…]
- q)
‘volgend verzoek’: een later verzoek om internationale bescherming dat wordt gedaan nadat een definitieve beslissing over een vorig verzoek is genomen, met inbegrip van de gevallen waarin de verzoeker zijn verzoek expliciet heeft ingetrokken en de gevallen waarin de beslissingsautoriteit een verzoek heeft afgewezen na de impliciete intrekking ervan overeenkomstig artikel 28, lid 1.’
13
Artikel 9, lid 1, van deze richtlijn bepaalt:
‘Verzoekers mogen in de lidstaat blijven, louter ten behoeve van de procedure, totdat de beslissingsautoriteit overeenkomstig de in hoofdstuk III uiteengezette procedures in eerste aanleg een beslissing heeft genomen. Dat recht om te blijven houdt niet in dat de betrokkene recht heeft op een verblijfsvergunning.’
14
Artikel 41, lid 1, van die richtlijn luidt als volgt:
‘De lidstaten kunnen een uitzondering maken op het recht om op het grondgebied te blijven, wanneer een persoon:
- a)
een eerste volgend verzoek heeft ingediend — dat krachtens artikel 40, lid 5, niet verder is behandeld — louter teneinde de uitvoering van een beslissing die tot zijn spoedige verwijdering van het grondgebied van die lidstaat zou leiden, te vertragen of te hinderen; of
- b)
in dezelfde lidstaat een ander volgend verzoek doet na een definitieve beslissing om een eerste volgend verzoek als niet-ontvankelijk te beschouwen krachtens artikel 40, lid 5, of na een definitieve beslissing om dat verzoek als ongegrond af te wijzen.
De lidstaten kunnen een dergelijke uitzondering uitsluitend maken wanneer de beslissingsautoriteit van oordeel is dat een terugkeerbesluit niet zal leiden tot direct of indirect refoulement in strijd met de internationale en Unieverplichtingen van die lidstaat.’
15
- ‘5.
Onverminderd lid 6 staan de lidstaten de verzoekers toe om op het grondgebied te blijven tot de termijn waarbinnen zij hun recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel kunnen uitoefenen, verstreken is en, wanneer dat recht binnen de termijn werd uitgeoefend, in afwachting van de uitkomst van het rechtsmiddel.
- 6.
In het geval van een beslissing om:
- a)
een verzoek als kennelijk ongegrond te beschouwen overeenkomstig artikel 32, lid 2, of als ongegrond na behandeling overeenkomstig artikel 31, lid 8, behoudens de gevallen waarin deze beslissingen zijn genomen op basis van de in artikel 31, lid 8, onder h), genoemde omstandigheden;
[…]
is een rechterlijke instantie bevoegd om, op verzoek van de betrokken verzoeker of ambtshalve, uitspraak te doen over de vraag of de verzoeker op het grondgebied van de lidstaat mag blijven, indien deze beslissing resulteert in een beëindiging van het recht van de verzoeker om in de lidstaat te blijven, en het nationale recht in dergelijke gevallen niet voorziet in het recht om in de lidstaat te blijven in afwachting van de uitkomst van het rechtsmiddel.’
Richtlijn 2013/33
16
Artikel 20, leden 1 en 5, van richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (PB 2013, L 180, blz. 96), bepaalt:
- ‘1.
De lidstaten kunnen de materiële opvangvoorzieningen beperken of, in uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde gevallen, intrekken indien een verzoeker:
[…]
- c)
een volgend verzoek als omschreven in artikel 2, onder q), van [richtlijn 2013/32] heeft ingediend.
[…]
- 5.
De in de leden 1, 2, 3 en 4 van dit artikel bedoelde beslissingen tot beperking of intrekking van materiële opvangvoorzieningen of sancties worden individueel, objectief en onpartijdig genomen en met redenen omkleed. De beslissingen worden genomen op grond van de specifieke situatie van de betrokkene, met name voor personen die onder artikel 21 vallen, en met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel. De lidstaten zien erop toe dat verzoekers te allen tijde toegang hebben tot medische hulp overeenkomstig artikel 19 en zorgen ervoor dat alle verzoekers een waardige levensstandaard genieten.’
Bulgaars recht
ZUB
17
Artikel 8, lid 1, van de Zakon za ubezhichteto i bezhantsite (asiel- en vluchtelingenwet; hierna: ‘ZUB’) luidt:
‘In de Republiek Bulgarije wordt de vluchtelingenstatus toegekend aan een vreemdeling die zich wegens een gegronde vrees voor vervolging om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, buiten zijn land van herkomst bevindt en om die redenen de bescherming van dat land niet kan of niet wil inroepen of daarheen niet wil terugkeren.’
18
Artikel 9 van deze wet bepaalt:
- ‘(1)
De humanitaire status wordt toegekend aan de vreemdeling die niet voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van de vluchtelingenstatus en die de bescherming van zijn land van herkomst niet kan of wil verkrijgen omdat hij een reëel risico op ernstige schade kan lopen, zoals:
- 1.
doodstraf of executie; of
- 2.
folteringen, onmenselijke of vernederende bestraffingen of behandelingen; of
- 3.
ernstige bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het geval van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.
[…]
- 8.
Een humanitaire status kan ook worden toegekend op andere humanitaire gronden en om de in de conclusies van het Uitvoerend Comité van het Hoog Commissariaat van de Verenigde Naties voor Vluchtelingen genoemde redenen.’
ZChRB
19
Artikel 44b van de Zakon za chuzhdentsite v Republika Balgaria (vreemdelingenwet in de Republiek Bulgarije; hierna: ‘ZChRB’) bepaalt:
- ‘(1)
Wanneer de onmiddellijke verwijdering of terugkeer van de vreemdeling onmogelijk is of de uitvoering van deze maatregelen om juridische of technische redenen moet worden uitgesteld, schorst de autoriteit die de bestuurlijke dwangmaatregel heeft genomen de tenuitvoerlegging van de maatregel totdat de belemmeringen voor de uitvoering ervan zijn opgeheven.
- (2)
Wanneer na het verstrijken van de in de [ZUB] vastgestelde duur van de tijdelijke bescherming de verwijdering of terugkeer van de vreemdeling onmogelijk is of de uitvoering van deze maatregelen om gezondheidsredenen of humanitaire gronden moet worden uitgesteld, schorst de autoriteit die de bestuurlijke dwangmaatregel heeft genomen de tenuitvoerlegging van de maatregel totdat de belemmeringen voor de uitvoering ervan zijn opgeheven.’
20
Volgens lid 1, punt 16 van de aanvullende bepalingen bij de ZChRB zijn er humanitaire gronden wanneer de niet-toelating of het vertrek van de vreemdeling van het grondgebied van de Republiek Bulgarije wegens objectieve omstandigheden of de integriteit van zijn gezin een ernstig risico voor zijn gezondheid of leven zou opleveren, of wanneer het belang van het gezin of het kind vereist dat hij tot het grondgebied van het land wordt toegelaten of in het land blijft.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
21
LF is een meerderjarige derdelander die sinds 1996 in Bulgarije verblijft. Hij heeft vruchteloos verschillende verzoeken om internationale bescherming ingediend en tegen hem zijn verschillende terugkeerbesluiten uitgevaardigd, die nooit ten uitvoer zijn gelegd.
22
Op 13 april 2021 heeft LF een elfde verzoek om internationale bescherming ingediend, waarbij hij met name aanvoerde dat hij een groot deel van zijn leven in Bulgarije had doorgebracht en dat hij wegens de juridische leemte rond zijn verblijf in die lidstaat geen toegang had gehad tot een ziektekostenverzekering of medische follow-up. Hij voerde ook aan dat zijn bijzonder slechte gezondheidstoestand hem had verhinderd normaal te reizen en dat lange reizen zijn leven in gevaar konden brengen.
23
Bij beslissing van 29 april 2021 heeft de DAB, de beslissingsautoriteit in Bulgarije, het verzoek van LF afgewezen. Er werd beslist dat de terugkeer van de betrokkene naar zijn land van herkomst door de bevoegde nationale autoriteit voor terugkeer of de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) zou worden verzekerd.
24
Die beslissing is bij definitief geworden vonnis van 25 november 2021 vernietigd op grond dat, ten eerste, LF zich had beroepen op het beginsel van non-refoulement, dat op hem van toepassing is gelet op zijn beweringen dat lange reizen zijn leven in gevaar zouden brengen, en ten tweede, de schending van dit beginsel een grond voor de toekenning van de humanitaire status in de zin van artikel 9, lid 1, punt 2, ZUB vormt.
25
Na die vernietiging werd het verzoek om internationale bescherming van LF op 30 december 2021 geregistreerd. Hij had aangegeven in een opvangcentrum van de DAB te willen verblijven omdat hij niet in zijn levensbehoeften kon voorzien.
26
Op 10 augustus 2022 heeft de DAB de litigieuze beslissing vastgesteld, waarbij zij heeft geweigerd om LF de vluchtelingenstatus en de humanitaire status toe te kennen.
27
Deze autoriteit was van mening dat de door LF aangevoerde redenen, ten eerste, geen gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 8, lid 1, en artikel 9, lid 1, ZUB rechtvaardigden en, ten tweede, geen gronden voor het verkrijgen van de humanitaire status om de in artikel 9, lid 8, van die wet bedoelde redenen konden vormen. Die autoriteit gaf ook aan dat de verschillende strafrechtelijke veroordelingen van LF aantoonden dat hij niet in de Bulgaarse samenleving was geïntegreerd en een recidivist was. Voorts was die autoriteit van mening dat het langdurige verblijf van LF in Bulgarije en de onmogelijkheid om terug te keren naar zijn land van herkomst geen reden voor bescherming uit hoofde van de ZUB vormden, maar enkel een aanvraag voor een administratieve status op grond van de ZChRB konden rechtvaardigen.
28
LF heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld bij de Administrativen sad Sofia-grad (bestuursrechter in eerste aanleg Sofia, Bulgarije), de verwijzende rechter.
29
Deze rechter is in de eerste plaats van oordeel dat LF niet voldoet aan de voorwaarden voor erkenning als vluchteling op grond van artikel 8, lid 1, ZUB of de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de humanitaire status op grond van artikel 9, lid 1, ZUB. Gelet op de aanzienlijke duur van het verblijf van LF in Bulgarije, te weten meer dan 26 jaar, waarin hij niet over identiteitsdocumenten beschikte en waarin hem, in strijd met artikel 14 van richtlijn 2008/115, vaak niet de nodige waarborgen werden geboden om hem een waardige levensstandaard te verzekeren, is zijn situatie vergelijkbaar met de situaties die aan de orde waren in de arresten van 19 maart 2019, Jawo (C-163/17, EU:C:2019:218), en 19 maart 2019, Ibrahim e.a. (C-297/17, C-318/17, C-319/17 en C-438/17, EU:C:2019:219), en in het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 21 januari 2011, M.S.S. tegen België en Griekenland (CE:ECHR:2011:0121JUD003069609).
30
De verwijzende rechter merkt meer in het bijzonder op dat de Bulgaarse autoriteiten niet hebben voldaan aan hun uit artikel 8 van richtlijn 2008/115 voortvloeiende verplichting om zo spoedig mogelijk over te gaan tot verwijdering van LF.
31
Deze rechter vraagt zich af of het feit dat de Bulgaarse autoriteiten de bijzondere situatie van LF niet hebben erkend — gesteld dat dit een schending van de artikelen 1, 4 en 7 van het Handvest vormt — een ‘dwingende humanitaire overweging’ is die rechtvaardigt dat artikel 9, lid 8, ZUB wordt uitgelegd overeenkomstig overweging 15 en artikel 2, onder h), van richtlijn 2008/115, gelet op het feit dat de ZChRB geen bepaling bevat op grond waarvan een verblijfsrecht kan worden toegekend aan LF om humanitaire redenen en de lidstaten niet verplicht zijn om een dergelijke bepaling in te voeren op grond van artikel 6, lid 4, van richtlijn 2011/95.
32
Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, vraagt de verwijzende rechter zich verder af of subsidiaire bescherming in de zin van richtlijn 2011/95 op grond van artikel 9, lid 8, ZUB dan wel een verblijfsrecht op humanitaire gronden in de zin van artikel 6, lid 4, van richtlijn 2008/115 moet worden toegekend.
33
In de tweede plaats benadrukt die rechter dat de ZChRB LF geen recht toekent om een schriftelijke bevestiging van zijn situatie te krijgen, in strijd met overweging 12 van richtlijn 2008/115 en met artikel 14, lid 2, van deze richtlijn.
34
In casu was de toepassing van de ZChRB en van richtlijn 2008/115 op LF beperkt tot het opleggen aan LF van twee terugkeerbesluiten, van 26 september 2005 en 9 augustus 2017, die niet ten uitvoer zijn gelegd. Er zijn geen aanwijzingen dat de niet-tenuitvoerlegging te verklaren is door belemmeringen voor de uitvoering of door gezondheidsredenen of humanitaire gronden.
35
Volgens de verwijzende rechter bepaalt richtlijn 2008/115 niet wat de gevolgen zijn van het feit dat de uitvoering van de verwijdering in strijd is met het recht van de derdelander op eerbiediging van zijn privéleven. Bij gebreke van een overeenkomstig artikel 6, lid 4, van die richtlijn vastgestelde nationale humanitaire clausule kan een niet-nakoming van artikel 14, lid 2, van die richtlijn, gelezen in het licht van overweging 12 ervan, dus niet tot gevolg hebben dat een lidstaat verplicht wordt een verblijfsrecht toe te kennen aan een derdelander.
36
In de derde plaats is de verwijzende rechter van oordeel dat alleen artikel 9, lid 8, ZUB de verlening van een verblijfstitel aan een derdelander op humanitaire gronden regelt. Deze rechter heeft echter twijfels over de uitlegging van deze bepaling in het licht van het Unierecht, aangezien de Bulgaarse wetgever ten onrechte heeft geoordeeld dat de verlening van een verblijfstitel om ‘humanitaire gronden’ moest worden geregeld door de ZUB, die als hoofddoel heeft richtlijn 2011/95 om te zetten in Bulgaars recht.
37
De verwijzende rechter is namelijk van oordeel dat, ook al wordt subsidiaire bescherming in het Bulgaarse recht ook aangeduid met de uitdrukking ‘humanitaire status’, de ‘humanitaire gronden’ in de zin van artikel 9, lid 8, ZUB niet relevant lijken om te beoordelen of subsidiaire bescherming moet worden verleend, zoals die is geregeld in artikel 15 van richtlijn 2011/95 en artikel 9, lid 1, ZUB. Voorts is de verlening van een verblijfstitel op dergelijke humanitaire gronden krachtens overweging 12 en artikel 2, onder h), van deze richtlijn uitgesloten van de werkingssfeer van deze richtlijn.
38
De verwijzende rechter is van oordeel dat de situatie van LF noopt tot een ruime uitlegging van de enige mogelijkheid om in het nationale recht een ‘humanitaire bepaling’ toe te passen, in overeenstemming met de in de artikelen 1, 4 en 7 van het Handvest neergelegde grondrechten.
39
Indien artikel 9, lid 8, ZUB aldus zou worden uitgelegd dat het niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 2011/95 valt, is het mogelijk de rechtspositie van LF te beoordelen, niet in het licht van zijn eventuele terugkeer naar zijn land van herkomst, maar in het licht van zijn situatie in Bulgarije, met inbegrip van de duur van zijn verblijf in die lidstaat en de eerbiediging van zijn grondrechten.
40
De verwijzende rechter vraagt zich dan ook af of artikel 2, lid 2, onder h), van richtlijn 2011/95, niettegenstaande het in artikel 3 van richtlijn opgenomen voorbehoud inzake de vaststelling van gunstiger normen door de lidstaten, toestaat dat bescherming wordt verleend om ‘dwingende humanitaire overwegingen’ die geen verband houden met de aard en de redenen van deze richtlijn, aan een derdelander die, zoals LF, meer dan 26 jaar in een lidstaat heeft verbleven, zonder schriftelijke bevestiging van zijn juridische status en zonder mogelijkheid om een verblijfstitel te verkrijgen op ‘humanitaire gronden’.
41
Volgens deze rechter verzetten de rechten op eerbiediging van de menselijke waardigheid, het leven, de integriteit en de gezondheid, die zijn neergelegd in respectievelijk de artikelen 1, 2, 3 en 35 van het Handvest, en het in artikel 4 van het Handvest neergelegde verbod op onmenselijke of vernederende behandelingen zich ertegen dat, in een situatie als die in het hoofdgeding, voorziening in de basisbehoeften wordt ontzegd aan een illegaal verblijvende derdelander wiens verwijdering, in afwachting van de behandeling van zijn beroep, feitelijk is opgeschort.
42
In deze omstandigheden heeft de Administrativen sad Sofia-grad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Dienen overweging 15 alsook artikel 2, onder h), en artikel 3 van [richtlijn 2011/95] aldus te worden uitgelegd dat zij een lidstaat toestaan om een nationale regeling voor de verlening van internationale bescherming uit mededogen of op humanitaire gronden in te voeren die overeenkomstig overweging 15 en artikel 2, onder h), van richtlijn 2011/95 (andere vorm van bescherming) niet beantwoordt aan de logica en de geest van die richtlijn, of moet ook in een dergelijk geval de door het nationale recht geboden mogelijkheid om bescherming op ‘humanitaire gronden’ te verlenen overeenkomstig [dat] artikel 3 stroken met de normen inzake internationale bescherming?
- 2)
Zijn de lidstaten op grond van overweging 12 en artikel 14, lid 2, van [richtlijn 2008/115], gelezen in samenhang met de artikelen 1 en 4 van het [Handvest], verplicht om derdelanders een schriftelijke bevestiging te verstrekken dat zij illegaal op hun grondgebied verblijven, maar nog niet kunnen worden verwijderd?
- 3)
Verzetten overweging 15 alsook artikel 2, onder h), en artikel 3 van [deze richtlijn] zich ertegen dat bij een nationaal juridisch kader waarvan de enige bepaling die de status van een derdelander op ‘humanitaire gronden’ regelt, vervat is in artikel 9, lid 8, van de ZUB, die nationale bepaling wordt uitgelegd op een wijze die niet beantwoordt aan de geest en de gronden van [die richtlijn]?
- 4)
Vereisen de artikelen 1, 4 en 7 van het Handvest dat voor de toepassing van richtlijn 2011/95 wordt onderzocht of het langdurige onregelmatige verblijf in een lidstaat van een derdelander op zichzelf een reden vormt om hem internationale bescherming te verlenen op grond van ‘dwingende humanitaire overwegingen’?
- 5)
Staat de positieve verplichting van de lidstaten om de eerbiediging van de artikelen 1 en 4 van het Handvest te waarborgen een ruime uitlegging van de nationale maatregel overeenkomstig artikel 9, lid 8, ZUB toe die verder gaat dan de logica en de normen van de internationale bescherming op grond van richtlijn 2011/95, en vereist die verplichting dat aan die bepaling een uitlegging wordt gegeven die uitsluitend ziet op de eerbiediging van de absolute grondrechten van [die artikelen] van het Handvest?
- 6)
Kan de niet-verlening van bescherming op grond van artikel 9, lid 8, ZUB aan een derdelander die in dezelfde situatie als verzoeker [in het hoofdgeding] verkeert, ertoe leiden dat de betrokken lidstaat de verplichtingen niet nakomt die krachtens de artikelen 1, 4 en 7 van het Handvest op hem rusten?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste, derde en vijfde vraag
43
Met zijn eerste, derde en vijfde vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2, onder h), van richtlijn 2011/95, gelezen in samenhang met overweging 15 en artikel 3 van deze richtlijn en met de artikelen 1 en 4 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat een lidstaat aan een derdelander een verblijfsrecht toekent op humanitaire gronden die geen verband houden met de aard, de grondslagen en de doelstellingen van de in die richtlijn bedoelde internationale bescherming.
44
In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat de lidstaten overeenkomstig artikel 3 van richtlijn 2011/95, gelezen in samenhang met overweging 14 ervan, normen kunnen vaststellen of handhaven ter versoepeling van de voorwaarden waaronder een derdelander of een staatloze recht heeft op de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus, mits die normen verenigbaar zijn met deze richtlijn. Dergelijke normen mogen dus geen afbreuk doen aan de algemene opzet en de doelstellingen van die richtlijn. In het bijzonder zijn verboden normen die ertoe strekken de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus te verlenen aan onderdanen van derde landen of staatlozen die zich in situaties bevinden die geen enkel verband houden met de logica van de internationale bescherming [zie in die zin arrest van 9 november 2021, Bundesrepublik Deutschland (Instandhouding van het gezin), C-91/20, EU:C:2021:898, punten 39 en 40].
45
Zo heeft het Hof reeds geoordeeld met betrekking tot artikel 3 van richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (PB 2004, L 304, blz. 12), waarvan de bewoordingen identiek zijn aan artikel 3 van richtlijn 2011/95, dat deze bepaling zich ertegen verzet dat een lidstaat de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus toekent aan een derdelander of een staatloze wegens onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest die plaatsvinden op het grondgebied van die lidstaat, aangezien een dergelijke situatie geen verband houdt met de logica van de internationale bescherming (zie in die zin arrest van 18 december 2014, M'Bodj, C-542/13, EU:C:2014:2452, punten 33, 43 en 44).
46
Bijgevolg kan de toekenning van een verblijfsrecht aan een derdelander niet worden gebaseerd op de bepalingen van richtlijn 2011/95 wanneer een dergelijk verblijfsrecht wordt gerechtvaardigd door de situatie van materiële deprivatie waarin die derdelander zich op het grondgebied van de gastlidstaat bevindt, ook al is die situatie dermate ernstig dat zij kan worden gelijkgesteld met een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest.
47
In de tweede plaats moet evenwel worden benadrukt dat artikel 2, onder h), van richtlijn 2011/95 het ‘verzoek om internationale bescherming’ definieert als een verzoek van een onderdaan van een derde land of een staatloze om bescherming van een lidstaat, die kennelijk de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus wenst en niet uitdrukkelijk om een andere soort bescherming verzoekt. Deze bepaling moet worden gelezen in samenhang met overweging 15 van deze richtlijn die bepaalt dat onderdanen van derde landen of staatlozen die op het grondgebied van de lidstaten mogen blijven om redenen die geen verband houden met een behoefte aan internationale bescherming, maar, op discretionaire basis, uit mededogen of op humanitaire gronden, niet onder die richtlijn vallen.
48
Hieruit volgt dat richtlijn 2011/95, niettegenstaande artikel 3 ervan, de lidstaten niet belet om een nationale bescherming te verlenen die gepaard gaat met rechten die personen die niet de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus genieten, toestaan op het grondgebied van de betrokken lidstaat te verblijven, met dien verstande dat de toekenning van een dergelijke bescherming buiten de werkingssfeer van deze richtlijn valt (zie in die zin arresten van 9 november 2010, B en D, C-57/09 en C-101/09, EU:C:2010:661, punten 116–118, en 23 mei 2019, Bilali, C-720/17, EU:C:2019:448, punt 61). Het staat een lidstaat dus vrij uitsluitend krachtens zijn nationale recht op humanitaire gronden een verblijfsrecht toe te kennen aan derdelanders die zich op het grondgebied van die lidstaat in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie bevinden.
49
Omdat anders inbreuk zou worden gemaakt op de bij richtlijn 2011/95 ingevoerde regeling, mag deze nationale bescherming echter niet te verwarren zijn met de vluchtelingenstatus of subsidiairebeschermingsstatus in de zin van deze richtlijn. Bijgevolg moet aan de hand van de normen die deze nationale bescherming bieden, een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen deze bescherming en die welke krachtens die richtlijn wordt verleend (zie naar analogie arrest van 9 november 2010, B en D, C-57/09 en C-101/09, EU:C:2010:661, punten 119 en 120).
50
Het staat aan de verwijzende rechter om uit te maken of op basis van de nationale regeling op grond waarvan in voorkomend geval een verblijfsrecht voor humanitaire doeleinden kan worden toegekend aan een derdelander die zich in een situatie als die van verzoeker in het hoofdgeding bevindt, een duidelijk onderscheid kan worden gemaakt tussen de status die voortvloeit uit een dergelijk verblijfsrecht, en de status die krachtens richtlijn 2011/95 wordt toegekend.
51
In dit verband is de omstandigheid dat de uit de toekenning van subsidiaire bescherming voortvloeiende regeling in het nationale recht op dezelfde wijze wordt omschreven als de regeling die voortvloeit uit de toekenning van de subsidiaire bescherming, op zich niet voldoende om aan te nemen dat deze twee regelingen niet voldoende van elkaar kunnen worden onderscheiden (zie naar analogie arrest van 9 november 2010, B en D, C-57/09 en C-101/09, EU:C:2010:661, punten 119 en 120). Het feit dat de regels betreffende deze nationale bescherming zijn opgenomen in de bepalingen van nationaal recht die in beginsel betrekking hebben op de uit richtlijn 2011/95 voortvloeiende bescherming, betekent evenmin dat deze regelingen niet voldoende kunnen worden onderscheiden.
52
Wanneer echter, zoals in casu het geval lijkt te zijn, het uit de nationale bescherming voortvloeiende stelsel is neergelegd in dezelfde wettelijke regeling als die tot omzetting van richtlijn 2011/95 en deze regeling bovendien door de nationale wetgever op dezelfde wijze wordt omschreven als de regeling die voortvloeit uit de subsidiaire bescherming, kunnen de normen die een dergelijke nationale bescherming verlenen, niet worden geacht het mogelijk te maken die bescherming duidelijk te onderscheiden van die welke op grond van die richtlijn wordt verleend, indien de uit die nationale regeling voortvloeiende status bovendien in wezen dezelfde is als de status van een persoon die subsidiaire bescherming geniet, zoals vastgesteld in die richtlijn.
53
Ten slotte wordt in artikel 2, onder h), van richtlijn 2011/95 enkel bepaald dat een verzoek waarbij een derdelander of een staatloze uitdrukkelijk om een andere vorm van bescherming verzoekt, geen verzoek om internationale bescherming vormt wanneer het nationale recht toestaat dat door middel van een afzonderlijk verzoek om die andere vorm van bescherming wordt verzocht. Anders dan de Europese Commissie betoogt, belet deze bepaling daarentegen geenszins dat een nationale autoriteit, na een verzoek om internationale bescherming te hebben afgewezen, een verblijfsrecht toekent op grond van een uitsluitend uit het nationale recht voortvloeiende bescherming.
54
Gelet op het voorgaande moet op de eerste, de derde en de vijfde vraag worden geantwoord dat richtlijn 2011/95 aldus moet worden uitgelegd dat zij er niet aan in de weg staat dat een lidstaat een verblijfsrecht toekent aan een derdelander om redenen die geen verband houden met de algemene opzet en de doelstellingen van deze richtlijn, voor zover dit verblijfsrecht duidelijk verschilt van de krachtens die richtlijn verleende internationale bescherming.
Tweede vraag
55
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 14, lid 2, van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met overweging 12 van deze richtlijn en de artikelen 1 en 4 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat een lidstaat die niet in staat is om een derdelander te verwijderen binnen de overeenkomstig artikel 8 van deze richtlijn vastgestelde termijnen, aan deze derdelander een schriftelijke bevestiging moet verstrekken dat, ondanks het feit dat hij illegaal op het grondgebied van die lidstaat verblijft, het hem betreffende terugkeerbesluit tijdelijk niet zal worden uitgevoerd.
56
In de eerste plaats zij eraan herinnerd, ten eerste, dat richtlijn 2008/115, behoudens de uitzonderingen van artikel 2, lid 2, ervan, van toepassing is op alle illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende derdelanders. Bovendien moet een derdelander, wanneer hij binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt, in beginsel met het oog op zijn terugkeer worden onderworpen aan de gemeenschappelijke normen en procedures waarin die richtlijn voorziet, zolang zijn verblijf niet — in voorkomend geval — is geregulariseerd [arrest van 22 november 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Verwijdering — Medicinale cannabis), C-69/21, EU:C:2022:913, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
57
Voor zover ten aanzien van een derdelander een terugkeerbesluit is vastgesteld met inachtneming van de in richtlijn 2008/115 vastgelegde materiële en procedurele waarborgen, is de betrokken lidstaat dus op grond van artikel 8 van deze richtlijn verplicht om over te gaan tot de verwijdering van die derdelander [zie in die zin arresten van 14 januari 2021, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Terugkeer van een niet-begeleide minderjarige), C-441/19, EU:C:2021:9, punten 79 en 80, en 22 november 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Verwijdering — Medicinale cannabis), C-69/21, EU:C:2022:913, punt 54 en de aangehaalde rechtspraak].
58
In de tweede plaats — in afwijking van de verplichting om de verwijdering van een derdelander tegen wie een terugkeerbesluit is uitgevaardigd binnen de overeenkomstig artikel 8 van richtlijn 2008/115 gestelde termijnen uit te voeren — laat artikel 9 van deze richtlijn de betrokken lidstaat toe of verplicht het hem in bepaalde gevallen zelfs, om die verwijdering in bepaalde gevallen uit te stellen.
59
Zoals in overweging 12 van richtlijn 2008/115 wordt bevestigd, blijft de illegaal verblijvende derdelander wiens verwijdering vertraging heeft opgelopen dus binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallen. Bovendien volgt uit artikel 14 van die verordening dat deze derdelander in afwachting van zijn verwijdering bepaalde voorrechten geniet.
60
Dienaangaande verplicht artikel 14, lid 2, van richtlijn 2008/115 de lidstaat op het grondgebied waarvan die derdelander illegaal verblijft, hem overeenkomstig de nationale wetgeving een schriftelijke bevestiging te bezorgen dat het jegens hem uitgevaardigde terugkeerbesluit tijdelijk niet zal worden uitgevoerd.
61
Uit een en ander volgt dat artikel 14, lid 2, van richtlijn 2008/115 aldus moet worden uitgelegd dat een lidstaat die niet in staat is om een derdelander uit te zetten binnen de overeenkomstig artikel 8 van deze richtlijn vastgestelde termijnen, aan deze derdelander een schriftelijke bevestiging moet verstrekken dat, ondanks het feit dat hij illegaal op het grondgebied van die lidstaat verblijft, het hem betreffende terugkeerbesluit tijdelijk niet zal worden uitgevoerd.
Vierde en zesde vraag
62
Met zijn vierde en zesde vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 1, 4 en 7 van het Handvest, gelezen in samenhang met richtlijn 2008/115, aldus moeten worden uitgelegd dat een lidstaat verplicht kan zijn om op grond van dwingende humanitaire overwegingen een verblijfsrecht, in voorkomend geval uit hoofde van internationale bescherming, toe te kennen aan een derdelander die langdurig onregelmatig op zijn grondgebied heeft verbleven en er thans onregelmatig verblijft.
63
In dit verband zij eraan herinnerd dat de werkingssfeer van het Handvest, voor zover het gaat om handelingen van de lidstaten, wordt omschreven in artikel 51, lid 1, van het Handvest, op grond waarvan de bepalingen van het Handvest enkel tot de lidstaten gericht zijn wanneer zij het Unierecht ten uitvoer brengen. Deze bepaling bevestigt de rechtspraak van het Hof waarin is geoordeeld dat de door de rechtsorde van de Unie gewaarborgde grondrechten van toepassing zijn in alle door het Unierecht beheerste situaties, maar niet daarbuiten. Wanneer daarentegen een juridische situatie niet binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt, is het Hof niet bevoegd om over deze situatie uitspraak te doen en kunnen eventueel ingeroepen bepalingen van het Handvest als zodanig niet de grondslag voor die bevoegdheid vormen [arresten van 19 november 2019, A. K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd NajwyŻszy), C-585/18, C-624/18 en C-625/18, EU:C:2019:982, punt 78, en 25 januari 2024, Parchetul de pe lângă Curtea de Apel Craiova e.a., C-58/22, EU:C:2024:70, punt 40].
64
Derhalve moet om te beginnen worden onderzocht in hoeverre de situatie van een derdelander als die van verzoeker in het hoofdgeding onder het Unierecht in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest kan vallen, en vervolgens moet worden vastgesteld of een dergelijke situatie krachtens de artikelen 1, 4 of 7 van het Handvest inhoudt dat aan die derdelander een verblijfsrecht wordt toegekend.
65
In dit verband blijkt ten eerste uit de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens dat verzoeker in het hoofdgeding niet voldoet aan de voorwaarden om internationale bescherming in de zin van richtlijn 2011/95 te verkrijgen zodat deze richtlijn dus niet van toepassing is op zijn situatie.
66
Ten tweede valt verzoeker in het hoofdgeding, tenzij hij zich op een andere verblijfstitel op Bulgaars grondgebied kan beroepen, daarentegen binnen de werkingssfeer van richtlijn 2008/115 omdat hij illegaal op dat grondgebied verblijft sinds de vaststelling van het besluit waarbij zijn verzoek om internationale bescherming is afgewezen, waartegen hij beroep heeft ingesteld bij de verwijzende rechter (zie in die zin arrest van 14 mei 2020, Országos Idegenrendészeti Főigazgatóság Dél-alföldi Regionális Igazgatóság, C-924/19 PPU en C-925/19 PPU, EU:C:2020:367, punten 209 en 210). Hieruit volgt dat de situatie van verzoeker in het hoofdgeding door het Unierecht wordt beheerst.
67
Geen enkele bepaling van richtlijn 2008/115 kan evenwel aldus worden uitgelegd dat zij vereist dat een lidstaat een verblijfstitel verleent aan een illegaal op zijn grondgebied verblijvende derdelander. Wat in het bijzonder artikel 6, lid 4, van deze richtlijn betreft, deze bepaling is beperkt tot de mogelijkheid voor de lidstaten om op basis van hun nationale recht, en niet op basis van het Unierecht, in schrijnende gevallen op humanitaire gronden een verblijfsrecht toe te kennen aan illegaal op hun grondgebied verblijvende derdelanders [zie in die zin arrest van 22 november 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Verwijdering — Medicinale cannabis), C-69/21, EU:C:2022:913, punten 85 en 86].
68
Volgens artikel 51, lid 2, van het Handvest breiden de bepalingen ervan de werkingssfeer van het Unierecht niet uit. Bijgevolg kan niet worden geoordeeld dat een lidstaat op grond van de artikelen 1, 4 of 7 van het Handvest ertoe gehouden kan zijn om aan een binnen de werkingssfeer van richtlijn 2008/115 vallende derdelander een verblijfsrecht toe te kennen [zie in die zin arrest van 22 november 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Verwijdering — Medicinale cannabis), C-69/21, EU:C:2022:913, punt 87]. De min of meer lange duur van het verblijf van die derdelander op het grondgebied van de betrokken lidstaat is in dit verband niet van belang.
69
Ten derde valt een derdelander die zich in een situatie bevindt als die van verzoeker in het hoofdgeding, hoewel hij illegaal op het grondgebied van de betrokken lidstaat verblijft, ook binnen de werkingssfeer van de richtlijnen 2013/32 en 2013/33 zolang de verwijzende rechter geen uitspraak heeft gedaan op het beroep dat hij heeft ingesteld tegen de afwijzing van zijn verzoek om internationale bescherming (zie in die zin arrest van 14 mei 2020, Országos Idegenrendészeti Főigazgatóság Dél-alföldi Regionális Igazgatóság, C-924/19 PPU en C-925/19 PPU, EU:C:2020:367, punten 207 en 208).
70
Krachtens artikel 46, lid 5, van richtlijn 2013/32 is het personen die om internationale bescherming verzoeken, toegestaan om, onder voorbehoud van de in artikel 41, lid 1, en artikel 46, lid 6, van deze richtlijn bedoelde gevallen, op het grondgebied van de betrokken lidstaat te blijven in afwachting van de uitkomst van het beroep dat zij tegen de afwijzing van hun verzoek hebben ingesteld [zie in die zin arrest van 17 december 2020, Commissie/Hongarije (Opvang van personen die om internationale bescherming verzoeken), C-808/18, EU:C:2020:1029, punt 282).
71
Het is dus in casu niet uitgesloten dat verzoeker in het hoofdgeding, ondanks het feit dat zijn verzoek om internationale bescherming een volgend verzoek is, het recht heeft om op het Bulgaarse grondgebied te blijven totdat het bij de verwijzende rechter aanhangige beroep is afgesloten.
72
Zoals artikel 9, lid 1, van richtlijn 2013/32 uitdrukkelijk preciseert, vormt een dergelijk recht om op het grondgebied van de betrokken lidstaat te blijven evenwel geen recht op een verblijfstitel. Om soortgelijke redenen als die welke in punt 68 van het onderhavige arrest zijn uiteengezet, kan derhalve geen enkele bepaling van het Handvest een lidstaat verplichten om aan een persoon die om internationale bescherming verzoekt een verblijfsrecht toe te kennen dat verder gaat dan de uit artikel 46, lid 5, van deze richtlijn voortvloeiende toestemming om op het grondgebied te blijven.
73
In de tweede plaats zij hier echter ten eerste aan toegevoegd dat de lidstaten krachtens artikel 14, lid 1, onder b) en d), van richtlijn 2008/115, voor zover mogelijk, ervoor moeten zorgen dat, zolang de verwijdering van de betrokken derdelander wordt uitgesteld, dringende medische zorg wordt verstrekt en essentiële behandeling van ziekte wordt uitgevoerd, en rekening wordt gehouden met de speciale behoeften van kwetsbare personen.
74
Bovendien moeten de lidstaten bij de uitvoering van richtlijn 2008/115 het uit artikel 4 van het Handvest voortvloeiende verbod van onmenselijke of vernederende behandelingen in acht nemen. Hieruit volgt dat zij er ook voor moeten zorgen dat een illegaal op hun grondgebied verblijvende derdelander zich, zolang hij niet van dat grondgebied is verwijderd, niet in een door dat artikel 4 verboden situatie bevindt.
75
Het Hof heeft evenwel reeds geoordeeld dat dit artikel 4 wordt geschonden in het geval dat de onverschilligheid van de autoriteiten van een lidstaat tot gevolg zou hebben dat een persoon die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzen om, terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften, zoals eten, zich wassen en beschikken over woonruimte, en negatieve gevolgen zou hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid of hem in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid (zie in die zin arresten van 19 maart 2019, Jawo, C-163/17, EU:C:2019:218, punt 92, en 16 juli 2020, Addis, C-517/17, EU:C:2020:579, punt 51).
76
Ten tweede beschikt een persoon die om internationale bescherming verzoekt en die in die hoedanigheid op het grondgebied van de betrokken lidstaat mag verblijven, over de opvangvoorzieningen van richtlijn 2013/33 zolang niet definitief op zijn verzoek is beslist [zie in die zin arrest van 17 december 2020, Commissie/Hongarije (Opvang van personen die om internationale bescherming verzoeken), C-808/18, EU:C:2020:1029, punten 284–286).
77
In het geval dat LF in casu het recht heeft om op het Bulgaarse grondgebied te verblijven totdat het bij de verwijzende rechter aanhangige beroep is afgesloten, hetgeen deze rechter moet nagaan, moet hij zolang op dat beroep niet definitief uitspraak is gedaan, ook beschikken over de in die richtlijn vastgestelde opvangvoorzieningen.
78
Gesteld dat de materiële opvangvoorzieningen worden beperkt of ingetrokken op grond van artikel 20, lid 1, onder c), van deze richtlijn, op grond dat het verzoek om internationale bescherming dat aan het hoofdgeding ten grondslag ligt een volgend verzoek is, waarborgt artikel 20, lid 5, van die richtlijn deze verzoeker bovendien in elk geval minimale opvangvoorzieningen die hem in staat stellen een waardig leven te leiden.
79
Gelet op het voorgaande dient op de vierde en de zesde vraag te worden geantwoord dat de artikelen 1, 4 en 7 van het Handvest, gelezen in samenhang met richtlijn 2008/115, aldus moeten worden uitgelegd dat een lidstaat niet verplicht is om op grond van dwingende humanitaire overwegingen een verblijfsrecht toe te kennen aan een derdelander die thans illegaal op zijn grondgebied verblijft, ongeacht hoe lang deze derdelander reeds op dat grondgebied verblijft. Zolang zijn verwijdering niet heeft plaatsgevonden, kan die derdelander zich echter beroepen op de rechten die hem zowel door het Handvest als door artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/115 worden gewaarborgd. Indien deze derdelander bovendien ook de hoedanigheid heeft van persoon die om internationale bescherming verzoekt en toestemming heeft om op het grondgebied van die lidstaat te verblijven, kan hij zich ook beroepen op de rechten die zijn vastgelegd in richtlijn 2013/33.
Kosten
80
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming
moet aldus worden uitgelegd dat
zij er niet aan in de weg staat dat een lidstaat een verblijfsrecht toekent aan een derdelander om redenen die geen verband houden met de algemene opzet en de doelstellingen van deze richtlijn, voor zover dit verblijfsrecht duidelijk verschilt van de krachtens die richtlijn verleende internationale bescherming.
- 2)
Artikel 14, lid 2, van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven
moet aldus worden uitgelegd dat
een lidstaat die niet in staat is om een derdelander te verwijderen binnen de overeenkomstig artikel 8 van deze richtlijn vastgestelde termijnen, aan deze derdelander een schriftelijke bevestiging moet verstrekken dat, ondanks het feit dat hij illegaal op het grondgebied van die lidstaat verblijft, het hem betreffende terugkeerbesluit tijdelijk niet zal worden uitgevoerd.
- 3)
De artikelen 1, 4 en 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, gelezen in samenhang met richtlijn 2008/115,
moeten aldus worden uitgelegd dat
een lidstaat niet verplicht is om op grond van dwingende humanitaire overwegingen een verblijfsrecht toe te kennen aan een derdelander die thans illegaal op zijn grondgebied verblijft, ongeacht hoe lang deze derdelander reeds op dat grondgebied verblijft. Zolang zijn verwijdering niet heeft plaatsgevonden, kan die derdelander zich echter beroepen op de rechten die hem zowel door het Handvest van de grondrechten als door artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/115 worden gewaarborgd. Indien deze derdelander bovendien ook de hoedanigheid heeft van persoon die om internationale bescherming verzoekt en toestemming heeft om op het grondgebied van die lidstaat te verblijven, kan hij zich ook beroepen op de rechten die zijn vastgelegd in richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 12‑09‑2024
Procestaal: Bulgaars.