Bijlage 33, Arrest gerechtshof Arnhem, 11 juli 2012, p.3
HR, 18-12-2015, nr. 15/01140
15/01140, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-12-2015
- Zaaknummer
15/01140
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2015:3597, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑12‑2015; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2015:639, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑12‑2015
- Vindplaatsen
FutD 2015-3034
Viditax (FutD) 2015121816
Uitspraak 18‑12‑2015
Inhoudsindicatie
Formeel recht. Art. 67e AWR. Het Hof heeft miskend dat de Rechtbank buiten de rechtsstrijd is getreden.
Partij(en)
Hoge Raad der Nederlanden
Derde Kamer
Nr. 15/01140
18 december 2015
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 januari 2015, nrs. 13/01184, 13/01185 en 13/01186, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 13/1379, 13/1380 en 13/1381) betreffende de aan belanghebbende over de jaren 2003, 2004 en 2005 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven boetebeschikkingen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
2. Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Aan belanghebbende zijn over de jaren 2003, 2004 en 2005 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd in verband met niet aangegeven inkomsten uit hennepteelt. Na bezwaar heeft de Inspecteur de navorderingsaanslagen verminderd tot aanslagen berekend naar belastbare inkomens uit werk en woning van € 58.679 (2003), € 123.262 (2004) en € 24.639 (2005). De over de gecorrigeerde belastbare inkomens uit werk en woning nagevorderde inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen bedroeg na bezwaar € 20.246 (2003), € 50.365 (2004) en € 4785 (2005).
2.1.2.
Voorts zijn aan belanghebbende vergrijpboeten opgelegd van 50 percent. De Inspecteur heeft de boeten in verband met de lange termijn van afdoening gematigd tot 30 percent. De Rechtbank heeft de boeten verder gematigd. Blijkens onderdeel 4.15 van haar uitspraak was zij van oordeel dat de boeten in overeenstemming met het door de Inspecteur ter zitting ingenomen standpunt dienden te worden verminderd tot 5 percent van de verschuldigde belasting over de inkomsten uit de hennepteelt in de onderhavige jaren. In het dictum van haar uitspraak heeft de Rechtbank de boeten verminderd tot respectievelijk € 2933 (2003), € 6163 (2004) en € 1231 (2005).
2.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat het aan de (voorwaardelijke) opzet van belanghebbende is te wijten dat de primitieve aanslagen tot een te laag bedrag zijn vastgesteld. Voorts heeft het Hof in aanmerking genomen dat de navorderingsaanslagen schattenderwijs zijn berekend met toepassing van omkering van de bewijslast. Ook de financiële omstandigheden van belanghebbende heeft het Hof van belang geacht. Alles afwegende heeft het Hof boeten van 10 percent van de nagevorderde belasting passend en geboden geacht. Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat in verband met overschrijding van de redelijke termijn een verdere vermindering van de boeten met 20 percent ervan tot 8 percent van de nagevorderde belasting op zijn plaats is. Evenwel heeft het Hof op de grond dat de Rechtbank de boeten op een lager bedrag heeft vastgesteld en de Inspecteur geen (incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld, de uitspraak van de Rechtbank met betrekking tot de boeten bevestigd.
2.3.1.
Middel II betoogt dat de Rechtbank in het dictum van haar uitspraak de boeten ten onrechte niet heeft berekend over de nagevorderde bedragen aan inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, maar over de door de Inspecteur na bezwaar vastgestelde belastbare inkomens uit werk en woning. Door de uitspraak van de Rechtbank te bevestigen heeft het Hof nagelaten deze misslag te herstellen, aldus het middel.
2.3.2.
Op grond van artikel 67e, lid 2, letter a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt de grondslag voor een vergrijpboete bij navordering gevormd door het bedrag van de navorderingsaanslag. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat de Rechtbank in het dictum van haar uitspraak de onderhavige boeten niet heeft berekend over de nagevorderde bedragen aan inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, maar over de belastbare inkomens uit werk en woning van de onderhavige jaren. Aangezien het Hof de uitspraak van de Rechtbank heeft bevestigd, zijn de boeten aldus naar onjuiste grondslagen vastgesteld.
2.3.3.
Uit onderdeel 4.15 van haar uitspraak blijkt onmiskenbaar dat de Rechtbank de boeten heeft willen matigen tot 5 percent van de verschuldigde belasting over de inkomsten uit de hennepteelt in de onderhavige jaren. Dit betekent dat naar het oordeel van de Rechtbank de boeten dienden te worden vastgesteld op respectievelijk € 1012 (2003), € 2518 (2004) en € 239 (2005). Dat in het dictum van de uitspraak van de Rechtbank de boeten slechts zijn verminderd tot respectievelijk € 2933 (2003), € 6163 (2004) en € 1231 (2005), telkens overeenkomende met 5 percent van de belastbare inkomens uit werk en woning (na correctie), kan niet anders worden aangemerkt dan als een misslag.
Het oordeel van het Hof dat een vermindering van de boeten tot 8 percent van de nagevorderde inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen op zijn plaats is, leidt niet tot lagere bedragen aan boeten dan de bedragen waarop de Rechtbank de boeten heeft willen vaststellen. In aanmerking genomen dat de Inspecteur ter zitting van de Rechtbank het standpunt heeft ingenomen dat de boeten dienden te worden gematigd tot 5 percent van de verschuldigde belasting over de inkomsten uit de hennepteelt in de desbetreffende jaren en dat de Inspecteur in hoger beroep niet van dat standpunt is teruggekomen, diende het Hof de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze de boeten betreft te vernietigen en de boeten te verminderen tot respectievelijk € 1012 (2003), € 2518 (2004) en € 239 (2005). Het middel slaagt derhalve.
2.3.4.
Middel 1 kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
2.3.5.
Gelet op wat hiervoor in 2.3.2 en 2.3.3 is overwogen kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
3. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, alsmede de uitspraak van de Rechtbank, en de uitspraken van de Inspecteur, doch uitsluitend voor zover deze betrekking hebben op de boeten,
vermindert de boeten tot € 1012 (2003), € 2518 (2004) en € 239 (2005),
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 123, en gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van € 118,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 980 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 980 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2015.
Beroepschrift 18‑12‑2015
Tevens per fax: 0707530354 (p. 3)
Hoge Raad der Nederlanden
Postbus 20303
2500 EH DEN HAAG
Edelgrootachtbaar College,
Bij brief van 9 maart 2015 is door [X] (belanghebbende) beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 27 januari 2015. Bij brief van 12 maart 2015 heeft de griffier [A] in de gelegenheid gesteld om de bezwaren tegen de uitspraak van het Hof uiterlijk binnen zes weken nadien in te dienen. Middels dit schrijven bericht ik u dat ondergetekende als gemachtigde van belanghebbende in deze procedure zal optreden alsmede doe ik u hierbij de bezwaren tegen genoemde uitspraak toekomen.
Aan het beroep in cassatie liggen de volgende cassatiemiddelen ten grondslag.
Middel 1
Schending en/of verkeerde toepassing van het recht en in het algemeen van beginselen behoorlijk procesrecht, doordien het Hof in de bestreden uitspraak heeft geoordeeld in rechtsoverweging 4.3 dat de schatting van de Inspecteur niet onredelijk is, zulks evenwel ten onrechte althans op gronden die een dergelijk oordeel niet kunnen dragen. Mitsdien is 's Hofs uitspraak onjuist althans onvoldoende naar de eisen der wet met redenen omkleed.
Toelichting
Het is vaste jurisprudentie van uw Raad dat indien het inkomen berust op een ambtshalve vaststelling van het inkomen door de Inspecteur, deze vaststelling in verband met het verbod van willekeur dient te berusten op redelijke schatting (vgl. HR 22 april 2005, BNB 2005/339).
De strafkamer van het Hof heeft op de ontnemingsvordering ten laste van belanghebbende geoordeeld dat:
‘… het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel onvoldoende aanknopingspunten biedt om de gang van zaken zoals die door de veroordeelde naar voren zijn gebracht en door het Hof niet als onwaarschijnlijk of hoogst onwaarschijnlijk gepasseerd mag worden, op voorhand te kunnen weerleggen’.1.
Vervolgens oordeelt de strafkamer van het Hof dat nader onderzoek naar de opbrengt van de hennepplantages onmogelijk is geworden door de lange tijdsduur die verlopen is sinds het exploiteren van de hennepplantages en het onderzoek in de ontnemingsprocedure en voorts dat dit tijdsverloop niet aan belanghebbende is te wijten.
De schatting van de Inspecteur is voor de feitelijk grondslagen daarvan uitsluitend gebaseerd op het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze schatting kan niet als redelijk worden beschouwd als de strafrechter oordeelt dat de feitelijke grondslagen in dat rapport niet het standpunt van belanghebbende weerleggen of dat standpunt onwaarschijnlijk doen achten. Door niettemin van dat rapport uit te gaan is sprake van willekeur die in strijd is met genoemde jurisprudentie.
Middel 2
Schending en/of verkeerde toepassing van het recht en in het algemeen van beginselen van behoorlijk procesrecht, doordien het Hof in de bestreden uitspraak heeft geoordeeld in rechtsoverweging 4.8. en het dictum dat enerzijds het oordeel van de rechtbank inzake het boetepercentage in stand blijft maar anderzijds niet de misslag van de rechtbank bij vervolgens bepalen van het boetebedrag te herstellen, zulks evenwel ten onrechte althans op gronden die een dergelijk oordeel niet kunnen dragen. Mitsdien is 's hofs uitspraak onjuist althans onvoldoende naar de eisen der wet met redenen omkleed.
Toelichting
Belanghebbende verzoekt u middels dit cassatiemiddel een misslag in de uitspraak van de rechtbank, die niet is opgemerkt door het Hof, te herstellen.
Het Hof heeft het oordeel van de rechtbank inzake het boetepercentage in stand gelaten omdat de rechtbank tot een lager boetepercentage kwam, namelijk 5%2., dan het Hof dat een boetepercentage van 8% gerechtvaardigde achtte.
De rechtbank heeft echter abusievelijk in het dictum bij het vaststellen van de boetebedragen als grondslag van de boetes genomen niet de nagevorderde belasting maar het door de Belastingdienst vastgestelde inkomen. Dit betekent dat de boetes te hoog zijn vastgesteld en belanghebbende verzoekt u deze misslag te herstellen. Aangezien belanghebbende uitspraak van de rechtbank inzake de boetes heeft bestreden voor het Hof terwijl de Belastingdienst in die uitspraak van de rechtbank heeft berust, is het herstel van de misslag rechtens te achten.
Blijkens rechtsoverweging 2.11 van de uitspraak van het Hof is de nagevorderde belasting respectievelijk € 20.246 (2003), € 50.365 (2004) en € 4.785 (2005). Bij een boetepercentage van 5% bedragen de boetes respectievelijk € 1.012 (2003), € 2.518 (2004) en € 239 (2005).
Conclusie
Op basis van de hiervoor aangevoerde middelen verzoekt belanghebbende Uw Raad de uitspraak van het Hof zowel ten aanzien van de belasting en de boeten te vernietigen en de zaak terug te verwijzen. Mocht slechts cassatiemiddel. 2 slagen dan verzoekt belanghebbende u de zaak zelf af te doen.
Voorts verzoekt belanghebbende om toekenning van een proceskostenvergoeding voor de door een derde verleende rechtsbijstand zowel voor de behandeling bij het Hof als bij uw Raad.
Hoogachtend,
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 18‑12‑2015
Rechtbank Gelderland 10 oktober 2013. r.o. 4.15.