Quasi-erfrecht
Einde inhoudsopgave
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/IV.4:IV.4. Conclusie
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/IV.4
IV.4. Conclusie
Documentgegevens:
prof. mr. F.W.J.M. Schols, datum 24-03-2006
- Datum
24-03-2006
- Auteur
prof. mr. F.W.J.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS575587:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De quasi-legatenregeling is een regeling in het kader van de schuldeisersbe-scherming.
Door een erfrechtelijke fictie in art. 4:126 BW worden de aanspraken die geldend gemaakt kunnen worden bij overlijden aangemerkt als ware het legaten, indien er gevaar voor crediteuren zou kunnen ontstaan. Deze quasilegaten worden ingekaderd in het erfrecht, voor wat betreft de rangorde van de diverse soorten schuldeisers van de nalatenschap. De legatenfictie geldt in beginsel slechts voor de ‘inkorting’ en de ‘vermindering’. Op verschillende punten moet de regeling nader worden aangescherpt. Ik verwijs naar par. 1.4 van dit hoofdstuk, en in het bijzonder naar de nrs. 1.5, 1.6 en 1.7 van dit hoofdstuk, waaruit blijkt dat de gelijkstelling ‘betreffende de inkorting en vermindering’ hier en daar kort door de bocht is en leidt tot vragen. Ik noem hier onder meer de vraag of een quasi-legataris/begiftigde als zodanig aansprakelijk is voor de legitieme, of een herroepelijk quasi-legaat bij uiterste wilsbeschikking, wat de vermindering betreft, achter gesteld kan worden bij andere legaten en of ook op quasi-legatengebied een onderscheid wordt gemaakt al naar gelang het quasi-legaat is gemaakt ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis.
In het bijzonder wil ik nog de aandacht vestigen op het vraagstuk of bij een quasi-legaat toerekening als bedoeld in art. 4:71 BW speelt. Dit is mijns inziens het geval, doch dit neemt niet weg dat opheldering geboden is. Ik verwijs naar par. 1.7.2 van dit hoofdstuk.
In par. 3.1 van dit hoofdstuk beschreef ik nog een andere oneffenheid, in die zin dat men zou kunnen betogen dat verplichtingen uit hoofde van een quasi-legaat in de zin van art. 4:126 lid 2 onder a BW voor de berekening van de legitieme geheel genegeerd worden, en niet slechts gedeeltelijk, voor zover een redelijke tegenprestatie ontbreekt.
Deze vraagstukken zijn in de regelwel op een bevredigende wijze op te lossen, doch zouden eigenlijk niet aan de orde mogen zijn. Indien de fictie wat ruimer wordt opgezet dan alleen ten aanzien van de ‘inkorting en vermindering’ of uitdrukkelijk zou worden aangeven hoe ver de quasi-legatenregeling strekt door in de wettekst de rechtsgevolgen nader uit te schrijven, verdwijnen problemen als sneeuw voor de zon. Ook zou een verbetering bereikt kunnen worden indien de ontwerper de regeling van de quasi-legaten nogmaals bestudeert en niet beschouwt als dé regeling van het quasi-erfrecht, maar slecht beziet vanuit de optiek dat het een regeling van schuldeisersbescherming betreft. Dit voorkomt dat een groot deel van het quasi-erfrecht buiten de boot valt bijvoorbeeld wat betreft vormvoorschriften, maar ook bijvoorbeeld ten aanzien van de ‘andere wettelijke rechten’ of de vermelding in het centraal testamentenregister. Ik verwijs onder meer naar par. 1.9 en par. 1.13 van dit hoofdstuk.
Uit par. 1.4 van dit hoofdstuk bleek dat met het overbrengen van de regeling van de quasi-legaten van Boek 7 naar Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek de vormvoorschriften voor de andere quasi-legaten dan giften vervielen. Motieven hiervoor werden niet gegeven. De wetgever had opeens slechts oog voor de schuldeisersbescherming.
Met de thans voorliggende wetgeving kan de vormvan bijvoorbeeld een legaat tegen inbreng van de waarde van het gelegateerde worden omzeild door het werken met een (herroepelijke) overeenkomst. Wat de vorm betreft is in deze zin de huidige regeling niet consequent. Het beperken van de erfrechtelijke vormvoorschriften tot de quasi-legaten van art. 4:126 lid 1 BW zie ik overigens niet als een probleem. Het is slechts dat geen motieven worden aangedragen voor deze beperking van de toepasselijkheid van de erfrechtelijke vormvoorschriften.
Het inhoud geven aan de tekst van art. 7:177 BW en de daarop gegeven parlementaire toelichting vormt een ware puzzel. In par. 2.2 van dit hoofdstuk heb ik getracht duidelijk te maken welke schenkingen ‘strekkings-schenkingen’ zijn. Ik deed hierbij inspiratie op in Duitsland. De schenking waaruit voorwaardelijke verbintenissen voortvloeien (met het element ‘overleven’) of verbintenissen onder opschortende tijdsbepaling (met het element ‘overlijden’), dan wel de schenking die een onvoorwaardelijke verbintenis in het leven roept strekkende tot overdracht onder opschortende voorwaarde is slechts dan een ‘strekkings-schenking’ indien de schenking niet is uitgevoerd. Van uitvoering is sprake indien de verbintenis wordt nagekomen, hetgeen niet aan de orde zal zijn bij voorwaardelijke verbintenissen of verbintenissen onder tijdsbepaling, maar wel kan spelen bij een onvoorwaardelijke verbintenis die verplicht tot een voorwaardelijke overdracht. Ook het vorderbaar zijn van de prestatie kan gezien worden als uitvoering. Ook al strekt de verbintenis slechts tot overdracht onder opschortende voorwaarde, dan neemt dit niet weg dat de prestatie onmiddellijk vorderbaar is. Bij voorwaardelijke verbintenissen of verbintenissen onder opschortende tijdsbepaling kan van vorderbaar niet gesproken worden.
Is er niet nagekomen én is de prestatie niet vorderbaar dan moet vervolgens de vraag gesteld worden of de strekking van dien aard is dat een schenking of gift in de zin art. 7:177 BW aan de orde is. Pas in dit stadium komt uitleg aan de orde.
De in de notariële praktijk gebruikelijke ‘papieren schenkingen’ zijn geen ‘strekkings-schenkingen’ en zijn daaromvormvrij.
Voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een redelijke tegenprestatie in de zin van art. 4:126 lid 2 onder a BW dient de waarde in het economische verkeer als uitgangspunt te worden gehanteerd. De omstandigheden van het geval kunnen als het ware de daadwerkelijk verrichte tegenprestatie verhogen. Dit uitgangspunt is in overeenstemming met het feit dat de quasi-legatenregeling een regeling is in het kader van de bescherming van diverse schuldeisers. Het is geen faciliteit voor bedrijfsopvolgers. Zie par. 3.3.3 van dit hoofdstuk. Bij een legaat (tegen inbreng) wordt immers ook voor de inkorting en vermindering met de maatstaf ‘waarde in het economische verkeer’ gemeten. Voor wat betreft de legitieme (inkorting) zou ik het niet als een bezwaar ervaren als de ‘rechtssfeerwaarde’ een redelijke tegenprestatie zou blijken te vormen. Voor wat betreft de vermindering zie ik dit wel als een bezwaar.
In par. 3.2.2 van dit hoofdstuk werd geconstateerd dat ook indien een beding met zich brengt dat een schuld ten laste van de nalatenschap ontstaat, een quasi-legaat aan de orde kan zijn. De strekking van de quasi-legatenregeling, te weten het streven naar een zuivere rangorde tussen de verschillende soorten schuldeisers, noopt tot deze conclusie. Het verdient aanbeveling dit te verduidelijken in de wettekst. Deze visie heeft als gevolg dat huwelijksvermogensrechtelijke bedingen onder omstandigheden kunnen worden gezien als een quasi-legaat. Zie par. 3.5 van dit hoofdstuk.
Het overgangsrecht, in het bijzonder ten aanzien van de quasi-legaten van art. 4:126 lid 2 onder a BW, is onaanvaardbaar, in strijd met de rechtszekerheid en vormt een aantasting van verkregen rechten. Er is in ieder geval te weinig begrip getoond voor onder het oude erfrecht bestaande, veel geadviseerde – zelfs door de Hoge Raad gesanctioneerde – constructies die bepaalde zekere posities voor partijen opleverden. Een oud kanscontract geeft niet meer de volledige zekerheid die partijen mochten verwachten. Dit kan niet door de beugel. Ik verwijs naar par. 1.15 van dit hoofdstuk.
De schenkingen ter zake des doods en ook de andere overeenkomsten werkend bij overlijden, of deze nu quasi-legaat zijn of niet, vormen het quasierfrecht. Aan dit quasi-erfrecht kunnen zogewenst de bindende elementen worden gekoppeld die het erfrecht ontbeert.