Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/14.2
14.2 De gebieden van strafrechtelijke samenwerking in de EU
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS455783:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie nader P. Craig, The Lisbon Treaty. Law, Politics, and Treaty Reform, Oxford: Oxford University Press 2010, p. 363 e.v.
Daarnaast somt art. 82, tweede lid, VWEU als onderwerpen waar minimumvoorschriften betrekking op kunnen hebben op: ‘c) de rechten van slachtoffers van misdrijven’ en ‘d) andere specifieke elementen van de strafvordering, die door de Raad vooraf bij besluit worden bepaald’. Voor de aanneming van een besluit als bedoeld onder d) is eenparigheid van stemmen vereist en dient eerst goedkeuring te worden verkregen van het Europees Parlement. Uit het gebruik van de term ‘andere specifieke elementen’ is op te maken dat algehele minimumharmonisatie is uitgesloten. In artikel 83 wordt voorts een grondslag gegeven voor materieelrechtelijke harmonisatie. Nadere bespreking van deze onderwerpen zal achterwege blijven vanwege het voor het onderwerp van dit onderzoek ondergeschikte belang ervan.
Resolutie van de Raad van 30 november 2009, 30 november 2009, PbEU 2009, C 295/1.
In verband met die vragen is het van belang nader te bezien waartoe de maatregelen op het gebied van de justitiële samenwerking in strafzaken strekken. De verdere inhoud van artikel 82, eerste lid, VWEU is daarvoor bepalend:1
‘Het Europees Parlement en de Raad stellen, volgens de gewone wetgevingsprocedure, maatregelen vast die ertoe strekken:
regels en procedures vast te leggen waarmee alle soorten vonnissen en rechterlijke beslissingen overal in de Unie erkend worden;
jurisdictiegeschillen tussen de lidstaten te voorkomen en op te lossen;
de opleiding van magistraten en justitieel personeel te ondersteunen;
in het kader van strafvervolging en tenuitvoerlegging van beslissingen de samenwerking tussen de justitiële of gelijkwaardige autoriteiten van de lidstaten te bevorderen.’
In het tweede lid van artikel 82 VWEU wordt de mogelijkheid geschapen tot het vaststellen van minimumvoorschriften, maar slechts ‘[v]oor zover nodig ter bevordering van de wederzijdse erkenning van vonnissen en rechterlijke beslissingen en van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken met een grensoverschrijdende dimensie’ (mijn cursivering, TK). Ook dient daarbij rekening te worden gehouden ‘met de verschillen tussen de rechtstradities en rechtsstelsels van de lidstaten’.
Dergelijke minimumvoorschriften zijn gelet op het voorgaande geen doel op zich, maar deze moeten nodig zijn ter bevordering van wederzijdse erkenning en van de politiële en justitiële samenwerking in grensoverschrijdende strafzaken. In het licht van het vertrouwensbeginsel is interessant dat in datzelfde artikellid is bepaald dat minimumharmonisatie betrekking heeft op onder meer de wederzijdse toelaatbaarheid van bewijs tussen de lidstaten (onder a) en de rechten van personen in de strafvordering (onder b).2 De gedachte achter deze grondslag voor minimumvoorschriften kan juridischtechnisch worden verwoord: door minimumharmonisatie groeien de diverse rechtsstelsels naar elkaar toe hetgeen wederzijdse erkenning vergemakkelijkt, maar kan ook in het teken worden gezet van interstatelijk vertrouwen: door minimumvoorschriften met betrekking tot de toelaatbaarheid van bewijs en procedurele waarborgen wordt het vertrouwen dat autoriteiten van de ene lidstaat hebben in het rechtssysteem van de andere vergroot. In de considerans van de resolutie van de Raad over een routekaart ter versterking van procedurele rechten van verdachten en beklaagden in strafprocedures,3 welke later inhoudelijk wordt besproken, gebeurt dit bijvoorbeeld expliciet. Niet alleen wordt daar gesteld dat Unierechtelijke procedurele waarborgen dienen tot het versterken van wederzijds vertrouwen binnen de Europese Unie (onder (8)), ook wordt gewezen op de breed gedeelde conclusie ‘dat het wederzijds vertrouwen tussen de justitiële autoriteiten moet worden versterkt’. Maatregelen op het gebied van minimumharmonisatie van met name procedurele rechten worden derhalve expliciet in het teken gezet van het vergroten van wederzijds vertrouwen, hetgeen nodig is met het oog op het beginsel van wederzijdse erkenning. Dit verband tussen wederzijdse erkenning en wederzijds vertrouwen en de noodzaak om dat vertrouwen te vergroten om de werking van het beginsel van wederzijdse erkenning te vergemakkelijken, wordt later uitgediept. Aan de hand van de diverse beleidsstukken die op JBZ-terrein tot stand zijn gekomen, wordt dan vastgesteld welke onderwerpen door de EU-instellingen op de (wat hier wordt genoemd) ‘vertrouwensagenda’ zijn geplaatst.
Op deze plaats is het wel al nuttig op te merken dat het institutionele kader gelet op het voorgaande een zekere interne spanning kent. Enerzijds wordt immers gecodificeerd dat het beginsel van wederzijdse erkenning, welk beginsel het bestaan van onderling vertrouwen veronderstelt, de basis is van de justitiële samenwerking in strafzaken, terwijl anderzijds het institutionele kader een grondslag biedt voor EU-optreden teneinde het onderling vertrouwen te vergroten.