NJB 2024/2534:Cassatie in het belang van de wet over de uitleg van het gezichtspunt ‘de aard van het misdrijf’ als bedoeld in art. 2 lid 1, aanhef en onder b, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. De aard van het misdrijf kan aanleiding geven om het bevel dat van een veroordeelde celmateriaal wordt afgenomen ten behoeve van het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel, achterwege te laten, als het gaat om een type misdrijf waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing. Daarbij gaat het er niet om of, gelet op de manier waarop de veroordeelde het concreet door hem gepleegde delict heeft uitgevoerd, celmateriaal is aangetroffen of had kunnen worden aangetroffen. Bepalend is of sprake is van een type misdrijf waarvoor in het algemeen moet worden aangenomen dat bij de opsporing daarvan DNA-onderzoek niet of slechts bij hoge uitzondering een rol kan spelen. De Hoge Raad zet de kaders voor deze abstracte beoordeling en verdere uitgangspunten bij de toepassing van voormelde bepaling uiteen.