AB 2004, 52
Recht op toegang tot een rechterlijke instantie met een toereikende bevoegdheid om in een zaak te kunnen beslissen; mate waarin een rechter zich mag baseren op een bestuurlijk oordeel: feiten die wezenlijk zijn voor de beslissing van het geschil moeten onderdeel van de rechterlijke beoordeling kunnen uitmaken.
EHRM 13-02-2003, ECLI:CE:ECHR:2003:0213JUD004963699, m.nt. B.W.N. de Waard
- Instantie
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
- Datum
13 februari 2003
- Magistraten
Baka, Costa, Jörundsson, Loucaides, Bîrsan, Ugrekhelidze, Mularoni
- Zaaknummer
49636/99
- Noot
B.W.N. de Waard
- LJN
AO4060
- JCDI
JCDI:ADS869139:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Onbekend (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Bestuursrecht algemeen (V)
- Brondocumenten
ECLI:CE:ECHR:2003:0213JUD004963699, Uitspraak, Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 13‑02‑2003
- Wetingang
EVRM art. 6 lid 1
Essentie
Recht op toegang tot een rechterlijke instantie met een toereikende bevoegdheid om in een zaak te kunnen beslissen; mate waarin een rechter zich mag baseren op een bestuurlijk oordeel: feiten die wezenlijk zijn voor de beslissing van het geschil moeten onderdeel van de rechterlijke beoordeling kunnen uitmaken.
Samenvatting
De Franse Raad van State heeft het beroep van verzoekster tegen de weigering haar Algerijnse artsexamen te erkennen afgewezen. Daarbij heeft de Raad van State zijn eigen jurisprudentie gevolgd, waarbij hij, bij de beantwoording van de vraag of de betreffende verdragen toepasselijk waren, zich geheel heeft verlaten op het oordeel ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.