NJ 2006, 251
Ontvankelijkheidsbeslissing. Klacht over beweerdelijke schending van het recht op leven van art. 2 EVRM. Klagers, de ouders van een 14-jarige jongen die bij een treinongeval om het leven komt, menen dat de staat, dan wel de staatsspoorwegmaatschappij SNCF onvoldoende maatregelen heeft genomen om het leven van hun zoon te beschermen. Volgens het Hof rust op de staat geen positieve verplichting om onvoorzichtige reizigers te beschermen. Klacht kennelijk ongegrond.
EHRM 01-03-2005, ECLI:CE:ECHR:2005:0301DEC006986901
- Instantie
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
- Datum
1 maart 2005
- Magistraten
J.-P. Costa, I. Cabral Barreto, V. Butkevych, M. Ugrekhelidze, E. Fura-Sandström, D. Jočienè
- Zaaknummer
69869/01
- LJN
AT7354
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Internationaal belastingrecht / Algemeen
EU-recht (V)
- Brondocumenten
ECLI:CE:ECHR:2005:0301DEC006986901, Uitspraak, Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 01‑03‑2005
- Wetingang
Essentie
Ontvankelijkheidsbeslissing. Klacht over beweerdelijke schending van het recht op leven van art. 2 EVRM. Klagers, de ouders van een 14-jarige jongen die bij een treinongeval om het leven komt, menen dat de staat, dan wel de staatsspoorwegmaatschappij SNCF onvoldoende maatregelen heeft genomen om het leven van hun zoon te beschermen. Volgens het Hof rust op de staat geen positieve verplichting om onvoorzichtige reizigers te beschermen. Klacht kennelijk ongegrond.
Samenvatting
Het Hof memoreert dat het recht op leven van art. 2 EVRM met zich brengt dat de staat actief dient op te treden om het ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.