Grensoverschrijdende overgang van onderneming
Einde inhoudsopgave
Grensoverschrijdende overgang van onderneming (MSR nr. 69) 2015/7.2.4:7.2.4 Conclusie
Grensoverschrijdende overgang van onderneming (MSR nr. 69) 2015/7.2.4
7.2.4 Conclusie
Documentgegevens:
Mr. I.A. Haanappel-van der Burg, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
Mr. I.A. Haanappel-van der Burg
- JCDI
JCDI:ADS432192:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Arbeidsrecht / Collectief arbeidsrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de verhouding tussen Ingmar en Unamar uitgebreid: Lüttringhaus 2014, p. 146-152, Kuipers & Vlek 2014, p. 198-206 en van Hoek 2014, p. 456-475.
Van een nationale kop is sprake indien een lidstaat bij de omzetting van Europese regelgeving verder gaat dan strikt genomen op grond van de Europese regelgeving noodzakelijk is.
van Hoek 2014, p. 474.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit het Ingmar-arrest kan worden afgeleid dat in verhouding tot derde landen de dwingende bepalingen in nationale implementatiewetgeving van de richtlijn overgang van onderneming als voorrangsregels toepassing claimen wanneer sprake is van een nauwe band met de gemeenschap, terwijl uit het Unamar-arrest kan worden afgeleid dat in intra-EU gevallen de richtlijnbescherming in beginsel deel uitmaakt van het door de conflictregels aangewezen recht (de lex causae).1 Wanneer de richtlijn overgang van onderneming in de betrokken lidstaten correct is omgezet heeft het Europese recht geen voorkeur voor het ene boven het andere recht. In verhouding tot andere lidstaten is de in een nationale implementatiewetgeving opgenomen ‘nationale kop’2 van de richtlijn overgang van onderneming slechts als voorrangsregel te beschouwen als de wetgever van die lidstaat het bij omzetting van de richtlijn van fundamenteel belang heeft geacht de werknemer een ruimere bescherming te bieden dan die waarin de richtlijn overgang van onderneming voorziet. Er bestaat derhalve een fundamenteel verschil tussen de interne werking van de richtlijn overgang van onderneming (deel van de lex causae, mits correct geïmplementeerd) en de externe werking daarvan (zo nodig als voorrangsregel).3 De toepassing van dit type voorrangsregels is voorwaardelijk, namelijk afhankelijk van de inhoud van het overigens van toepassing zijnde recht.
De territoriale-werkingssfeerbepaling van de richtlijn overgang van onderneming geeft intra-EU geen antwoord op conflictenrechtelijke vragen, maar extern (richting derde landen) bevat het een resultaatsverplichting die – gelet op het Unamar-arrest – lijkt op een voorrangsregel. Voor het vaststellen van het toepasselijke recht op de overgang van onderneming moet derhalve worden teruggevallen op de Rome I-Verordening.