NJB 2025/312
Vordering benadeelde partij van immateriële schade, art. 51f Sv jo art. 6:106 BW: in casu ontoereikende motivering van de (gedeeltelijke) toewijzing van de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de benadeelde partij, nu uit de overwegingen van het hof niet kan worden afgeleid op welke in art. 6:106 BW vermelde grond en op welke door het hof vastgestelde omstandigheden het hof de toewijzing van dit deel van de vordering van de benadeelde partij heeft gebaseerd. Dat brengt mee dat ook de oplegging van de in art. 36f Sr voorziene maatregel niet in stand kan blijven.
HR 28-01-2025, ECLI:NL:HR:2025:96
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
28 januari 2025
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, T. Kooijmans, C.N. Dalebout
- Zaaknummer
23/02098
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:96, Uitspraak, Hoge Raad, 28‑01‑2025
ECLI:NL:PHR:2024:1206, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 19‑11‑2024
- Wetingang
(art. 51f Sv; art. 36f Sr; art. 6:106 BW)
Essentie
Vordering benadeelde partij van immateriële schade, art. 51f Sv jo art. 6:106 BW: in casu ontoereikende motivering van de (gedeeltelijke) toewijzing van de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de benadeelde partij, nu uit de overwegingen van het hof niet kan worden afgeleid op welke in art. 6:106 BW vermelde grond en op welke door het hof vastgestelde omstandigheden het hof de toewijzing van dit deel van de vordering van de benadeelde partij heeft gebaseerd. Dat brengt mee dat ook de oplegging van de in art. 36f Sr voorziene maatregel ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.