Einde inhoudsopgave
Faillissementspauliana, Insolvenzanfechtung & Transaction Avoidance in Insolvencies (R&P nr. InsR1) 2010/4.2.3.3.1
4.2.3.3.1 Wetenschap van faillissementsaanvraag
mr. R.J. de Weijs, datum 15-03-2010
- Datum
15-03-2010
- Auteur
mr. R.J. de Weijs
- JCDI
JCDI:ADS405718:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Insolventierecht / Faillissement
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover HR Loeffen q.q./Mees & Hope II. In dit arrest stelt de Hoge Raad dat artikel 47 Fw een onweerlegbaar vermoeden van kwader trouw bevat. Zie terecht kritisch over deze toevoeging Van Schilfgaarde in zijn NJ -noot onder dit arrest. Voldoende is het om te stellen dat er geen tegenbewijs mogelijk is. Er bestaat geen reden waarom geoordeeld zou moeten worden dat daarmee ook gegeven zou zijn dat de wederpartij te kwader trouw heeft gehandeld. Voldoende is dat hij niet te goeder trouw heeft gehandeld in zijn relatie tot de medeschuldeisers.
Rechtbank Roermond 20 juni 1991, NJ 1992, 242 overwoog dat het niet vereist is dat de wederpartij bekend was met de aanvraag die uiteindelijk tot het faillissement heft geleid. Zie verder Faber, Verrekening, p. 339.
HR 16 juni 2000, JOR 2000/201 (Van Dooren q.q./ABN AMRO I). 'Hetgeen hiervoor is overwogen brengt met zich mee dat er geen grond is om de voldoening aan een opeisbare verbintenis tot het verstrekken van hypotheek buiten de aan artikel 47 Fw ontleende gronden nietig te verklaren op de in artikel 54 Fw vervatte grond dat de hypotheekhouder niet te goeder trouw heeft gehandeld.'
HR 29 juni 2001, JOR 2001/220 (Meijs q.q./Bank of Tokyo).
De eerste mogelijkheid om op grond van artikel 47 Fw verplichte rechtshandelingen te vernietigen is dat de schuldeiser op het moment dat deze voldaan werd wist dat het faillissement reeds was aangevraagd. Opvallend is dat in dit geval geen rol is weggelegd voor subjectieve elementen aan de zijde van de schuldenaar. De enkele wetenschap van de wederpartij van de faillissementsaanvraag is voldoende. Artikel 47 Fw kent niet de mogelijkheid van tegenbewijs, in de zin dat de wederpartij te goeder trouw heeft gehandeld1 of dat deze goede gronden zou hebben gehad om te menen dat de faillissementsaanvraag ofwel zou worden ingetrokken ofwel zou worden afgewezen. Vereist is dat de wederpartij wetenschap had van een aanvraag die aanhangig was op het moment dat de wederpartij betaling ontving. In het geval van meerdere aanvragen is het niet vereist dat het faillissement ook is uitgesproken op die aanvraag.2
De Hoge Raad past deze vernietigingsgrond zeer restrictief toe. Uit het arrest Van Dooren q.q./ABN AMRO (I) volgt dat onvoldoende is dat de wederpartij weet dat een faillissement is te verwachten.3 De Hoge Raad bevestigde de regel uit Van Dooren q.q./ABN AMRO (I) in het arrest Meijs q.q./Bank of Tokyo Mitsubishi.4 In dit laatste arrest oordeelde de Hoge Raad nog dat artikel 47 Fw ook niet van toepassing is in gevallen waarin de wederpartij wist dat het faillissement 'onontkoombaar' was.