Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/2.6.1
2.6.1 Categorieën procespartijen
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS363601:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Er is een klein verschil tussen enquêtegerechtigden en belanghebbenden die tevens verzoeker zijn en enquêtegerechtigden en belanghebbenden die dat niet zijn. Verzoekers die op niet redelijke gronden een enquêteverzoek doen kunnen worden veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding of de kosten van de enquête. Art. 2:350 lid 2 BW en art. 2:354 BW. Dit kan echter buiten beschouwing blijven in dit onderzoek. Dat betekent dat de verzoeker verder geen afzonderlijke bespreking behoeft.
Zie HR 25 juni 2010, NJ 2010, 370, JOR 2010/226 m.nt. Van Solinge (e-Traction I).
Art. 2:346 lid 2 BW.
In de enquêteprocedure zijn categorieën partijen te onderscheiden met elk hun eigen positie. Er is in ieder geval sprake van drie categorieën, maar mogelijk vier of vijf.
Ten eerste zijn er de partijen die aan Afdeling 2 van Titel 8 van Boek 2 BW bepaalde rechten kunnen ontlenen. Deze partijen zal ik hierna “enquêtegerechtigden” noemen en ik zal in het verlengde daarvan de woorden “enquêtegerechtigd” en “enquêtegerechtigdheid” gebruiken.
Ten tweede zijn er belanghebbenden. Het verschil in bevoegdheden tussen enquêtegerechtigden en belanghebbenden is klein en spitst zich toe op de mogelijkheid om een procedure in te leiden (zie par. 2.6.2.1 en 2.6.3.1).
Ten derde zijn er partijen die in het kader van de enquête een verzoek indienen. Deze worden als “verzoeker” aangeduid. Los van de hier buiten beschouwing blijvende gevallen dat sprake is van niet-ontvankelijkheid of een verzoek van een met het enquêteonderzoek belaste persoon, is een verzoeker altijd een enquêtegerechtigde, of een belanghebbende.1
Een vierde categorie wordt mogelijk gevormd door de rechtspersoon die voorwerp is van de enquête. Deze wordt in de beschikkingen van de ondernemingskamer aangeduid met “verweerder”, of ook wel met “gerekwestreerde”. Het feit, dat een partij als verweerder wordt aangemerkt, bepaalt op welke rechtspersoon de enquêteprocedure van toepassing is en speelt ook een rol in het bepalen van de rechtsmacht van de ondernemingskamer.2 Echter, het is mij onduidelijk in welke opzichten de processuele positie van een verweerder verschilt van een enquêtegerechtigde of belanghebbende. Sterker nog, zoals hierna ter sprake komt in par. 2.7 betreft de enquêteprocedure een verzoekschriftprocedure, terwijl de wettelijke regeling ten aanzien van de verzoekschriftprocedure slechts een onderscheid maakt tussen de verzoeker en de belanghebbenden (die zich kunnen verweren door een verweerschrift in te dienen). Dat betekent dat ook de verweerder verder geen afzonderlijke bespreking behoeft.
Een andere mogelijke categorie wordt gevormd door de door de ondernemingskamer tijdelijk aangestelde bestuurders, commissarissen en beheerders. Hun bijzondere positie vloeit voort uit het feit dat zij door de ondernemingskamer zijn benoemd. Dergelijke functionarissen zijn in de regel enquêtegerechtigd en belanghebbende. De enquêtegerechtigdheid van een tijdelijke beheerder volgt uit zijn aandelenbezit, terwijl een vertegenwoordigingsbevoegd bestuurder namens de rechtspersoon een enquêteverzoek kan doen. Indien een tijdelijk aangestelde commissaris de enige (niet-geschorste) commissaris is, kan deze dat ook namens de raad van commissarissen.3 Hierop wordt in par. 2.6.4 teruggekomen.
Voorstelbaar is dat tijdelijk door de ondernemingskamer aangestelde functionarissen in uitzonderlijke gevallen niet kwalificeren als enquêtegerechtigden en/of belanghebbende. In dat geval kunnen dergelijke functionarissen niet optreden als partij in de enquêteprocedure.