Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/6.6
6.6 Financiering door een belanghebbende
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652170:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 6 juni 2003 (r.o. 3.3.2), NJ 2003/486, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 2003/161, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Scheipar). Zie voor een overzicht van door de Ondernemingskamer aangemerkte belanghebbenden Blok & Makkink 2022, p. 381 e.v.
OK 18 oktober 2018 (r.o. 1.11; 1.12; 2.2), ARO 2019/10 (Prien en Gravier). Zie ook OK 7 juli 2020 (r.o. 1.10; 1.11; 3.2), ARO 2020/152 (Prien en Gravier).
OK 25 juli 2019 (r.o. 3.8), JOR 2020/30, m.nt. W.M. Smelt (Prien en Gravier).
OK 14 maart 2022 (r.o. 1.3; 2.3), ARO 2022/76 (Golfcenter).
OK 5 november 2013 (r.o. 3.8), ARO 2014/1 (Medisch Centrum De Baronie).
OK 7 december 2020 (r.o. 2.32), JOR 2021/60, m.nt. D.J.F.F.M. Duynstee (HotShots).
OK 6 januari 1994 (r.o. 3.3), NJ 1995/119 (Text Lite).
OK 2 november 1995 (r.o. 1.3; 4.15), JOR 1996/000, m.nt. F.J.P. van den Ingh (Text Lite).
Evengoed als financiering van de kosten van de enquêteprocedure door de enquêteverzoeker, wordt financiering door een belanghebbende bij de enquêteprocedure toegelaten. In de Scheipar-beschikking heeft de Hoge Raad voor het enquêterecht de volgende invulling gegeven aan het belanghebbendebegrip van art. 282 lid 1 Rv:
‘Bij de beoordeling van het onderdeel moet worden vooropgesteld dat in art. 282 lid 1 niet in het algemeen is aangegeven wie tot de belanghebbende in de zin van deze bepalingen zijn te rekenen, en dat dit uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen moet worden afgeleid (vgl. HR 25 oktober 1991, rek. nr. 7932, NJ 1992, 149). Bij de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is, zal een rol spelen in hoeverre deze door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen.’1
Een belanghebbende in de eerste of tweede fase van de enquêteprocedure is overigens niet noodzakelijk ook belanghebbende bij de toegang tot het onderzoeksverslag. Financiert een belanghebbende direct of indirect (een deel van) de kosten van het onderzoek, dan maakt dat hem mijns inziens echter ook steeds belanghebbende bij de toegang tot en gebruikmaking van het onderzoeksverslag. Zie hierover nader par. 8.5.2.
Uit de jurisprudentie zijn enkele voorbeelden van vrijwillige financiering van de kosten van de enquêteprocedure door een belanghebbende bekend. Zo toonde een belanghebbende in Prien en Gravier zich vrijwillig bereid de kosten van het onderzoek te financieren.2 In een latere beschikking in dezelfde enquêteprocedure overwoog de Ondernemingskamer in de omstandigheden van het geval onvoldoende aanleiding te zien om, in afwijking van de wettelijke regeling dat de rechtspersoon de kosten van OK-functionarissen financiert, een andere belanghebbende – de enig aandeelhouder in de belanghebbende die de kosten van het onderzoek financiert – een bevel tot zekerheidstelling voor de beloning van OK-functionarissen te geven. De Ondernemingskamer overwoog dat de OK-bestuurder moet worden geacht op andere wijze op afzienbare termijn fondsen binnen de geënquêteerde rechtspersonen te verwerven. De verkoop van het pand van een dochtervennootschap en een met de 50%-aandeelhouder getroffen regeling tot betaling van zijn (indirecte) schulden aan de rechtspersoon zou volgens de Ondernemingskamer voldoende soelaas moeten bieden.3
In Golfcenter verzocht de enquêteverzoeker de Ondernemingskamer te bepalen dat, als de liquide middelen van de geënquêteerde rechtspersoon onvoldoende zijn om de kosten van het onderzoek te betalen, de enquêteverzoeker en een belanghebbende in gelijke mate in die liquide middelen zullen moeten (doen) voorzien. De Ondernemingskamer had de geënquêteerde rechtspersoon eerder verplicht de kosten van het onderzoek te financieren. De liquiditeitspositie van de geënquêteerde rechtspersoon stond volgens de OK-bestuurder onder druk, en er waren onvoldoende middelen beschikbaar om de kosten van het onderzoek te financieren. De Ondernemingskamer zag hierin echter geen aanleiding om te beschikken zoals verzocht. Zij overwoog dat voor het geval de geënquêteerde rechtspersoon niet in staat is de kosten van het onderzoek te financieren, het voor de hand ligt dat de enquêteverzoeker een voorschot voor deze kosten betaalt. Verder bestond er een huurachterstand van een dochtervennootschap van de enquêteverzoeker. De Ondernemingskamer overwoog dat aflossing van die schuld er waarschijnlijk toe leidt dat de geënquêteerde rechtspersoon zelf de kosten van het onderzoek kan financieren.4
In Medisch Centrum De Baronie zegde een belanghebbende financiering van de kosten van de enquêteprocedure toe, tot een bedrag van € 50.000. De Ondernemingskamer overwoog hier:
‘Gelet op de (slechte) financiële positie van MC De Baronie heeft Albayrak desgevraagd ter terechtzitting toegezegd dat hij ten behoeve van MC De Baronie het voorschot op de kosten van het onderzoek en het voorschot op de kosten van de te benoemen bestuurder met een gezamenlijke maximale hoogte van € 50.000 (exclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting), zal betalen. De overige partijen, waaronder uitdrukkelijk de leden van de maatschap Markenhage, hebben ter zitting verklaard dat zij Albayrak zekerheid verschaffen voor de terugbetaling van dit voorschot door de vennootschap in de vorm van het vestigen van een tweede hypotheekrecht op het pand waarin de kliniek gevestigd is (partijen genoegzaam bekend). Daarbij zijn partijen tevens overeengekomen dat de desbetreffende vordering op de vennootschap tot terugbetaling pas opeisbaar wordt en de zekerheid pas uitgewonnen kan worden op het moment van deponering van het onderzoeksverslag of op het moment dat het onderzoek op andere wijze eindigt, en voorts in het geval en op het moment dat het in zekerheid gegeven goed door een andere crediteur wordt uitgewonnen.’5
In HotShots financierde een belanghebbende indirect de kosten van de enquêteprocedure. Ter voldoening van een vonnis in een bodemprocedure betaalde een belanghebbende € 200.000 of € 210.000 uit de verkoopopbrengst van zijn woning aan de rechtspersoon.6 De Ondernemingskamer verplichtte de belanghebbende daartoe niet.
In Text Lite stelde belanghebbende VEH f 25.000 in de vorm van een achtergestelde lening beschikbaar aan de curator, ter financiering van de kosten van het onderzoek.7 De curator trad op als directe financier, en verzocht later ook verhaal van de kosten van het onderzoek op de voet van art. 2:354 BW.8
Het komt ook wel voor dat een belanghebbende een deel van de kosten van de enquêteprocedure financiert, en een ander deel van de kosten van de enquêteprocedure wordt gefinancierd door de enquêteverzoeker of door de curator van de failliete geënquêteerde rechtspersoon. Zie voor enkele voorbeelden hiervan par. 6.5.4 en par. 6.7.5.