NJ 1930, p. 979
Art. 42 jis artt. 43 en 238 Fw. Nietigheid van cessies binnen 40 dagen vóór het verleenen van surséance gedaan, welke surséance ls gevolgd door faillietverklaring. Bewijslast. Uitlegging van hetgeen tusschen partijen is overeengekomen.
HR 31-01-1930, ECLI:NL:HR:1930:318
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
31 januari 1930
- Magistraten
Mrs. Fentener van Vlissingen, Kosters, Schepel, Kirberger, Polak
- Zaaknummer
[31011930/NJ_1930,_p._979]
- Conclusie
Conclusie van den Adv.-Gen. Van Lier.
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1930:318, Uitspraak, Hoge Raad, 31‑01‑1930
- Wetingang
Essentie
Art. 42 jis artt. 43 en 238 Fw. Nietigheid van cessies binnen 40 dagen vóór het verleenen van surséance gedaan, welke surséance ls gevolgd door faillietverklaring. Bewijslast. Uitlegging van hetgeen tusschen partijen is overeengekomen.
Samenvatting
De curatoren, de nietigheid der cessies inroepend, hadden de door hen gestelde benadeeling van den faillieten boedel te bewijzen. De grief dat het Hof zulks zou hebben miskend door de curatoren van den op hen rustenden bewijslast te ontheffen, is ongegrond.
Tegen de uitlegging door het Hof gegeven aan hetgeen tusschen partijen is overeengekomen kan in cassatie niet met vrucht worden opgekomen. ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.