Hof Amsterdam, 22-12-2017, nr. 200.200.490/01 OK
ECLI:NL:GHAMS:2017:5433
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
22-12-2017
- Zaaknummer
200.200.490/01 OK
- Roepnaam
Parlevliet Beheer
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2017:5433, Uitspraak, Hof Amsterdam, 22‑12‑2017; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:GHAMS:2017:5251, Uitspraak, Hof Amsterdam, 27‑11‑2017; (Eerste aanleg - meervoudig)
Uitspraak, Hof Amsterdam, 25‑10‑2017; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:GHAMS:2017:1894, Uitspraak, Hof Amsterdam, 18‑05‑2017; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:GHAMS:2017:1799, Uitspraak, Hof Amsterdam, 16‑05‑2017; (Eerste aanleg - meervoudig)
- Wetingang
art. 350 Burgerlijk Wetboek Boek 2
art. 353 Burgerlijk Wetboek Boek 2
art. 350 Burgerlijk Wetboek Boek 2
- Vindplaatsen
Uitspraak 22‑12‑2017
Inhoudsindicatie
OK; enquêterecht; vergoeding van de onderzoeker
Partij(en)
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.200.490/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 22 december 2017
inzake
[A] ,
wonende te [....] ,
VERZOEKER,
advocaat: mr. M.C. Schepel, kantoorhoudende te Den Haag,
t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[B] ,
gevestigd te [....] ,
VERWEERSTER,
advocaat: voorheen mr. H.J.M. van Schie, kantoorhoudende te Haarlem, thans geen,
e n t e g e n
1. [C] ,
2. [D],
beiden wonende te [....] ,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[E] ,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[F] ,
beide gevestigd te [....] ,
BELANGHEBBENDEN,
verschenen in persoon.
1. Het verloop van het geding
1.1
In het vervolg zullen partijen, belanghebbenden en andere (rechts)personen (ook) als volgt worden aangeduid:
- -
verweerster met DPB;
- -
[C] met [C] ;
- -
[F] met PPB.
1.2
Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen van 16 en 18 mei 2017 en 27 november 2017 in de zaak met zaaknummer 200.200.490/01 OK en de beschikking van de raadsheer-commissaris van 25 oktober 2017 in de zaak met zaaknummer 200.200.490/02 OK.
1.3
Bij de beschikking van 16 mei 2017 heeft de Ondernemingskamer – voor zover thans van belang – een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van DPB over de periode vanaf 1 januari 2014, een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon benoemd teneinde het onderzoek te verrichten, het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vastgesteld op € 35.000, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen, en bepaald dat de kosten van het onderzoek ten laste komen van DPB. Tevens is bij die beschikking mr. A.J. Wolfs benoemd tot raadsheer-commissaris, zoals bedoeld in artikel 2:350 lid 4 BW.
Bij de beschikking van 18 mei 2017 is mr. F.D. Stibbe te Amsterdam (hierna: de onderzoeker) aangewezen als onderzoeker zoals bedoeld in de beschikking van 16 mei 2017.
1.4
Op 22 november 2017 heeft de onderzoeker het verslag met bijlagen van het in 1.3 bedoelde onderzoek aan de Ondernemingskamer doen toekomen.
1.5
Met het oog op de vaststelling van diens vergoeding heeft de onderzoeker in de begeleidende brief bij het onderzoeksverslag, met specificatie van de aan het onderzoek bestede uren, de Ondernemingskamer verzocht de kosten voor het onderzoek te bepalen op € 35.000, vermeerderen met BTW.
1.6
Bij de beschikking van 27 november 2017 heeft de Ondernemingskamer bepaald dat het in 1.4 bedoelde verslag met bijlagen ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor belanghebbenden. Tevens zijn partijen daarbij in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de door de Ondernemingskamer te bepalen vergoeding van de onderzoeker, onder aanhouding van iedere beslissing daarover.
1.7
Naar aanleiding van de in 1.6 genoemde geboden gelegenheid, heeft de Ondernemingskamer op 7 december 2017 een aan de raadsheer-commissaris van de Ondernemingskamer gerichte brief ontvangen van PPB en [C] .
2. De gronden van de beslissing
Tegen het door de onderzoeker gedeclareerde bedrag aan onderzoekskosten zijn bezwaren aangevoerd in de in 1.7 genoemde brief. PPB en [C] hebben daarbij verzocht de declaratie van de onderzoeker af te wijzen in verband met de slechte kwaliteit van het onderzoek en de rapportage alsmede de urenverantwoording. De Ondernemingskamer overweegt hierover als volgt. Voor zover de onderzoeker in zijn urenspecificatie bepaalde uren niet heeft gefactureerd dan wel een lager uurtarief heeft gehanteerd dan het in diens onderzoeksopzet van 22 mei 2017 genoemde uurtarief van € 375, ziet de Ondernemingskamer niet in wat daaraan bezwaarlijk is. De overige in de brief genoemde bezwaren kunnen evenmin tot het oordeel leiden dat de onderzoekskosten vastgesteld behoren te worden op een lager bedrag dan € 35.000, te vermeerderen met btw. Dit bedrag, dat gelijk is aan het door de Ondernemingskamer bij haar beschikking van 16 mei 2017 gepaalde onderzoeksbudget, komt de Ondernemingskamer ook niet onredelijk voor. De Ondernemingskamer zal de vergoeding van de onderzoeker overeenkomstig artikel 2:350 lid 3 BW dan ook bepalen als hierna te vermelden.
3. De beslissing
De Ondernemingskamer:
bepaalt de vergoeding van de onderzoeker op € 35.000, de daarover verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.C. Makkink, voorzitter, mr. M.M.M. Tillema en mr. A.J. Wolfs, raadsheren, en drs. P.R. Baart en W. Wind, raden, in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 22 december 2017.
Uitspraak 27‑11‑2017
Inhoudsindicatie
OK; enquêterecht; het onderzoeksverslag met bijlagen ligt ter inzage voor belanghebbenden; partijen worden in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vergoeding van de onderzoeker, onder aanhouding van iedere beslissing daarover
Partij(en)
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.200.490/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 27 november 2017
inzake
[A] ,
wonende te [....] ,
VERZOEKER,
advocaat: mr. M.C. Schepel, kantoorhoudende te Den Haag,
t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[B] ,
gevestigd te [....] ,
VERWEERSTER,
advocaat: voorheen mr. H.J.M. van Schie, kantoorhoudende te Haarlem, thans geen,
e n t e g e n
1. [C] ,
2. [D],
beiden wonende te [....] ,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[E] ,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[F] ,
beide gevestigd te [....] ,
BELANGHEBBENDEN,
verschenen in persoon.
1. Het verloop van het geding
1.1
In het vervolg zal verweerster met DPB worden aangeduid.
1.2
Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen van 16 en 18 mei 2017 in de zaak met zaaknummer 200.200.490/01 OK en de beschikking van de raadsheer-commissaris van 25 oktober 2017 in de zaak met zaaknummer 200.200.490/02 OK.
1.3
Bij de beschikking van 16 mei 2017 heeft de Ondernemingskamer – voor zover thans van belang – een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van DPB over de periode vanaf 1 januari 2014, een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon benoemd teneinde het onderzoek te verrichten, het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vastgesteld op € 35.000, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen, en bepaald dat de kosten van het onderzoek ten laste komen van DPB.
Bij de beschikking van 18 mei 2017 is mr. F.D. Stibbe te Amsterdam (hierna: de onderzoeker) aangewezen als onderzoeker zoals bedoeld in de beschikking van 16 mei 2017.
1.4
Op 22 november 2017 heeft de onderzoeker het verslag met bijlagen van het in 1.3 bedoelde onderzoek aan de Ondernemingskamer doen toekomen.
1.5
Met het oog op de vaststelling van diens vergoeding heeft de onderzoeker in de begeleidende brief bij het onderzoeksverslag, met specificatie van de aan het onderzoek bestede uren, de Ondernemingskamer verzocht de kosten voor het onderzoek te bepalen op € 35.000, vermeerderen met BTW.
1.6
De griffier heeft het verslag met bijlagen heden ter griffie van de Ondernemingskamer neergelegd.
2. De gronden van de beslissing
2.1
De Ondernemingskamer heeft kennis genomen van het verslag met bijlagen van het onderzoek. Gelet op de inhoud daarvan en op de overigens in deze zaak betrokken belangen, acht de Ondernemingskamer termen aanwezig om op de voet van artikel 2:353 lid 2 BW te bepalen dat het verslag met bijlagen ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor belanghebbenden.
2.2
Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over de op de voet van artikel 2:350 lid 3 BW door de Ondernemingskamer te bepalen vergoeding van de onderzoeker.
3. De beslissing
De Ondernemingskamer:
bepaalt dat het verslag met bijlagen van het bij de beschikking van 16 mei 2017 bevolen onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van [B] , gevestigd te [....] , ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor belanghebbenden;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
stelt partijen in de gelegenheid zich uiterlijk op 7 december 2017 uit te laten over de door de Ondernemingskamer te bepalen vergoeding van de onderzoeker als bedoeld in 1.5 en 2.2 hiervoor en houdt met het oog hierop iedere beslissing over de vergoeding van de onderzoeker aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.C. Makkink, voorzitter, mr. M.M.M. Tillema en mr. A.J. Wolfs, raadsheren, en drs. P.R. Baart en W. Wind, raden, in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 27 november 2017.
Uitspraak 25‑10‑2017
Inhoudsindicatie
OK; enquêterecht; beschikking van de raadsheer-commissaris; afwijzing van het verzoek te bepalen dat verzoekers een bepaalde termijn zal worden gegund om te reageren op het concept van het onderzoeksverslag van de onderzoeker, alsook van het verzoek het onderzoek uit te breiden, bepaalde personen bij het onderzoek te betrekken en een bepaald onderwerp mee te laten wegen in het onderzoeksverslag
Partij(en)
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.200.490/02 OK
beschikking van de raadsheer-commissaris van 25 oktober 2017
inzake
[A] ,
wonende te [....] ,
VERZOEKER,
advocaat: mr. M.C. Schepel, kantoorhoudende te Den Haag,
t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[B] ,
gevestigd te [....] ,
VERWEERSTER,
advocaat: voorheen mr. H.J.M. van Schie, kantoorhoudende te Haarlem, thans geen,
e n t e g e n
1. [C] ,
2. [D],
beiden wonende te [....] ,
verschenen in persoon,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
PIETER PARLEVLIET BEHEER B.V.,
gevestigd te Katwijk,
geen advocaat,
BELANGHEBBENDEN.
1. Het verloop van het geding
1.1
In het vervolg zullen partijen, belanghebbenden en andere (rechts)personen (ook) als volgt worden aangeduid:
- -
verzoeker met [A] ;
- -
verweerster met DPB;
- -
[C] met [C] ;
- -
[D] met [D] ;
- -
de besloten vennootschap [F] met MPB.
1.2
Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen van 16 en 18 mei 2017 in de zaak met zaaknummer 200.200.490/01 OK.
1.3
Bij de beschikking van 16 mei 2017 heeft de Ondernemingskamer – voor zover thans van belang – een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van DPB over de periode vanaf 1 januari 2014, een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon benoemd teneinde het onderzoek te verrichten, alsmede, bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van het geding, [D] geschorst als bestuurder van DPB (voor zover zij niet reeds rechtsgeldig was ontslagen), een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon benoemd tot bestuurder van DPB – met beslissende stem voor zover [F] rechtsgeldig als bestuurder was benoemd –, bepaald dat deze bestuurder zelfstandig bevoegd is DPB te vertegenwoordigen en dat DPB zonder deze bestuurder niet vertegenwoordigd kan worden, en bepaald dat de bijzondere rechten verbonden aan de prioriteitsaandelen in DPB zijn opgeschort. Tevens is bij die beschikking mr. A.J. Wolfs benoemd tot raadsheer-commissaris, zoals bedoeld in artikel 2:350 lid 4 BW.
Bij de beschikking van 18 mei 2017 zijn mr. F.D. Stibbe te Amsterdam (hierna: Stibbe) en mr. J.G. Molenaar te Amsterdam (hierna: Molenaar) aangewezen als onderzoeker respectievelijk bestuurder zoals bedoeld in de beschikking van 16 mei 2017.
1.4
Op 2 oktober 2017 heeft Stibbe zijn concept van het onderzoeksverslag aan partijen verzonden, waarbij hij hun tot 16 oktober 2017 in de gelegenheid heeft gesteld om opmerkingen over de bevindingen te maken.
1.5
[C] en [D] hebben bij brief van 17 oktober 2017, die door hen is gerectificeerd bij brief van 18 oktober 2017, de raadsheer-commissaris verzocht te bepalen dat hun een termijn van zes weken zal worden gegund om te reageren op het concept van het onderzoeksverslag van Stibbe. Daarnaast hebben zij een verzoek gedaan het onderzoek uit te breiden naar de PP Groep, bepaalde personen bij het onderzoek te betrekken en een voornemen van MPB tot herstructurering mee te laten wegen in het onderzoeksverslag.
1.6
De Ondernemingskamer heeft op 20 oktober 2017 een brief ontvangen van [C] , waarin hij verzoekt om uitstel voor het geven van een reactie op het concept van het onderzoeksverslag van Stibbe tot 16 november 2017.
1.7
Stibbe heeft bij brief, met bijlagen, van 20 oktober 2017 gereageerd op het in 1.5 vermelde verzoek van [C] en [D] . Hij heeft een nadere reactietermijn gegeven tot 27 oktober 2017 en heeft kenbaar gemaakt bezwaar te hebben tegen een langere reactietermijn.
1.8
Molenaar heeft namens DPB gereageerd op het verzoek van [C] en [D] bij e-mail van 20 oktober 2017. Hij heeft zich te dien aanzien gerefereerd aan het oordeel van de raadsheer-commissaris.
1.9
Mr. Schepel voormeld heeft op 23 oktober 2017 namens [A] gereageerd op de in 1.5, 1.7 en 1.8 genoemde stukken. Volgens hem zijn [C] en [D] niet-ontvankelijk in hun verzoek, nu dit niet door tussenkomst van een advocaat is ingediend. Voor zover zij daarin wel ontvankelijk zijn, heeft [A] zich gerefereerd aan het oordeel van de raadsheer-commissaris over de verzochte nadere reactietermijn en zich inhoudelijk uitgelaten over het verzoek tot uitbreiding van het onderzoek naar de PP Groep.
2. De gronden van de beslissing
2.1
De omstandigheid dat [C] en [D] hun verzoek niet door tussenkomst van een advocaat hebben ingediend staat niet in de weg aan ontvankelijkheid daarvan: er is in een geval als het onderhavige geen sprake van verplichte procesvertegenwoordiging (Kamerstukken II 2011/12, 32 887, nr. 6 (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32887-6), p. 28).
2.2
[C] en [D] hebben ter toelichting van hun verzoek naar voren gebracht dat Stibbe hun tot uiterlijk 20 oktober 2017 de gelegenheid heeft geboden inhoudelijk commentaar te leveren op het door hem opgestelde concept van het onderzoeksverslag. Deze termijn is volgens [C] en [D] niet haalbaar. MPB – een vennootschap waarvan [C] bestuurder is en waarin DPB 25% van de gewone aandelen houdt – is verwikkeld in een bodemprocedure, waaraan in de komende drie weken zeer veel aandacht zal moeten worden besteed. Daar komt bij dat MPB Molenaar van door hem verlangde informatie dient te voorzien, hetgeen voor [C] veel tijd in beslag neemt. Het onderzoek van Stibbe heeft zaken aan het licht gebracht die vragen oproepen; het conceptverslag is niet volledig. Het is evenwel van belang dat het tot een duidelijk onderzoeksverslag komt, terwijl er geen dringende reden is om het onderzoek met spoed af te ronden, aldus [C] en [D] .
2.3
Stibbe acht het om de volgende redenen niet op zijn plaats hem de verzochte aanwijzing te geven. Hij heeft zijn concept van het onderzoeksverslag reeds op 2 oktober 2017 aan [C] en [D] doen toekomen. De te becommentariëren tekst beslaat slechts twaalf pagina’s. [C] is niet de meest gerede partij om commentaar te geven op het conceptonderzoeksverslag. [C] en [D] hanteren volgens Stibbe wisselende argumenten voor het vragen van uitstel van het geven van commentaar. Het verleende uitstel tot 27 oktober 2017 acht hij voldoende, nu het onderzoek in zijn ogen al te lang heeft geduurd en [A] belang heeft bij voortgang van de zaak, aldus Stibbe.
2.4
Mr. Schepel heeft zich namens [A] weliswaar subsidiair gerefereerd aan het oordeel van de raadsheer-commissaris wat betreft het door [C] en [D] verzochte uitstel, maar heeft de door Stibbe genoemde argumenten tegen toewijzing van de gevraagde termijnverlenging onderschreven. Wat betreft het verzoek tot uitbreiding van het onderzoek naar de PP Groep heeft mr. Schepel erop gewezen dat een enquêteverzoek met betrekking tot de PP Groep door de Ondernemingskamer is afgewezen bij haar beschikking van 28 februari 2017 (ECLI:NL:GHAMS:2017:668).
2.5
De raadsheer-commissaris oordeelt als volgt. Uitgangspunt is dat de onderzoeker vrij is in de uitvoering van de hem opgedragen taken en dat hij het onderzoek naar eigen inzicht inricht. Daarbij is voor het handelen van de onderzoeker steeds bepalend hetgeen in de gegeven omstandigheden van een bekwaam en redelijk handelend onderzoeker mag worden verwacht (zie ook punten 3.1 en 3.2 van de Aandachtspunten, aanbevelingen en suggesties voor onderzoekers in enquêteprocedures, waarin ook staat dat de onderzoeker zijn werkzaamheden met voortvarendheid verricht). Het is dan ook in beginsel aan de onderzoeker om de procedure tijdens het onderzoek te bepalen en daarin de regie te voeren. De raadsheer-commissaris ziet in hetgeen [C] en [D] naar voren hebben gebracht geen aanleiding om in afwijking van bovenstaand uitgangspunt aan de onderzoeker een aanwijzing op te leggen over de termijn waarbinnen op het concept van het onderzoeksverslag kan worden gereageerd. Bovendien komt de door Stibbe geboden reactietermijn mede gelet op de genoemde omvang van tekst waarop kan worden gereageerd, de raadsheer-commissaris niet onredelijk voor.
2.6
De raadsheer-commissaris overweegt dat voormeld uitgangspunt tevens meebrengt dat het aan de onderzoeker is te bepalen welke informatie voor het onderzoek nodig is en welke personen daartoe in het onderzoek dienen te worden betrokken. [C] en [D] hebben in verband met hun verzoek tot uitbreiding van het onderzoek geen redenen naar voren gebracht die het zouden rechtvaardigen in zoverre van dit uitgangspunt af te wijken en de onderzoeker een aanwijzing te geven. Voor zover zij evenwel met hun verzoek hebben beoogd het onderzoek door Stibbe uit te breiden met onderwerpen die vallen buiten de reikwijdte van het onderzoek zoals dat is bevolen bij de beschikking van 16 mei 2017, is dit niet vatbaar is voor toewijzing door de raadsheer-commissaris.
3. De beslissing
De raadsheer-commissaris:
wijst het verzoek van [C] en [D] af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.J. Wolfs, raadsheer-commissaris, in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof, griffier, op 25 oktober 2017.
Deze beschikking is bij ontstentenis van de raadsheer-commissaris getekend door mr. G.C. Makkink, raadsheer.
Uitspraak 18‑05‑2017
Partij(en)
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.200.490/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 18 mei 2017
inzake
[A] ,
wonende te [....] ,
VERZOEKER,
advocaat: mr. M.C. Schepel, kantoorhoudende te Den Haag,
t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[B] BEHEER B.V.,
gevestigd te [....] ,
VERWEERSTER,
advocaat: aanvankelijk mr. J.P. Koets, kantoorhoudende te Haarlem, vervolgens mr. D.J.F.F.M. Duynstee, kantoorhoudende te Amsterdam, thans mr. H.J.M. van Schie, kantoorhoudende te Haarlem,
e n t e g e n
1. [C] ,
2. [D],
beiden wonende te [....] ,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[E] BEHEER B.V.,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[F] BEHEER B.V.,
beide gevestigd te [....] ,
BELANGHEBBENDEN,
verschenen in persoon.
1. Het verloop van het geding
1.1
In het vervolg zal verweerster met [B] worden aangeduid. [D] zal worden aangeduid met [D] .
1.2
Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikking van 16 mei 2017 in deze zaak.
1.3
Bij die beschikking heeft de Ondernemingskamer - voor zover thans van belang - een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van [B] over de periode vanaf 1 januari 2014, een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon benoemd teneinde het onderzoek te verrichten, alsmede, bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van het geding, [D] geschorst als bestuurder van [B] (voor zover zij niet reeds rechtsgeldig is ontslagen), een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon benoemd tot bestuurder van [B] – met beslissende stem voor zover G.J.J. Vinkesteijn rechtsgeldig als bestuurder is benoemd –, bepaald dat deze bestuurder zelfstandig bevoegd is [B] te vertegenwoordigen en dat [B] zonder deze bestuurder niet vertegenwoordigd kan worden, en bepaald dat de bijzondere rechten verbonden aan de prioriteitsaandelen in [B] zijn opgeschort.
2. De gronden van de beslissing
De Ondernemingskamer zal thans de hierna te vermelden personen aanwijzen als onderzoeker respectievelijk bestuurder, een en ander als bedoeld in de beschikking van 16 mei 2017.
3. De beslissing
De Ondernemingskamer:
wijst aan als onderzoeker als bedoeld in de beschikking van 16 mei 2017 in deze zaak: mr. F.D. Stibbe te Amsterdam;
wijst aan als bestuurder als bedoeld in de beschikking van 16 mei 2017 in deze zaak: mr. J.G. Molenaar te Amsterdam;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.C. Makkink, voorzitter, mr. M.M.M. Tillema en mr. A.J. Wolfs, raadsheren, en drs. P.R. Baart en W. Wind, raden, in tegenwoordigheid van mr. R. Verheggen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 18 mei 2017.
Uitspraak 16‑05‑2017
Inhoudsindicatie
OK; Enquête; onderzoek bevolen en bij wijze van onmiddellijke voorzieningen bestuurder geschorst en de aan de prioriteitsaandelen verbonden bijzondere rechten voor de duur van het geding opgeschort; art. 2:349a lid2 jo 350 id 1 BW.
Partij(en)
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.200.490/01
beschikking van de Ondernemingskamer van 16 mei 2017
inzake
[A] ,
wonende te [....] ,
VERZOEKER,
advocaat: mr. M.C. Schepel, kantoorhoudende te Den Haag,
t e g e n
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[A] ,
gevestigd te [....] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[B] ,
gevestigd te [....] ,
VERWEERSTERS,
advocaat: aanvankelijk mr. J.P. Koets, kantoorhoudende te Haarlem, vervolgens mr. D.J.F.F.M. Duynstee, kantoorhoudende te Amsterdam, thans mr. H.J.M. van Schie, kantoorhoudende te Haarlem,
e n t e g e n
1. [C] ,
2. [B],
beiden wonende te [....] ,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[E] ,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[F] ,
beide gevestigd te [....] ,
BELANGHEBBENDEN,
verschenen in persoon.
1. Het verloop van het geding
1.1
In het vervolg zullen partijen, belanghebbenden en andere (rechts)personen (ook) als volgt worden aangeduid:
- -
verzoeker met [A] ;
- -
verweersters ieder afzonderlijk met [G] en [B] en gezamenlijk met [G] c.s.;
- -
[C] met [C] ;
- -
[D] met [D] .
1.2
[A] heeft bij op 5 oktober 2016 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van [G] c.s. over de periode vanaf 2008. Daarbij heeft hij tevens verzocht - zakelijk weergegeven - bij wijze van onmiddellijke voorzieningen voor de duur van het geding:
- a.
[C] te schorsen als bestuurder van [B] en een derde persoon te benoemen tot bestuurder van [B] , de prioriteitsaandelen in het kapitaal van [B] over te dragen aan een door de Ondernemingskamer te benoemen beheerder, dan wel de bijzondere daaraan verbonden rechten op te schorten, alsmede om
- b.
[D] te schorsen als bestuurder van [G] en een derde persoon te benoemen tot bestuurder van [G] , de prioriteitsaandelen in het kapitaal van [G] over te dragen aan een door de Ondernemingskamer te benoemen beheerder, dan wel de bijzondere daaraan verbonden rechten op te schorten,
- c.
althans een andere voorziening te treffen die de Ondernemingskamer juist acht,
alsmede om [B] te veroordelen in de kosten van het geding.
1.3
[G] c.s. hebben bij op 17 november 2016 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht het verzoek met betrekking tot [G] af te wijzen en [A] niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek met betrekking tot [B] , dan wel ook dit verzoek af te wijzen, en subsidiair, voor het geval de Ondernemingskamer een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van een of beide vennootschappen beveelt, de onderzoeksperiode te beperken, alsmede in alle gevallen [A] te veroordelen in de kosten van het geding.
1.4
Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 8 december 2016. Bij die gelegenheid hebben de advocaten de standpunten van de onderscheiden partijen toegelicht aan de hand van - aan de Ondernemingskamer en de wederpartij overgelegde - aantekeningen en onder overlegging van op voorhand aan de Ondernemingskamer en de wederpartij gezonden nadere producties. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt.
1.5
Ter zitting hebben partijen de Ondernemingskamer gezamenlijk verzocht een mediator aan te wijzen om met partijen te bezien of het geschil op een alternatieve manier kan worden opgelost. Het verzoek om een beschikking te wijzen is daarom aangehouden.
1.6
Bij e-mail van 25 januari 2017 heeft de opvolgend advocaat van [G] c.s., mr. Duynstee voornoemd, verzocht een beschikking te wijzen en zich vervolgens onttrokken. Daarna heeft mr. Van Schie zich gesteld voor [G] c.s.
2. De feiten
De Ondernemingskamer gaat uit van de volgende feiten:
2.1
[G] is een houdstermaatschappij die op 31 maart 1998 is opgericht. [A] houdt alle gewone aandelen in het geplaatste kapitaal van [G] ; [D] was in elk geval van 21 mei 2015 tot 23 november 2016 enig bestuurder van [G] (zie 2.16). [G] houdt op haar beurt 25% van de gewone aandelen in het geplaatste kapitaal van [B] . De andere gewone aandelen in [B] worden gehouden door [D] , [F] (hierna: [F] ) en [E] ; ook zij houden elk 25% van de gewone aandelen. Bestuurder van [B] is [C] . Naast gewone aandelen heeft zowel [G] als [B] ook prioriteitsaandelen uitgegeven. De prioriteitsaandelen in [G] worden gehouden door [F] ; die in [B] door [D] .
2.2
[D] , [A] en de naamgevers van [F] en [E] zijn broers en zussen van elkaar, [C] is hun vader.
2.3
[C] was lange tijd bestuurder en (indirect) aandeelhouder van de [H] -groep. Thans is [A] als enige van de staak- [C] werkzaam in de [H] -groep, en wel als vorkheftruckchauffeur.
2.4
De [H] -groep is een familiebedrijf, dat wereldwijd actief is in de visserij en visverwerking. De groep heeft verschillende werkmaatschappijen. De aandelen in deze werkmaatschappijen worden (indirect) gehouden door houdstermaatschappij PP Groep Katwijk B.V. (hierna: PP Groep). Alle aandelen in PP Groep worden gehouden door de stichting administratiekantoor van aandelen in PP Groep Katwijk (hierna: Stak). De door Stak uitgegeven certificaten zijn verdeeld over vier staken, waarbij iedere staak in het bezit is van 25% van het totale aantal certificaten. Twee staken bestaan uit (beheersmaatschappijen van) de familie [I] . Zij houden de certificaten J en A. Twee staken bestaan uit (beheersmaatschappijen van) de familie [K] . Zij houden de certificaten N en D. De twee staken van de familie [K] zijn gerelateerd aan de broers [C] en [L] . In de staak die is gerelateerd aan [C] houdt [B] alle certificaten die zijn aangeduid met de letter N (hierna: de N-certificaten).
2.5
De statuten van [G] schrijven onder meer voor dat bestuurders worden benoemd door de algemene vergadering van aandeelhouders, op bindende voordracht van de vergadering van houders van prioriteitsaandelen; bestuurders kunnen worden geschorst en ontslagen door de algemene vergadering (artikel 12). Het bestuur is volgens artikel 14 van de statuten verplicht een algemene vergadering van aandeelhouders bijeen te roepen indien de aandeelhouder dit schriftelijk verzoekt onder opgave van de te behandelen onderwerpen; indien het bestuur daaraan niet voldoet, is de verzoekende aandeelhouder zelf gerechtigd tot het bijeenroepen van een algemene vergadering van aandeelhouders, waarbij een oproepingstermijn van veertien dagen in acht moet worden genomen. Besluiten tot wijziging van de statuten kunnen worden genomen door de algemene vergadering van aandeelhouders, op voorstel van de vergadering van houders van prioriteitsaandelen (artikel 22).
2.6
De statuten van zowel [G] als [B] houden (voorts) onder meer de bepaling in dat de vergadering van prioriteitsaandeelhouders bevoegd is een bedrag van de winst die uit de jaarrekening blijkt te reserveren; het winstbedrag dat resteert na die eventuele reservering staat ter beschikking van de algemene vergadering van aandeelhouders. In de periode vanaf 1998 tot en met 2005 zijn dividenduitkeringen aan de aandeelhouders van [B] gebruikt om de leningen af te lossen die de kinderen van [C] bij hem hadden afgesloten voor de verwerving door hen van zijn aandeel in het economische eigendom van het familiebedrijf.
2.7
Over de jaren 2008 tot en met 2014 heeft de PP Groep aan dividend in totaal een bedrag van € 18.375.000 uitgekeerd aan [B] . Van dat bedrag is € 2.000.000 uitgekeerd aan [B] over het boekjaar 2010, waarvan bijna € 500.000 is bijgeschreven op een door [B] ten behoeve van [A] gehouden beleggingsportefeuille die toen al een saldo van ruim € 400.000 kende. Volgens een overzicht van 29 april 2011 zou op dat moment de waarde van deze portefeuille in totaal bijna € 900.000 bedragen.
2.8
[B] heeft in 2014 onderhandeld met de staak [L] over de verkoop van de N-certificaten aan die staak tegen een koopprijs van € 122.500.000. Tussen de staak [L] en [B] bestaat een geschil over de vraag of in december 2014 tussen hen een koopovereenkomst tot stand is gekomen. Zij hebben daarover geprocedeerd bij de voorzieningenrechter van rechtbank Den Haag, hetgeen heeft geleid tot het hierna te noemen vonnis van 19 oktober 2016.
2.9
Over het boekjaar 2014 heeft [B] een bedrag van € 2.000.000 aan dividend uitgekeerd.
2.10
Op 24 mei 2016 heeft een algemene vergadering van aandeelhouders van [B] plaatsgehad, waarin is besloten tot een dividenduitkering van € 1.120.000. Namens [G] heeft [A] de notulen van die vergadering ondertekend. Op 6 juni 2016 heeft [A] rechtstreeks (niet via [G] ), na aftrek van dividendbelasting en aflossingen van destijds uitstaande schulden, een bedrag van ruim € 400.000 aan dividenden over 2014 en 2016 ontvangen.
2.11
Bij brieven van 16 september 2016 heeft mr. Schepel voornoemd namens [A] de bestuurder van [G] ( [D] ) en de bestuurder van [B] ( [C] ) verzocht om informatie, onder meer over het uitblijven van volledige dividenduitkeringen, het niet voldoen aan de deponeringsplicht van de jaarrekeningen en de ontwikkelingen met betrekking tot het verkoopproces van de N-certificaten.
2.12
[D] heeft mr. Schepel bij brief van 29 september 2016 geantwoord dat zij pas iets gaat onderzoeken, nadat haar loon en onkosten in dat kader vooraf zijn vergoed; het bestuur van [B] heeft in het geheel niet gereageerd op de brief van mr. Schepel.
2.13
Bij vonnis van 19 oktober 2016 (in verband met een nummeringsfout aangevuld bij vonnis van 6 december 2016) heeft de voorzieningenrechter van rechtbank Den Haag [B] onder meer veroordeeld om binnen een maand na betekening van het vonnis mee te werken aan de overdracht van de N-certificaten aan de staak- [L] , zulks tegen betaling van een bedrag van € 122.500.000 door de staak- [L] en bepaald dat indien en voor zover [B] in gebreke blijft aan voormelde veroordeling te voldoen, dat vonnis in de plaats treedt van de wilsverklaring(en) van [B] die benodigd is/zijn voor vorenbedoelde eigendomsoverdracht. [B] heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis en een bodemprocedure aangekondigd.
2.14
Bij brief van 21 oktober 2016 heeft mr. Schepel namens [A] het bestuur van [G] verzocht een algemene vergadering bijeen te roepen met als agendapunten onder meer ontslag van [D] als bestuurder van [G] en benoeming van [M] in haar plaats. Daarnaast heeft hij in diezelfde brief verzocht een vergadering van houders van prioriteitsaandelen in [G] bijeen te roepen met als agendapunt onder meer het doen van een voordracht voor de vacature van bestuurder van [G] .
2.15
Op 14 november 2016 heeft mr. Schepel het bestuur van [G] schriftelijk laten weten geen reactie te hebben ontvangen en om die reden namens [A] als aandeelhouder op grond van artikel 14 van de statuten (zie 2.5) zelf een algemene vergadering bijeen te roepen, te weten op 23 november 2016.
2.16
Op 23 november 2016 is een algemene vergadering van aandeelhouders in [G] gehouden, waaraan alleen mr. Schepel als voorzitter en gevolmachtigde van [A] en een kantoorgenote van mr. Schepel als notulist hebben deelgenomen. Blijkens de notulen van die vergadering is besloten tot ontslag van [D] en benoeming van [M] als bestuurder van [G] . Aangezien voor die vergadering niet [F] , maar [C] was opgeroepen als vermeend houder van de prioriteitsaandelen, is [F] bij schrijven van 21 november 2016 alsnog opgeroepen voor een algemene vergadering van aandeelhouders in [G] , te houden op 30 november 2016. Op die laatste datum is die vergadering gehouden met dezelfde aanwezigen en gelijkluidende beslissingen als op 23 november 2016.
2.17
Per 23 november 2016 staat [M] als enig bestuurder van [G] ingeschreven in het handelsregister.
2.18
Notulen van een op 5 december 2016 gehouden vergadering van de houder van prioriteitsaandelen van [G] houden onder meer het volgende in:
“De voorzitter [zijnde [F] , aandeelhouder van de gewone aandelen in [F] ] doet de volgende voorstellen:
(…)
Stelt voor om vanaf nu als prioriteitsaandeelhouder bestuurders te kunnen ontslaan.
Mocht de heer [M] momenteel bestuurder zijn, wat wij in twijfel trekken, dan is hij bij deze per direct ontslagen
Indien blijkt dat [D] daadwerkelijk geen bestuurder meer is stelt de prioriteitsaandeelhouder de volgende kandidaten voor om gezamenlijk (…) als bestuurder te fungeren:
[ [D] ] (…)
[ [A] ] (…)
Zowel [D] als [A] mogen geen buitenstaanders machtigen om hen (…) te vertegenwoordigen (…)
(…)
De prioriteitsaandeelhouder geeft de doorslaggevende stem indien bij het voorgestelde bestuur de stemmen staken. (…)
De bovengenoemde voorstellen worden vervolgens in stemming gebracht en met algemene stemmen aangenomen. (…)”
3. De gronden van de beslissing
3.1
[A] heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van [G] en van [B] en dat gelet op de toestand van de vennootschappen onmiddellijke voorzieningen dienen te worden getroffen. Ter toelichting heeft hij – kort samengevat – het volgende naar voren gebracht:
- a.
het bestuur van [G] negeert de verzoeken van [A] om informatie over de gang van zaken van [G] ;
- b.
het bestuur van [B] verschaft [A] geen informatie met betrekking tot de gang van zaken van [B] en over het aan [A] toekomende deel van de beleggingen en de eventuele verkoop van de N-certificaten;
- c.
[B] onthoudt [G] en daarmee [A] structureel een redelijk aandeel in de winst: van het sinds 2008 aan [B] uitgekeerde dividend is slechts een fractie aan [G] / [A] toegekomen. Onduidelijk is waarom winst in [B] gereserveerd wordt; het dividendbeleid is niet kenbaar;
- d.
voor zover [A] weet zijn sinds 2008 geen jaarlijkse algemene vergaderingen van aandeelhouders van [B] en van [G] belegd en zijn sindsdien van beide vennootschappen geen jaarrekeningen vastgesteld en gedeponeerd; over notulen van vergaderingen van houders van prioriteitsaandelen heeft [A] evenmin de beschikking;
- e.
[B] en [G] weigeren medewerking te verlenen aan het afschaffen van de bijzondere rechten die aan de prioriteitsaandelen zijn verbonden.
3.2
[G] c.s. heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De Ondernemingskamer zal dit verweer voor zover nodig hierna beoordelen.
3.3
[G] c.s. betwist de ontvankelijkheid van [A] in zijn verzoek ten aanzien van [B] , aangezien niet hij, maar [G] aandeelhouder is van [B] . Gelet op de conclusie van het navolgende, zoals verwoord in 3.8, kan de beoordeling van de vraag of het economisch belang van [A] op één lijn geplaatst kan worden gesteld met dat van een aandeelhouder van [B] in het midden worden gelaten.
3.4
De onder 3.1 sub d) aangevoerde grond dat “voor zover [A] weet” bij [G] en [B] sinds 2008 geen algemene vergaderingen van aandeelhouders zijn gehouden en geen jaarrekeningen zijn vastgesteld, is onvoldoende toegelicht in het licht van de gemotiveerde weerlegging door verweersters. Blijkens de door [G] c.s. overgelegde producties zijn er door beide vennootschappen jaarrekeningen opgemaakt die telkens door de accountant met [A] zijn besproken. Die jaarrekeningen zijn vervolgens in vergaderingen van aandeelhouders vastgesteld. Het enkele feit dat de jaarrekeningen niet zijn gedeponeerd, levert, mede gelet op de aard van deze familievennootschappen, onvoldoende reden op een onderzoek te gelasten naar het beleid en de gang van zaken van [B] .
3.5
Ook de onder 3.1 sub b) aangevoerde grond is gemotiveerd betwist. Aan [A] is relevante informatie verstrekt; hij wordt uitgenodigd voor vergaderingen, verschijnt daar ook en wordt door onder anderen de accountant bijgepraat over de ontwikkelingen in [B] . Overzichten van beleggingsresultaten zijn gedeeld met [A] of liggen ter inzage bij de accountant. Ook de gang van zaken rond de mogelijke verkoop van de N-certificaten is met [A] besproken; hij heeft er echter zelf voor gekozen verder geen inhoudelijke betrokkenheid te willen hebben bij die verkoop, vermoedelijk uit loyaliteit met zijn oom [L] , voor wie hij werkt, aldus [B] . Namens [A] is ter zitting aangevoerd dat hij er genoeg van had dat er op vergaderingen van aandeelhouders telkens werd gesproken over hoe schandalig zijn oom en werkgever [L] zich gedroeg en dat hij niet op alle vergaderingen aanwezig is geweest. Tegen de achtergrond van dit een en ander is naar het oordeel van de Ondernemingskamer onvoldoende gebleken van asymmetrische informatieverstrekking. Als verklaring voor het feit dat hij niet heeft gereageerd op het verzoek van de advocaat van [A] aan [B] van 16 september 2016 (2.11) heeft [C] ter zitting genoemd dat deze advocaat ook de staak- [L] bijstaat en dat hij daarom een opzetje tussen [L] en [A] vermoedt. Hoewel dit verzoek om informatie ten onrechte is genegeerd, levert ook dit geen toereikende grond op voor het gelasten van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van [B] , mede gelet op het feit dat – zoals hierna zal blijken – in [G] onmiddellijke voorzieningen zullen worden getroffen en de informatie dan zal moeten worden verstrekt aan – in ieder geval ook – de door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder van [G] .
3.6
Met betrekking tot de klacht over het dividendbeleid (3.1 sub c) heeft [B] het volgende aangevoerd. Zij beheert het familiekapitaal van de staak- [C] en het is een door de familieleden – die allen (in)direct vertegenwoordigd zijn in [B] – breed gedragen wens om het familiekapitaal in stand te houden ten behoeve van komende generaties. Die keuze is naar het oordeel van de Ondernemingskamer in beginsel te billijken en levert in de gegeven omstandigheden op zichzelf geen reden op te twijfelen aan een juist beleid van [B] .
3.7
Ook het feit dat [B] weigert de bijzondere rechten verbonden aan de prioriteitsaandeelhouders af te schaffen (3.1 sub e), vormt geen reden tot twijfel aan een juist beleid. Dirks stelling dat de ratio – bescherming van de destijds minderjarige kinderen – daaraan is komen te ontvallen nu zij allen volwassen zijn, wordt niet gedeeld door [B] : zij voert aan dat voor deze structuur is gekozen om ten behoeve van de volgende generaties te voorkomen dat het familiekapitaal zou verwateren. Handhaving van deze constructie is een keuze die betrokkenen vrijstaat.
3.8
Het verzoek tot het gelasten van een enquête naar het beleid en de gang van zaken in [B] zal daarom worden afgewezen.
3.9
Anders ligt dat voor het verzoek ten aanzien van [G] . De onduidelijke governance binnen [G] vormt een gegronde reden om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken. Partijen twisten over de vraag wie bestuurder is van [G] . Zij verschillen van mening over de vraag of [D] rechtsgeldig is ontslagen en of [M] rechtsgeldig is benoemd. [G] wijst er terecht op dat de statutaire oproepingstermijn niet in acht is genomen bij de uitnodiging voor de algemene vergadering en dat bij de benoeming van [M] niet voldaan is aan het vereiste dat de houder van prioriteitsaandelen daartoe een bindende voordracht doet; [A] heeft aangevoerd dat de huidige wettelijke oproepingstermijn van acht dagen geldt (art. 2:225 BW). Wat daar verder van zij, ook de gang van zaken op de vergadering van de houder van prioriteitsaandelen van 5 december 2016 (zie 2.18) draagt bij aan de twijfel over het beleid en de gang van zaken van [G] . Op die vergadering is onder meer besloten “om vanaf nu als prioriteitsaandeelhouder bestuurders te kunnen ontslaan”, terwijl het ontslag van bestuurders volgens de statuten is voorbehouden aan de algemene vergadering van aandeelhouders (eventueel op voorstel van de vergadering van houders van prioriteitsaandelen, zie 2.5) en ook de bevoegdheid tot wijziging van de statuten is voorbehouden aan de algemene vergadering van aandeelhouders (art. 22).
3.10
Voorts weigert het bestuur van [G] ten onrechte de verzoeken van [A] om informatie over [G] te honoreren. De voorwaarde van [D] dat haar vooraf eerst een voorschot moet worden betaald (2.12), kan daaraan in dit verband niet worden gesteld.
3.11
Ten slotte is voor de toewijsbaarheid van het enquêteverzoek ten aanzien van [G] van belang dat, zoals onder meer ter zitting tot uiting is gekomen, de verhoudingen tussen [A] enerzijds en [D] , [C] en [F] anderzijds zo zeer verstoord zijn dat normaal overleg tussen hen niet mogelijk is.
3.12
De Ondernemingskamer zal een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van [G] bevelen, dat zich met name richt op hetgeen onder 3.9 en 3.10 is overwogen. Gelet op het voorgaande is van misbruik van recht of gebrek aan belang, zoals door [G] c.s. aangevoerd, niet gebleken. Wel zal de Ondernemingskamer de omvang van het onderzoek conform de wens van [G] beperken door de periode waarop het onderzoek betrekking heeft, pas op 1 januari 2014 laten aanvangen; vóór die tijd waren de familieverhoudingen goed en waren de contacten naar ieders tevredenheid informeel, zo heeft [G] c.s. onweersproken gesteld. Bij de jaarrekening over het jaar 2014 heeft [A] ter zitting vraagtekens geplaatst.
3.13
De Ondernemingskamer is van oordeel dat de toestand van [G] , zoals die blijkt uit de voorgaande overwegingen tevens noopt tot het treffen van de navolgende onmiddellijke voorzieningen. Zij zal [D] – voor zover zij niet reeds rechtsgeldig is ontslagen – schorsen als bestuurder van [G] en in haar plaats een derde als bestuurder van [G] benoemen aan wie in het bestuur van [G] – voor zover nodig in afwijking van de statuten en voor zover [M] rechtsgeldig als bestuurder van [G] is benoemd – een beslissende stem toekomt en die zelfstandig bevoegd is [G] te vertegenwoordigen.
3.14
De te benoemen bestuurder mag het bovendien tot zijn taak rekenen een minnelijke regeling tussen partijen te beproeven.
3.15
De Ondernemingskamer zal de kosten van het onderzoek en de te benoemen bestuurder ten laste brengen van [G] .
3.16
Voorts zal de Ondernemingskamer bepalen dat de bijzondere rechten verbonden aan de prioriteitsaandelen in [G] met ingang van heden zijn opgeschort.
3.17
Voor het treffen van andere onmiddellijke voorzieningen ziet de Ondernemingskamer vooralsnog geen aanleiding.
3.18
De Ondernemingskamer acht ten slotte termen aanwezig de kosten van het geding tussen de verschenen partijen te compenseren zoals hierna te vermelden.
4. De beslissing
De Ondernemingskamer:
beveelt een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van [A] over de periode vanaf 1 januari 2014;
benoemt een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon teneinde het onderzoek te verrichten;
stelt het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vast op € 35.000, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen;
bepaalt dat de kosten van het onderzoek ten laste komen van [A] en dat zij voor de betaling daarvan ten genoegen van de onderzoeker voor de aanvang van diens werkzaamheden zekerheid dient te stellen;
benoemt mr. A.J. Wolfs tot raadsheer-commissaris, zoals bedoeld in artikel 2:350 lid 4 BW;
schorst, bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van het geding, met ingang van heden [D] als bestuurder van [A] , voor zover zij niet reeds rechtsgeldig is ontslagen;
benoemt bij wijze van onmiddellijke voorziening met onmiddellijke ingang en vooralsnog voor de duur van het geding een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon tot bestuurder van [A] – met beslissende stem voor zover [M] rechtsgeldig als bestuurder is benoemd – en bepaalt dat deze bestuurder zelfstandig bevoegd is [A] te vertegenwoordigen en dat [A] zonder deze bestuurder niet vertegenwoordigd kan worden;
bepaalt dat het salaris en de kosten van deze bestuurder ten laste komen van [A] en bepaalt dat [A] voor de betaling daarvan ten genoegen van de bestuurder zekerheid dient te stellen vóór de aanvang van diens werkzaamheden;
bepaalt vooralsnog voor de duur van het geding dat de bijzondere rechten verbonden aan de prioriteitsaandelen in [A] met ingang van heden zijn opgeschort;
compenseert de kosten van het geding tussen de verschenen partijen aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt;
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.C. Makkink, voorzitter, mr. M.M.M. Tillema en mr. A.J. Wolfs, raadsheren, en drs. P.R. Baart en W. Wind, raden, in tegenwoordigheid van mr. R. Verheggen, griffier, en door mr. Tillema in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2017.