Einde inhoudsopgave
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/7.2.2
7.2.2 Gedeeltelijke ontbinding en omzetting
mr. D. Haas, datum 02-12-2008
- Datum
02-12-2008
- Auteur
mr. D. Haas
- JCDI
JCDI:ADS381163:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In beginsel is een schuldenaar niet bevoegd om in gedeeltes na te komen (art. 6:29). Artikel 6:29 ziet evenwel niet op het geval dat nakoming gedeeltelijk onmogelijk is, zie Koot & Bolt (Verbintenissenrecht), art. 6:29, aant. 2. Als nakoming gedeeltelijk onmogelijk is en de schuldenaar nakoming aanbiedt van het nog mogelijke gedeelte is dit geen gedeeltelijke nakoming in de zin van art. 6:29. Aan de hand van art. 6:248 en 6:258 moet worden beoordeeld of de schuldenaar nog bevoegd is tot nakoming, zie Parl. Gesch. Boek 6, p. 156-157. Zie ook par. 7.2.3.
Bakels 1993 p. 298 e.v.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 2008 (6-I*), nr. 403; en De Jong 2006a, nr. 10. Zie ook Stolp 2007a, p. 177-182.
Fehre 2005, p. 184-185. Een verschil tussen het Duitse en het Nederlandse recht ten aanzien van de gevolgen van onmogelijkheid is dat de schuldenaar onder Duits recht bij blijvende onmogelijkheid van rechtswege zijn recht op de tegenprestatie verliest (§ 326), ongeacht of de verhindering aan hem is toe te rekenen, zie Staudinger/Iliwisch 2004, § 275, nr. 49; en Staudinger/Otto 2004, § 326, nr. B28. Het Nederlandse recht kent geen met § 326 vergelijkbare bepaling. Een schuldeiser die zich naar Nederlands recht wil bevrijden van de verplichting tot het verrichten van de tegenprestatie, dient de weg van de ontbinding te volgen, vgl. Hijma & Olthof 2008, nr. 521.
Hijma onder 7 in zijn noot op HR 26 april 2002, NJ2004, 210 (Sparow/Van Beukering).
Van gedeeltelijke onmogelijkheid is bijvoorbeeld sprake indien een schuldenaar in plaats van honderd, slechts negentig zaken levert, omdat het voor hem absoluut dan wel relatief onmogelijk is de laatste tien te leveren. Behalve deze kwantitatieve onmogelijkheid, kan ook sprake zijn van kwalitatieve onmogelijkheid. Bijvoorbeeld, een verkoper levert een gebrekkige prestatie en het is onmogelijk het gebrek te herstellen of een vervangende zaak te leveren, zoals levering van een gebrekkige unieke zaak waar reparatie van het gebrek onmogelijk is. In het navolgende richt ik mij op de situatie dat nakoming kwantitatief gedeeltelijk onmogelijk is.
Bij gedeeltelijke onmogelijkheid behoudt de schuldeiser in beginsel het recht om nakoming te vorderen van het nog mogelijke gedeelte. De schuldenaar is bevoegd om zich van het restant van de verbintenis te bevrijden door het nog mogelijke gedeelte te verrichten.1
Voor het gedeelte van de prestatie dat onmogelijk is geworden kan de schuldeiser de verbintenis gedeeltelijk ontbinden.2 Voorts kan de schuldeiser het gedeelte van de verbintenis waarvan nakoming onmogelijk is, omzetten in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding.3 In het Duitse recht wordt deze laatste situatie als 'kleine schadevergoeding' aangeduid ten opzichte van de omzetting van de volledige prestatieverplichting die 'grote schadevergoeding' wordt genoemd.4
Volgens Hijma kan de schuldeiser in twee situaties belang hebben bij gedeeltelijke omzetting in plaats van ontbinding5 In de eerste plaats als ontbinding in beginsel niet mogelijk is, omdat de geschonden verbintenis niet uit een wederkerige overeenkomst voortvloeit. En in de tweede plaats als de schuldeiser niet wil ontbinden, omdat hij uitvoering wil geven aan de verbintenis die hijzelf op zich heeft genomen.
Voor gedeeltelijke omzetting of ontbinding ten aanzien van het gedeelte waarvan nakoming blijvend onmogelijk is, is het verzuimvereiste niet van toepassing (art. 6:74 lid 2 en art. 6:265 lid 2); bij ontbinding geldt dit ook voor tijdelijke gedeeltelijke onmogelijkheid.