Procestaal: Nederlands.
HvJ EU, 13-11-2025, nr. C-445/24
ECLI:EU:C:2025:893
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
13-11-2025
- Magistraten
J. Passer, D. Gratsias, B. Smulders
- Zaaknummer
C-445/24
- Roepnaam
(W)
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:893, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 13‑11‑2025
Uitspraak 13‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Harmonisatie van de wetgeving — Richtlijn (EU) 2015/2302 — Pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen — Artikel 3, punt 6 — Begrip ‘reiziger’ — Rechtspersoon die voor zijn leden een reisovereenkomst heeft gesloten
J. Passer, D. Gratsias, B. Smulders
Partij(en)
In zaak C-445/24,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Hof van Cassatie (België) bij beslissing van 3 juni 2024, ingekomen bij het Hof op 24 juni 2024, in de procedure
MS Amlin Insurance SE
tegen
(W)onderweg VZW,
wijst
HET HOF (Tiende kamer),
samengesteld als volgt: J. Passer, kamerpresident, D. Gratsias en B. Smulders (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: L. Medina,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
MS Amlin Insurance SE, vertegenwoordigd door J. Van Bellinghen en B. Vanlerberghe, advocaten,
- —
(W)onderweg VZW, vertegenwoordigd door Y. Teughels, advocaat,
- —
de Belgische regering, vertegenwoordigd door S. Baeyens, P. Cottin en C. Pochet als gemachtigden,
- —
de Griekse regering, vertegenwoordigd door C. Kokkosi en E.-E. Krompa als gemachtigden,
- —
de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door S. Fiorentino als gemachtigde, bijgestaan door M. F. Severi, avvocato dello Stato,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door I. Rubene en F. van Schaik als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, punt 6, van richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van verordening (EG) nr. 2006/2004 en van richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van richtlijn 90/314/EEG van de Raad (PB 2015, L 326, blz. 1).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen MS Amlin Insurance SE, een verzekeringsmaatschappij, en (W)onderweg VZW, een vereniging zonder winstoogmerk die voor haar leden een pakketreisovereenkomst heeft gesloten met een reisbureau dat is verzekerd bij MS Amlin Insurance, over de weigering van die verzekeringsmaatschappij om (W)onderweg de op grond van de reisovereenkomst betaalde bedragen terug te betalen na het faillissement van dat reisbureau.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 90/314
3
De tiende overweging van richtlijn 90/314/EEG van de Raad van 13 juni 1990 betreffende pakketreizen, met inbegrip van vakantiepakketten en rondreispakketten (PB 1990, L 158, blz. 59) luidde als volgt:
‘Overwegende dat de consument de in deze richtlijn bedoelde bescherming moet krijgen, ongeacht de vraag of hij partij is bij de overeenkomst, de overeenkomst op hem wordt overgedragen dan wel lid is van een groep namens welke een ander een overeenkomst voor een pakketreis heeft gesloten’.
4
Artikel 2, punt 4, van deze richtlijn bepaalde het volgende:
‘In deze richtlijn wordt verstaan onder:
[…]
- 4.
‘consument’: de persoon die het pakket koopt of zich daartoe verbindt (‘de hoofdcontractant’), of elke persoon namens wie de hoofdcontractant zich ertoe verbindt het pakket te kopen (‘de andere begunstigden’), of elke persoon aan wie de hoofdcontractant of een van de andere begunstigden het pakket overdraagt (‘de cessionaris’)’.
Richtlijn 2015/2302
5
In de overwegingen 1 tot en met 3, 7, 25 en 39 van richtlijn 2015/2302 staat het volgende te lezen:
- ‘(1)
Dankzij richtlijn [90/314] hebben consumenten een aantal belangrijke rechten op het gebied van pakketreizen, in het bijzonder met betrekking tot informatieverstrekking, aansprakelijkheid van handelaren voor de uitvoering van een pakketreis, en bescherming bij insolventie van een organisator of een doorverkoper. Het rechtskader moet echter worden aangepast aan de marktontwikkelingen om de wetgeving geschikter te maken voor de interne markt, onduidelijkheden weg te nemen en hiaten in de wetgeving te dichten.
- (2)
Toerisme speelt een belangrijke rol in de economie van de [Europese] Unie, en pakketreizen, vakantiepakketten en rondreispakketten […] beslaan een aanzienlijk deel van de reismarkt. Die markt is aanzienlijk veranderd sinds de vaststelling van richtlijn [90/314]. […] Deze nieuwe richtlijn heeft ten doel de reikwijdte van de bescherming aan te passen aan deze nieuwe ontwikkelingen, te zorgen voor meer transparantie, en reizigers en handelaren meer rechtszekerheid te bieden.
- (3)
In artikel 169, lid 1, en artikel 169, lid 2, onder a), [VWEU] is bepaald dat de Unie moet bijdragen tot de verwezenlijking van een hoog niveau van consumentenbescherming door middel van maatregelen die op grond van artikel 114 VWEU worden genomen.
[…]
- (7)
De meeste reizigers die pakketreizen of gekoppelde reisarrangementen kopen, zijn consumenten in de zin van het consumentenrecht van de Unie. Tegelijkertijd is het onderscheid tussen consumenten en vertegenwoordigers van kleine ondernemingen of beroepsbeoefenaren die een zaken- of dienstreis boeken via dezelfde boekingskanalen als consumenten niet altijd even duidelijk. Die reizigers hebben vaak een vergelijkbaar beschermingsniveau nodig. Daartegenover staan bedrijven of organisaties die reisarrangementen boeken op basis van een algemene overeenkomst die vaak voor verscheidene reisarrangementen of voor een specifieke periode met bijvoorbeeld een reisagentschap is afgesloten. Voor laatstgenoemde soort reisarrangementen is niet hetzelfde beschermingsniveau vereist als voor consumenten. Om die reden dient deze richtlijn te gelden voor zakenreizigers (waaronder beoefenaren van vrije beroepen, zelfstandigen of andere natuurlijke personen) die geen reisarrangementen op basis van een algemene overeenkomst boeken. Om verwarring met het begrip ‘consument’ dat gebruikt wordt in andere wetgeving van de Unie te voorkomen, dienen de personen die in het kader van deze richtlijn bescherming genieten, ‘reizigers’ te worden genoemd.
[…]
- (25)
De reiziger dient alle nodige informatie te ontvangen voordat hij een pakketreis koopt, ongeacht of die wordt verkocht met behulp van telecommunicatie, over de toonbank of via andere distributiekanalen. Bij het verstrekken van die informatie aan reizigers die vanwege hun leeftijd of een lichamelijke handicap bijzonder kwetsbaar zijn, dient de handelaar rekening te houden met de specifieke behoeften die hij met betrekking tot deze reizigers redelijkerwijs kon voorzien.
[…]
- (39)
De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat reizigers die een pakketreis kopen, volledig tegen insolventie van de organisator zijn beschermd. De lidstaten waar organisatoren zijn gevestigd, dienen ervoor te zorgen dat deze de terugbetaling van alle door of namens de reizigers betaalde bedragen garanderen en, indien een pakketreis personenvervoer omvat, de repatriëring van reizigers in geval van insolventie van de organisatoren verzekeren. Het moet echter mogelijk zijn reizigers de voortzetting van de pakketreis aan te bieden. De lidstaten zijn vrij om te bepalen hoe zij de bescherming bij insolventie zullen regelen, maar zij dienen er wel op toe te zien dat de bescherming afdoende is. Doeltreffendheid houdt in dat de bescherming beschikbaar wordt zodra wegens de liquiditeitsproblemen van de organisator reisdiensten niet worden uitgevoerd, niet of slechts ten dele zullen worden uitgevoerd, of ingeval de dienstverleners reizigers verplichten ervoor te betalen. De lidstaten moeten kunnen voorschrijven dat de organisatoren aan de reizigers een certificaat afgeven waaruit blijkt dat zij een rechtstreeks recht hebben ten aanzien van de verstrekker van de bescherming bij insolventie.’
6
Artikel 2 (‘Toepassingsgebied’) van richtlijn 2015/2302 bepaalt:
- ‘1.
Deze richtlijn is van toepassing op pakketreizen die door handelaren aan reizigers te koop worden aangeboden of verkocht en op gekoppelde reisarrangementen die door handelaren voor reizigers worden gefaciliteerd.
- 2.
Deze richtlijn is niet van toepassing op:
- a)
pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen die een periode van minder dan 24 uur beslaan, tenzij zij een overnachting omvatten;
- b)
pakketreizen die worden aangeboden en gekoppelde reisarrangementen die worden gefaciliteerd, incidenteel en zonder winstoogmerk alsook uitsluitend aan een beperkte groep reizigers;
- c)
pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen die worden gekocht op basis van een algemene overeenkomst voor het regelen van zakenreizen tussen een handelaar en een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon die handelt in het kader van zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit.
- 3.
Voor zover algemene aspecten van het verbintenissenrecht niet bij deze richtlijn worden geregeld, laat deze richtlijn de algemene bepalingen van het nationale verbintenissenrecht, zoals over de geldigheid, het ontstaan of de gevolgen van overeenkomsten, onverlet.’
7
Artikel 3 (‘Definities’) van deze richtlijn bepaalt in de punten 1 tot en met 3 en 6 tot en met 8 het volgende:
‘Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de volgende definities:
- 1)
‘reisdienst’:
- a)
personenvervoer;
- b)
accommodatie die niet intrinsiek deel uitmaakt van personenvervoer en die niet voor bewoning is bestemd;
[…]
- 2)
‘pakketreis’: een combinatie van ten minste twee verschillende soorten reisdiensten voor dezelfde reis of vakantie, ingeval:
- a)
deze diensten worden gecombineerd door één handelaar, eventueel op verzoek of overeenkomstig de keuze van de reiziger, voordat er één overeenkomst betreffende alle diensten wordt gesloten; of
[…]
- 3)
‘pakketreisovereenkomst’: een overeenkomst inzake de gehele pakketreis […];
[…]
- 6)
‘reiziger’: iedere persoon die, binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn, een overeenkomst wenst te sluiten of die er op grond van een gesloten overeenkomst recht op heeft te reizen;
- 7)
‘handelaar’: iedere natuurlijke persoon of iedere rechtspersoon, ongeacht of deze privaat of publiek is, die met betrekking tot onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt, mede via een andere persoon die namens hem of voor zijn rekening optreedt, in het kader van zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit, ongeacht of hij optreedt als organisator, doorverkoper, handelaar die een gekoppeld reisarrangement faciliteert of reisdienstverlener;
- 8)
‘organisator’: een handelaar die pakketreizen samenstelt en deze […] verkoopt of te koop aanbiedt, […]’.
8
Artikel 4 (‘Niveau van harmonisatie’) van die richtlijn bepaalt:
‘Tenzij in deze richtlijn anders is bepaald, behouden de lidstaten in hun nationale recht geen bepalingen die afwijken van de bepalingen van deze richtlijn, met inbegrip van meer of minder strikte bepalingen die een ander niveau van bescherming van reizigers zouden waarborgen, of voeren deze bepalingen niet in.’
9
Artikel 5 (‘Precontractuele informatie’) van richtlijn 2015/2302 bepaalt in lid 1:
‘De lidstaten zorgen ervoor dat de organisator en, indien de pakketreis wordt verkocht via een doorverkoper, ook de doorverkoper, de reiziger, voordat deze is gebonden door een pakketreisovereenkomst of een daarmee overeenstemmend aanbod[] […] de volgende informatie [verstrekt]:
- a)
de voornaamste kenmerken van de reisdiensten:
[…]
- viii)
uitsluitsel of de reis of de vakantie in het algemeen geschikt is voor personen met beperkte mobiliteit en, op verzoek van de reiziger, tevens nauwkeurige informatie over de vraag of de reis of vakantie gelet op de behoeften van de reiziger geschikt is;
[…]’
10
Artikel 12 (‘Beëindiging van de pakketreisovereenkomst en recht van herroeping vóór het begin van de pakketreis’) van richtlijn 2015/2302 bepaalt in de leden 2 en 4:
- ‘2.
[…] [D]e reiziger [heeft], indien zich op de plaats van bestemming of in de onmiddellijke omgeving daarvan onvermijdbare en buitengewone omstandigheden voordoen die aanzienlijke gevolgen hebben voor de uitvoering van de pakketreis, of die aanzienlijke gevolgen hebben voor het personenvervoer naar de bestemming, het recht de pakketreisovereenkomst vóór het begin van de pakketreis zonder betaling van een beëindigingsvergoeding te beëindigen. In geval van beëindiging van de pakketreisovereenkomst op grond van dit lid heeft de reiziger recht op een volledige terugbetaling van alle voor de pakketreis betaalde bedragen, maar kan hij geen aanspraak maken op een bijkomende schadevergoeding.
[…]
- 4.
De organisator […] betaalt […] alle bedragen terug die door of namens de reiziger voor de pakketreis zijn betaald, minus de passende beëindigingsvergoeding. […]’
11
In artikel 17 (‘Doeltreffendheid en reikwijdte van de bescherming bij insolventie’) van deze richtlijn is in de leden 1, 3 en 5 het volgende bepaald:
- ‘1.
De lidstaten zorgen ervoor dat op hun grondgebied gevestigde organisatoren zekerheid stellen voor de terugbetaling van alle reeds door of namens reizigers betaalde bedragen voor zover de desbetreffende diensten als gevolg van de insolventie van deze organisatoren niet worden verricht. Indien personenvervoer in de pakketreisovereenkomst is inbegrepen, stellen de organisatoren ook zekerheid voor de repatriëring van de reizigers. Er kan worden aangeboden de pakketreis voort te zetten.
[…]
- 3.
De bescherming bij insolventie van een organisator komt ten goede aan reizigers ongeacht hun woonplaats, de plaats van vertrek of de plaats van verkoop van de pakketreis, en ongeacht de lidstaat waar de entiteit die instaat voor de bescherming bij insolventie, is gevestigd.
[…]
- 5.
Voor niet-uitgevoerde reisdiensten worden terugbetalingen op verzoek van de reiziger onverwijld verricht.’
12
Artikel 23 (‘Dwingend karakter van de richtlijn’) van die richtlijn bepaalt in lid 2:
‘Reizigers kunnen geen afstand doen van de rechten die zij genieten uit hoofde van de nationale maatregelen ter omzetting van deze richtlijn.’
Belgisch recht
13
Overeenkomstig artikel 2, 6°, van de wet betreffende de verkoop van pakketreizen, gekoppelde reisarrangementen en reisdiensten van 21 november 2017 (Belgisch Staatsblad, 1 december 2017, blz. 106673; hierna: ‘wet pakketreizen’) moet onder ‘reiziger’ worden verstaan ‘iedere persoon die, binnen het toepassingsgebied van deze wet, een overeenkomst wenst te sluiten of die er op grond van een reeds gesloten overeenkomst recht op heeft te reizen’.
14
Krachtens artikel 4 van de wet pakketreizen is deze wet niet van toepassing op, ten eerste, pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen die een periode van minder dan vierentwintig uur beslaan, tenzij zij een overnachting omvatten, ten tweede, pakketreizen die worden aangeboden en gekoppelde reisarrangementen die worden gefaciliteerd, incidenteel en zonder winstoogmerk en uitsluitend aan een beperkte groep reizigers en, ten derde, pakketreizen, gekoppelde reisarrangementen en afzonderlijk verkochte reisdiensten die worden gekocht op basis van een algemene overeenkomst voor het regelen van zakenreizen tussen een professioneel en een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon die handelt in het kader van zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit.
15
Artikel 2, 3°, van het Koninklijk besluit betreffende de bescherming tegen insolventie bij de verkoop van pakketreizen, gekoppelde reisarrangementen en reisdiensten van 29 mei 2018 (Belgisch Staatsblad, 11 juni 2018, blz. 48438) bepaalt dat voor de toepassing van dit besluit onder ‘de begunstigde’ moet worden verstaan ‘elke reiziger in de zin van artikel 2, 6°, van de wet pakketreizen ten voordele van wie de verzekeringsprestaties bedoeld in hoofdstuk 4 van dit besluit zijn bedongen’.
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
16
(W)onderweg is een vereniging zonder winstoogmerk die zich inzet voor personen met een autismespectrumstoornis, die afkomstig zijn van financieel weinig krachtige families.
17
Op 18 januari 2020 sloot deze vereniging voor een aantal van haar leden een reisovereenkomst voor een citytrip naar Lyon (Frankrijk), die de treintickets en het hotelverblijf omvatte. De reis was gepland voor de periode van 21 tot en met 24 april 2020. Zij heeft voor deze pakketreis 9 165,14 EUR betaald.
18
Op 16 maart 2020 heeft (W)onderweg het reisbureau gevraagd of de reis tegen dezelfde prijs en met hetzelfde hotel kon worden verplaatst naar september 2020, gelet op het ingaan van de lockdownmaatregelen in verband met de COVID-19-pandemie.
19
Aangezien dit onmogelijk bleek, informeerde zij bij dit bureau of de reis met een jaar kon worden uitgesteld, namelijk tot 20 april 2021. Tijdens dit overleg werd ook de mogelijkheid ter sprake gebracht om (W)onderweg te compenseren door middel van een waardebon met een geldigheidsduur van één jaar, waarbij de door (W)onderweg betaalde bedragen volgens het reisbureau in beginsel pas konden worden terugbetaald nadat de geldigheid van de waardebon was verstreken.
20
Op 7 september 2020 heeft (W)onderweg het reisbureau in gebreke gesteld tot terugbetaling van het voor de pakketreisovereenkomst betaalde bedrag.
21
Nadat het reisbureau op 22 september 2020 failliet was verklaard, heeft (W)onderweg een verzoek tot terugbetaling van dat bedrag ingediend bij MS Amlin Insurance, de insolventieverzekeraar van het reisbureau.
22
MS Amlin Insurance heeft dit verzoek afgewezen, waarna (W)onderweg een vordering heeft ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen (België) teneinde deze verzekeringsmaatschappij te doen veroordelen tot terugbetaling van het bedrag van de pakketreis wegens niet-uitvoering van de reisovereenkomst.
23
Deze rechter heeft de vordering afgewezen op grond dat de reis reeds was geannuleerd voordat het reisbureau insolvent werd verklaard.
24
Naar aanleiding van het hoger beroep van (W)onderweg heeft het hof van beroep Antwerpen MS Amlin Insurance veroordeeld tot de betaling van een bedrag van 9 165,14 EUR, vermeerderd met rente en kosten.
25
MS Amlin Insurance heeft cassatieberoep ingesteld bij het Hof van Cassatie (België), de verwijzende rechter.
26
In dit verband voert MS Amlin Insurance aan dat — anders dan het hof van beroep Antwerpen heeft geoordeeld — (W)onderweg niet kan worden beschouwd als een reiziger in de zin van de nationale regeling ter uitvoering van richtlijn 2015/2302, en ook geen rechten aan deze regeling kan ontlenen. Het daarin gedefinieerde begrip ‘reiziger’ ziet immers alleen op de reiziger als natuurlijke persoon, in dit geval de leden van (W)onderweg voor wie deze vereniging de reis heeft gekocht, en niet (W)onderweg zelf, die een rechtspersoon is.
27
De verwijzende rechter merkt op dat hij dus moet beoordelen of een rechtspersoon, zoals een vereniging zonder winstoogmerk die occasioneel van een handelaar een pakketreis koopt voor haar leden, kan worden beschouwd als een reiziger in de zin van artikel 3, punt 6, van richtlijn 2015/2302, waarbij het zo is dat de feitenrechters hebben geoordeeld dat het begrip ‘reiziger’ wel degelijk ook een rechtspersoon omvat.
28
In die omstandigheden heeft het Hof van Cassatie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moet het begrip ‘reiziger’ van artikel 3.6) [van richtlijn 2015/2302] aldus worden uitgelegd dat het ook een rechtspersoon omvat, zoals een vereniging zonder winstoogmerk die occasioneel van een handelaar een pakketreis koopt voor haar leden?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
29
Vooraf moet erop worden gewezen dat de gestelde vraag berust op de premisse dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde reisovereenkomst betrekking heeft op een pakketreis in de zin van artikel 3, punt 2, van richtlijn 2015/2302 en dus in beginsel binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn valt, zoals omschreven in artikel 2, lid 1, ervan. Hoewel de Belgische, de Griekse en de Italiaanse regering alsook de Europese Commissie in hun schriftelijke opmerkingen zijn ingegaan op de eventuele relevantie van de in artikel 2, lid 2, voorziene uitzonderingen op dit toepassingsgebied, om deze relevantie vervolgens uit te sluiten, moet in dit verband worden benadrukt dat die uitzonderingen niet het voorwerp van de gestelde vraag vormen, en dat de verwijzende rechter overigens de toepassing heeft uitgesloten van de uitzondering waarin het nationale recht voorziet die de omzetting vormt van artikel 2, lid 2, onder b), van deze richtlijn, en die met name betrekking heeft op pakketreizen die ‘incidenteel’, zonder winstoogmerk, en uitsluitend aan een beperkte groep reizigers worden aangeboden.
30
Voorts blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat (W)onderweg de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst weliswaar voor rekening van haar leden heeft gesloten, maar dat zij dit in eigen naam heeft gedaan, waarbij opgemerkt moet worden dat het hoofdgeding ziet op een recht op terugbetaling dat deze vereniging stelt te genieten als ‘reiziger’ in de zin van artikel 3, punt 6, van richtlijn 2015/2302 ten aanzien van MS Amlin Insurance, op grond van het nationale recht ter uitvoering van artikel 17 van deze richtlijn. Deze laatste bepaling heeft betrekking op de bescherming van reizigers tegen het risico van insolventie van een organisator, zoals het in het hoofdgeding aan de orde zijnde reisbureau, met name wat betreft de terugbetaling van de voor een pakketreis betaalde bedragen wanneer de diensten die deel uitmaken van deze pakketreis niet worden uitgevoerd.
31
Derhalve moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn enige vraag in essentie wenst te vernemen of artikel 3, punt 6, van richtlijn 2015/2302 aldus moet worden uitgelegd dat een rechtspersoon zoals een vereniging zonder winstoogmerk die met een organisator in eigen naam maar voor rekening van een aantal van haar leden een pakketreisovereenkomst heeft gesloten, onder het begrip ‘reiziger’ in de zin van deze bepaling valt.
32
Volgens vaste rechtspraak moet bij de uitlegging van een bepaling van Unierecht niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen maar ook met de context ervan, de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan deze bepaling deel uitmaakt en, in voorkomend geval, de ontstaansgeschiedenis ervan. Wanneer de betekenis van een bepaling van Unierecht ondubbelzinnig uit de bewoordingen ervan blijkt, mag het Hof echter niet van deze betekenis afwijken (zie in die zin arrest van 29 juli 2024, HDI Global en MS Amlin Insurance, C-771/22 en C-45/23, EU:C:2024:644, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33
In dit verband zij eraan herinnerd dat het begrip ‘reiziger’ in artikel 3, punt 6, van richtlijn 2015/2302 wordt gedefinieerd als ‘iedere persoon die, binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn, een overeenkomst wenst te sluiten of die er op grond van een gesloten overeenkomst recht op heeft te reizen’.
34
Aangezien deze bepaling het begrip ‘reiziger’ omschrijft zonder voor de betekenis van dat begrip naar het nationale recht te verwijzen, moet die bepaling voor de toepassing van die richtlijn worden geacht een autonoom begrip van het Unierecht te bevatten, dat op het grondgebied van de Unie uniform moet worden uitgelegd (zie in die zin arrest van 9 november 2016, Wathelet, C-149/15, EU:C:2016:840, punt 29).
35
Ofschoon het begrip ‘reiziger’ in andere Unierechtelijke handelingen voorkomt, komt de specifieke omschrijving in artikel 3, punt 6, van richtlijn 2015/2302 bovendien enkel in die richtlijn voor. Het gaat dus om een begrip dat in het licht van de doelen van die richtlijn moet worden uitgelegd, rekening houdend met de specifieke functie ervan in het kader van deze richtlijn (zie naar analogie arrest van 9 november 2016, Wathelet, C-149/15, EU:C:2016:840, punt 30).
36
Tegen die achtergrond moet er in de eerste plaats op worden gewezen dat de bewoordingen van artikel 3, punt 6, van richtlijn 2015/2302 bij de definitie van het begrip ‘reiziger’ verwijzen naar ‘iedere persoon’ die zich in een van de twee in punt 33 van het onderhavige arrest genoemde situaties bevindt.
37
Die bewoordingen maken geen onderscheid tussen natuurlijke personen en rechtspersonen, anders dan met name het geval is voor de in artikel 3, punt 7, van deze richtlijn opgenomen definitie van het begrip ‘handelaar’, volgens welke ‘iedere natuurlijke persoon of iedere rechtspersoon’ onder dit begrip kan vallen, en voor de definitie die in het Unierecht doorgaans wordt gehanteerd voor het begrip ‘consument’, dat in beginsel uitdrukkelijk is beperkt tot natuurlijke personen (zie in die zin arrest van 2 april 2020, Condominio di Milano, via Meda, C-329/19, EU:C:2020:263, punten 24 en 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38
Voorts moet worden vastgesteld dat de betrokkene slechts onder het begrip ‘reiziger’ in de zin van artikel 3, punt 6, van richtlijn 2015/2302 kan vallen wanneer hij behoort tot een van de twee in die bepaling genoemde categorieën, en dus ‘een [pakketreis]overeenkomst wenst te sluiten’, dan wel ‘er […] recht op heeft te reizen’ op grond van een dergelijke overeenkomst. Een rechtspersoon kan weliswaar niet reizen op basis van een pakketreisovereenkomst, maar hij kan wel een dergelijke overeenkomst wensen te sluiten voor rekening van een of meer natuurlijke personen die de reis zullen maken waarop de overeenkomst betrekking heeft.
39
Hieruit volgt dat, hoewel de bewoordingen van artikel 3, punt 6, van richtlijn 2015/2302 zich duidelijk lenen voor een uitlegging waarbij rechtspersonen onder het begrip ‘reiziger’ in de zin van deze bepaling vallen, namelijk wanneer zij ‘een [pakketreis]overeenkomst [wensen] te sluiten’, zij het niet mogelijk maken een restrictievere uitlegging volgens welke dit begrip uitsluitend ziet op natuurlijke personen — die immers als enigen op grond van een dergelijke overeenkomst kunnen reizen — van meet af aan uit te sluiten.
40
In de tweede plaats moet dus de context van artikel 3, punt 6, van richtlijn 2015/2302 worden onderzocht.
41
In dit verband blijkt uit overweging 7 van richtlijn 2015/2302 dat deze richtlijn niet alleen de consumenten beoogt te beschermen, maar ook personen ‘die een zaken- of dienstreis boeken via dezelfde boekingskanalen als consumenten’, zoals ‘zakenreizigers (waaronder beoefenaren van vrije beroepen, zelfstandigen of andere natuurlijke personen)’. ‘Om verwarring met het begrip ‘consument’ dat gebruikt wordt in andere wetgeving van de Unie te voorkomen’, is het begrip ‘reiziger’ aldus in de plaats gekomen van het begrip ‘consument’, dat was opgenomen in artikel 2, punt 4, van richtlijn 90/314, die is ingetrokken en vervangen door richtlijn 2015/2302.
42
Overweging 7 van die richtlijn zegt echter niets over de vraag of die vervanging betekent dat het begrip ‘reiziger’ naast andere natuurlijke personen dan consumenten ook rechtspersonen omvat.
43
Voorts betreffen verschillende bepalingen van richtlijn 2015/2302 situaties waarin de reiziger als een natuurlijke persoon wordt beschouwd. Dit geldt bijvoorbeeld voor artikel 5, lid 1, onder a), viii), van deze richtlijn, dat betrekking heeft op de verplichting voor de organisator om de reiziger, voordat deze is gebonden door een pakketreisovereenkomst, met name nauwkeurige informatie te verstrekken over de vraag of de reis geschikt is ‘gelet op de behoeften van de reiziger’, waarbij in overweging 25 van die richtlijn dienaangaande wordt verduidelijkt dat de handelaar ‘[b]ij het verstrekken van die informatie aan reizigers die vanwege hun leeftijd of een lichamelijke handicap bijzonder kwetsbaar zijn, […] rekening [dient] te houden met de specifieke behoeften die hij met betrekking tot deze reizigers redelijkerwijs kon voorzien’.
44
Benadrukt moet echter worden dat dergelijke elementen van de context van artikel 3, punt 6, van richtlijn 2015/2302 slechts bevestigen dat natuurlijke personen duidelijk onder het begrip ‘reiziger’ in de zin van deze bepaling kunnen vallen, met name wanneer zij een pakketreisovereenkomst wensen te sluiten, zonder evenwel rechtspersonen in dezelfde situatie daarvan uit te sluiten.
45
Bovendien kan uit artikel 2, lid 2, onder c), van deze richtlijn, dat van het toepassingsgebied van die richtlijn onder meer pakketreizen uitsluit die voor beroepsdoeleinden worden gekocht op basis van een algemene overeenkomst voor het regelen van zakenreizen tussen een handelaar en een andere natuurlijke persoon ‘of rechtspersoon’, worden afgeleid dat door rechtspersonen gekochte pakketreizen in beginsel binnen dat toepassingsgebied vallen.
46
In de derde plaats vindt een dergelijke uitlegging steun in de doelstellingen van richtlijn 2015/2302, die — zoals blijkt uit artikel 1 van deze richtlijn, gelezen in samenhang met de overwegingen 1 tot en met 3 ervan — erin bestaan onduidelijkheden weg te nemen, hiaten in de wetgeving te dichten en de reikwijdte van de door richtlijn 90/314 aan de reizigers verleende bescherming aan te passen aan de marktontwikkelingen, en bij te dragen tot de verwezenlijking van een hoog niveau van consumentenbescherming, zoals wordt vereist door artikel 169 VWEU. Richtlijn 2015/2302 draagt aldus overeenkomstig artikel 38 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bij tot het waarborgen van een hoog niveau van consumentenbescherming in het beleid van de Unie inzake pakketreizen (arrest van 29 juli 2024, HDI Global en MS Amlin Insurance, C-771/22 en C-45/23, EU:C:2024:644, punt 74).
47
In dit verband moet ten eerste, gelet op deze doelstellingen en op de dwingende aard van de bij richtlijn 2015/2302 verleende rechten — zoals blijkt uit artikel 23, lid 2, van deze richtlijn —, de voorkeur worden gegeven aan een ruime uitlegging van het begrip ‘reiziger’ in de zin van artikel 3, punt 6, van deze richtlijn, teneinde het nuttig effect van die richtlijn te verzekeren (zie naar analogie arrest van 24 oktober 2024, Zabitoń, C-347/23, EU:C:2024:919, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
48
Ten tweede zou een uitlegging van het begrip ‘reiziger’ in de zin van artikel 3, punt 6, van richtlijn 2015/2302, waarbij dat begrip niet ziet op een rechtspersoon die in eigen naam maar voor rekening van een of meer natuurlijke personen een pakketreisovereenkomst wenst te sluiten, noodzakelijkerwijs leiden tot een verlaging van het beschermingsniveau van die natuurlijke personen — die vaak consumenten zullen zijn — in vergelijking met de situatie waarin de betrokken rechtspersoon als ‘reiziger’ wordt aangemerkt, temeer wanneer, zoals in casu, die rechtspersoon een vereniging zonder winstoogmerk is die handelt ten gunste van bepaalde van haar leden die als kwetsbare personen kunnen worden beschouwd.
49
In het eerste geval kan deze rechtspersoon, ofschoon hij a priori de enige medecontractant van de organisator is wat de gesloten pakketreisovereenkomst betreft, zich immers niet — in eigen naam maar ten gunste van de natuurlijke personen voor wier rekening deze overeenkomst was gesloten — beroepen op de rechten die hij anders aan richtlijn 2015/2302 zou kunnen ontlenen, waaronder het in artikel 17 van die richtlijn bedoelde recht, omdat hij niet als een ‘reiziger’ kan worden beschouwd. Deze natuurlijke personen zouden dan zelf, wat ieder voor zich individueel betreft, en hoewel zij geen partij bij die overeenkomst zijn, hun rechten voor de nationale rechter geldend moeten maken.
50
Hoewel het in dat kader zeker denkbaar is dat die natuurlijke personen in voorkomend geval de betrokken rechtspersoon machtigen om hen daartoe in rechte te vertegenwoordigen, zou de noodzaak om dergelijke stappen te ondernemen de uitoefening van de bij richtlijn 2015/2302 verleende rechten niettemin bemoeilijken en het doel van een hoog niveau van consumentenbescherming dus kunnen ondermijnen in plaats van een bijdrage te leveren tot de verwezenlijking daarvan.
51
Ten derde zou een uitlegging van het begrip ‘reiziger’ die geen rechtspersonen zoals verenigingen zonder winstoogmerk omvat, ook tot gevolg hebben dat er een hiaat in de wetgeving ontstaat, aangezien er in dat geval sprake zou kunnen zijn van een door een rechtspersoon geldig gesloten pakketreisovereenkomst waarbij de bij richtlijn 2015/2302 aan deze overeenkomst verbonden rechten door die rechtspersoon niet kunnen worden uitgeoefend. Een uitlegging van het begrip ‘reiziger’ die tot dat resultaat leidt, zou dan ook op gespannen voet staan met de in punt 46 van het onderhavige arrest genoemde doelstelling, die er met name in bestaat hiaten in de wetgeving te dichten.
52
Ten vierde en zoals in punt 35 van het onderhavige arrest is opgemerkt, moet tevens rekening worden gehouden met de specifieke functie van het begrip ‘reiziger’ in het kader van deze richtlijn.
53
Zoals ook naar voren komt uit overweging 7 van richtlijn 2015/2302 — waarnaar in punt 41 van het onderhavige arrest wordt verwezen —, bestaat de specifieke functie van het begrip ‘reiziger’ er bij een pakketreis die binnen het in artikel 2 omschreven toepassingsgebied van deze richtlijn valt kennelijk niet in om bepaalde personen van de door deze richtlijn verleende bescherming uit te sluiten aan de hand van een functioneel criterium dat met name verband houdt met de hoedanigheid waarin zij de pakketreis kopen of met hun juridische aard, maar wel om te bepalen welke personen zich op de bij die richtlijn verleende rechten kunnen beroepen louter op basis van de band die zij hebben met pakketreisovereenkomsten, namelijk dat zij dergelijke overeenkomsten wensen te sluiten dan wel er recht op hebben te reizen op grond van reeds gesloten overeenkomsten.
54
Derhalve vereisen de door richtlijn 2015/2302 nagestreefde doelstellingen alsmede de specifieke functie die het begrip ‘reiziger’ in de zin van artikel 3, punt 6, ervan heeft in het kader van deze richtlijn, dat dit begrip aldus wordt uitgelegd dat het ook betrekking heeft op rechtspersonen die in eigen naam maar voor rekening van bepaalde natuurlijke personen een pakketreisovereenkomst wensen te sluiten die binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn valt.
55
Ten slotte moet er in navolging van de Commissie op worden gewezen dat een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een pakketreisovereenkomst wenst te sluiten en om die reden als reiziger in de zin van artikel 3, punt 6, van richtlijn 2015/2302 moet worden beschouwd, deze hoedanigheid behoudt wanneer hij de overeenkomst heeft gesloten. Er kan namelijk niet worden aanvaard dat een persoon die een dergelijke overeenkomst wenst te sluiten voor een ander, na de sluiting van de overeenkomst zijn hoedanigheid van reiziger verliest op de enkele grond dat hij zelf niet het recht heeft om op basis van die overeenkomst te reizen, omdat anders de bescherming die deze richtlijn hem beoogt te verlenen in de praktijk zou worden tenietgedaan.
56
Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 3, punt 6, van richtlijn 2015/2302 aldus moet worden uitgelegd dat een rechtspersoon zoals een vereniging zonder winstoogmerk die met een organisator in eigen naam maar voor rekening van een aantal van haar leden een pakketreisovereenkomst heeft gesloten, onder het begrip ‘reiziger’ in de zin van die bepaling valt.
Kosten
57
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tiende kamer) verklaart voor recht:
Artikel 3, punt 6, van richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van verordening (EG) nr. 2006/2004 en van richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van richtlijn 90/314/EEG van de Raad
moet aldus worden uitgelegd dat
een rechtspersoon zoals een vereniging zonder winstoogmerk die met een organisator in eigen naam maar voor rekening van een aantal van haar leden een pakketreisovereenkomst heeft gesloten, onder het begrip ‘reiziger’ in de zin van die bepaling valt.
Passer | Gratsias | Smulders |
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 13 november 2025.
De griffier | De kamerpresident |
A. Calot Escobar | J. Passer |
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 13‑11‑2025