Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/15.1:15.1 Inleiding
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/15.1
15.1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS494645:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 3.3.2.3 hiervoor.
Zie § 6.5.4 hiervoor.
Zie hoofdstuk 8 hiervoor.
Zie § 2.3.3 hiervoor.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Belang onderscheid heffings- en sanctiesfeer is in de samenloopproblematiek beperkt
In onze nationale rechtsorde is het onderscheid tussen de toezichts-, boete- en strafvorderlijke sfeer vooral van belang voor de toepasselijke meewerkverplichtingen van burgers (en daarmee corresponderende onderzoeksbevoegdheden van ambtenaren) en voor de aan burgers toekomende (verdedigings)rechten en waarborgen. Bezien vanuit art. 6 EVRM is het wetssystematische onderscheid tussen de heffings- en sanctiesfeer niet beslissend voor het toepassingsbereik van het recht tegen gedwongen zelfbelasting in punitieve belastingzaken. Dat bereik steunt op de notie van dwang tot zelfbelasting in een strafcontext. De van burgers gevorderde medewerking moet hen kunnen belasten in verband met een tegenover hen geuite criminal charge ofwel beschuldiging; in deze studie vanwege overtreding van een fiscaal voorschrift. Deze medewerking kan ook worden gevorderd in de (fiscale) heffingssfeer, op grond van de aangifteplicht en de bijkomende (informatie)verplichtingen.
Een criminal charge kan zich aandienen vóór een officiële aanzegging van boeteoplegging door de inspecteur of een kennisgeving vervolging door het OM (‘official notification’). Daarvan is volgens het Hof ook sprake als de (verdedigings)positie van de verdachte door (onderzoeks)maatregelen van de autoriteiten ‘substantially affected’ is.1 Uit de zaak Chambaz volgt bovendien dat de criminal charge niet steeds het ingangsmoment is voor de gelding van art. 6 EVRM.2 Zodoende kan al tijdens het boete- of opsporingsonderzoek in belastingzaken sprake zijn van een criminal charge c.q. de toepasselijkheid van art. 6 EVRM. Sterker, of dergelijk onderzoek al een aanvang heeft genomen, is hiervoor niet doorslaggevend.
In ruimer verband kan worden gewezen op Saunders-achtige zaken, waarin het Hof het niet-meewerkrecht vóór het ‘charge’-moment latente werking toekent.3 Die werking manifesteert zich nadien als een bewijsverbod voor mogelijk belastende verklaringen die voor de criminal charge van de (latere) verdachte zijn afgedwongen.4
Uitleg criminal charge in de Nederlandse rechtsorde
In dit hoofdstuk zal ik de uitleg en toepassing van het criminal charge-begrip door de Nederlandse wetgever, rechter en uitvoerder in punitieve belastingzaken onderzoeken. Hierbij teken ik aan dat de uitleg van het criminal charge-begrip door de rechter leidend is, in die zin dat hij niet gebonden is aan (wettelijke) voorschriften die met het EVRM in strijd zijn.5 In overeenstemming met § 3.3 hiervoor, zal ik bij de bepaling en ordening hierna van de nationale uitleg van het criminal charge-begrip in Nederlandse punitieve belastingzaken, een onderscheid maken tussen het ‘criminal’-begrip enerzijds en het ‘charge’-begrip anderzijds. Daarbij zal de nadruk liggen op (het beginpunt van) de ‘charge’ in punitieve belastingzaken. Dat beginpunt is in beginsel bepalend voor de toepasselijkheid van zowel het EVRM-zwijgrecht als het niet-meewerkrecht in deze zaken.
Ik ontkom er niet aan om een enkele keer een voorschot te nemen op de bevindingen in komende hoofdstukken; vooral met betrekking tot (het toepassingsbereik van) het boeterechtelijk zwijgrecht in art. 5:10a Awb en het strafrechtelijk zwijgrecht in art. 29 Sv. De verhouding tussen het boete- en strafrechtelijk zwijgrecht enerzijds en het EVRM-zwijgrecht anderzijds, is onderwerp van de hoofdstukken 16 en 17 hierna.