Procestaal: Litouws.
HvJ EU, 09-03-2023, nr. C-354/21
ECLI:EU:C:2023:184
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
09-03-2023
- Magistraten
E. Regan, D. Gratsias, M. Ilešič, I. Jarukaitis, Z. Csehi
- Zaaknummer
C-354/21
- Conclusie
M. szpunar
- Roepnaam
Registrų centras
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2023:184, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 09‑03‑2023
ECLI:EU:C:2022:587, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 14‑07‑2022
Uitspraak 09‑03‑2023
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Europese erfrechtverklaring — Verordening (EU) nr. 650/2012 — Artikel 1, lid 2, onder l) — Toepassingsgebied — Artikel 68 — Inhoud van de Europese erfrechtverklaring — Artikel 69, lid 5 — Rechtsgevolgen van de Europese erfrechtverklaring — Onroerend goed uit de nalatenschap dat in een andere lidstaat is gelegen dan die van de erfopvolging — Inschrijving van dat onroerende goed in het vastgoedregister van die lidstaat — Wettelijke voorschriften die naar het recht van die lidstaat gelden voor die inschrijving — Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1329/2014 — Verplicht karakter van formulier V in bijlage 5 bij deze uitvoeringsverordening
E. Regan, D. Gratsias, M. Ilešič, I. Jarukaitis, Z. Csehi
Partij(en)
In zaak C-354/21,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas (hoogste bestuursrechter, Litouwen) bij beslissing van 2 juni 2021, ingekomen bij het Hof op 4 juni 2021, in de procedure
R. J. R.
tegen
Registrų centras VĮ,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: E. Regan, kamerpresident, D. Gratsias, M. Ilešič (rapporteur), I. Jarukaitis en Z. Csehi, rechters,
advocaat-generaal: M. Szpunar,
griffier: M. Siekierzyńska, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 4 mei 2022,
gelet op de opmerkingen van:
- —
de Litouwse regering, vertegenwoordigd door K. Dieninis en V. Kazlauskaitė-Švenčionienė als gemachtigden,
- —
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,
- —
de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller, U. Bartl, M. Hellmann, R. Kanitz, P.-L. Krüger en U. Kühne als gemachtigden,
- —
de Spaanse regering, vertegenwoordigd door I. Herranz Elizalde als gemachtigde,
- —
de Franse regering, vertegenwoordigd door A. Daniel en A.-C. Drouant als gemachtigden,
- —
de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door Z. Biró-Tóth en M. Z. Fehér als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. L. Kalėda en W. Wils als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 juli 2022,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 1, lid 2, onder l), en artikel 69, lid 5, van verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (PB 2012, L 201, blz. 107).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen R. J. R. en Registrų centras VĮ (overheidscentrum voor registers, Litouwen) inzake de inschrijving in het vastgoedregister van het eigendomsrecht op een in Litouwen gelegen onroerend goed uit een nalatenschap waarvan R. J. R. de erfgenaam is.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Verordening nr. 650/2012
3
De overwegingen 7, 8, 18, 67 en 71 van verordening nr. 650/2012 luiden als volgt:
- ‘7)
De goede werking van de interne markt moet worden vergemakkelijkt door het wegnemen van de belemmeringen voor het vrije verkeer van personen die thans moeilijkheden ondervinden om hun rechten te doen gelden in het kader van een erfopvolging met grensoverschrijdende gevolgen. In de Europese justitiële ruimte moeten burgers op voorhand hun erfopvolging kunnen organiseren. De rechten van erfgenamen en legatarissen, van andere personen die de erflater na staan en van schuldeisers van de nalatenschap moeten daadwerkelijk worden gegarandeerd.
- 8)
Om deze doelstellingen te bereiken, moeten in deze verordening bepalingen worden samengebracht inzake rechterlijke bevoegdheid, inzake toepasselijk recht, inzake erkenning — of, naargelang van het geval, aanvaarding —, uitvoerbaarheid en tenuitvoerlegging van beslissingen, authentieke akten en gerechtelijke schikkingen, en inzake het tot stand brengen van een Europese erfrechtverklaring.
[…]
- 18)
De voorwaarden voor de inschrijving van een recht op onroerende en op roerende zaken moeten van het toepassingsgebied van deze verordening worden uitgesloten. Het is derhalve aan het recht van de lidstaat waar het register wordt gehouden (voor onroerende zaken de lex rei sitae), om te bepalen onder welke wettelijke voorwaarden en op welke wijze de registratie moet plaatsvinden, en welke autoriteiten, zoals het kadaster of een notaris, belast zijn om na te gaan of aan alle voorwaarden is voldaan en of de aangeboden of opgemaakte akten volledig zijn of de noodzakelijke informatie bevatten. De autoriteiten kunnen in het bijzonder nagaan of het recht van de erflater op de zaken uit de nalatenschap die in het ter inschrijving aangeboden document staan vermeld, een recht is dat als zodanig is geregistreerd of waarvan anderszins het bewijs wordt geleverd in overeenstemming met het recht van de lidstaat waar het register wordt gehouden. Om veelvouden van akten te voorkomen, moeten akten die door de bevoegde autoriteiten in een andere lidstaat zijn opgemaakt en op grond van deze verordening worden verspreid, door de registrerende autoriteit worden aanvaard. In het bijzonder dient de op grond van deze verordening afgegeven Europese erfrechtverklaring een geldig document te vormen voor de inschrijving van de goederen van de nalatenschap in het register van een lidstaat. Dit laat onverlet dat de bij de registratie betrokken autoriteiten de persoon die om registratie verzoekt, kunnen vragen om zodanige aanvullende informatie te verstrekken of zodanige aanvullende stukken over te leggen, als vereist onder het recht van de lidstaat waar het register wordt gehouden, zoals gegevens of documenten in verband met de betaling van belastingen. De bevoegde autoriteit kan de persoon die om registratie verzoekt, mededelen hoe de ontbrekende gegevens of documenten kunnen worden verstrekt.
[…]
- 67)
Een snelle, soepele en efficiënte behandeling van een erfopvolging met grensoverschrijdende gevolgen in de [Europese] Unie impliceert dat de erfgenamen, de legatarissen, de executeurs-testamentair en de beheerders van de nalatenschap eenvoudig hun rechtspositie en/of rechten en bevoegdheden moeten kunnen aantonen in een andere lidstaat, bijvoorbeeld een lidstaat waar zich goederen van de nalatenschap bevinden. Om dit te verwezenlijken, moet bij deze verordening worden voorzien in de instelling van een eenvormige verklaring, de Europese erfrechtverklaring […], die wordt afgegeven om in een andere lidstaat te worden gebruikt. Teneinde het subsidiariteitsbeginsel te eerbiedigen, mag de erfrechtverklaring niet in de plaats treden van interne documenten met gelijkaardige strekking in de lidstaten.
[…]
- 71)
De erfrechtverklaring moet in alle lidstaten dezelfde rechtsgevolgen hebben. De erfrechtverklaring moet niet een zelfstandige executoriale titel zijn, maar moet bewijskracht hebben en moet worden geacht nauwkeurig aan te geven welke elementen zijn vastgesteld krachtens het op de erfopvolging toepasselijke recht of krachtens een ander rechtsstelsel dat van toepassing is op bepaalde elementen, bijvoorbeeld de materiële geldigheid van een uiterste wilsbeschikking. De bewijskracht van de erfrechtverklaring mag zich niet uitstrekken tot elementen die door deze verordening niet geregeld worden, zoals verwantschapskwesties en de vraag of een bepaald goed eigendom van de erflater was. […]’
4
Artikel 1 (‘Toepassingsgebied’) van deze verordening bepaalt:
- ‘1.
Deze verordening is van toepassing op de erfopvolging in de nalatenschappen van overleden personen. Zij is niet van toepassing op fiscale zaken, douanezaken en administratiefrechtelijke zaken.
- 2.
Deze verordening is niet van toepassing op:
[…]
- k)
de aard van zakelijke rechten, en
- l)
de inschrijving van rechten op onroerende en roerende zaken in een register, met inbegrip van de wettelijke voorschriften voor een dergelijke inschrijving en de rechtsgevolgen van de inschrijving van dergelijke rechten of van het achterwege blijven daarvan.’
5
Hoofdstuk VI (‘Europese erfrechtverklaring’) van deze verordening omvat de artikelen 62 tot en met 73.
6
Artikel 62 (‘Instelling van een Europese erfrechtverklaring’) van deze verordening luidt:
- ‘1.
Bij deze verordening wordt een Europese erfrechtverklaring […] ingesteld, die wordt afgegeven om in een andere lidstaat te worden gebruikt en die de in artikel 69 omschreven rechtsgevolgen heeft.
- 2.
Het gebruik van de erfrechtverklaring is niet verplicht.
- 3.
De erfrechtverklaring komt niet in de plaats van de documenten die in de lidstaten voor soortgelijke doeleinden worden gebruikt. Zodra de erfrechtverklaring evenwel, overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk, is afgegeven om in een andere lidstaat te worden gebruikt, heeft zij tevens de in artikel 69 omschreven rechtsgevolgen in de lidstaat van afgifte.’
7
Artikel 63 (‘Doel van de erfrechtverklaring’) van verordening nr. 650/2012 bepaalt het volgende:
- ‘1.
De erfrechtverklaring is bestemd voor erfgenamen […] die zich in een andere lidstaat dienen te beroepen op hun hoedanigheid of de daaraan verbonden rechten […] dienen aan te tonen.
- 2.
De erfrechtverklaring kan met name worden gebruikt om het bewijs te leveren van een of meer van het volgende:
- a)
de rechtspositie en/of de rechten van alle erfgenamen en, in voorkomend geval, alle legatarissen die in de erfrechtverklaring worden genoemd, alsmede hun erfdeel of legaat;
- b)
de toewijzing van een bepaald goed of bepaalde goederen van de nalatenschap aan de erfgenamen of, in voorkomend geval, de legatarissen die in de erfrechtverklaring worden genoemd;
[…]’
8
Artikel 67 (‘Afgifte van de erfrechtverklaring’) van deze verordening, luidt in lid 1 als volgt:
‘Zodra de te staven gegevens volgens het op de erfopvolging toepasselijke recht of volgens een ander, specifiek toepasselijk recht vaststaan, wordt de erfrechtverklaring volgens de in dit hoofdstuk bepaalde procedure onverwijld afgegeven. De autoriteit van afgifte gebruikt daarvoor het formulier dat in overeenstemming met de in artikel 81, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure is vastgesteld.’
9
Artikel 68 (‘Inhoud van de erfrechtverklaring’) van deze verordening bepaalt:
‘De erfrechtverklaring bevat de volgende gegevens, voor zover deze nodig zijn voor de doeleinden waarvoor zij wordt afgegeven:
[…]
- l)
het erfdeel dat elke erfgenaam toekomt en, in voorkomend geval, de lijst van rechten en/of goederen die elke erfgenaam toekomen;
[…]’
10
Artikel 69 (‘Rechtsgevolgen van de erfrechtverklaring’) van verordening nr. 650/2012 luidt:
- ‘1.
De erfrechtverklaring heeft rechtsgevolgen in alle lidstaten zonder dat daartoe een procedure vereist is.
- 2.
De erfrechtverklaring wordt geacht datgene nauwkeurig aan te tonen dat vaststaat volgens het recht dat van toepassing is op de erfopvolging, dan wel volgens enig ander recht van toepassing op specifieke gegevens. Degene die in de erfrechtverklaring als erfgenaam […] wordt genoemd, wordt geacht de in de erfrechtverklaring genoemde hoedanigheid te hebben en/of de houder te zijn van de in de erfrechtverklaring vermelde rechten of bevoegdheden, zonder andere voorwaarden en/of beperkingen met betrekking tot die rechten of bevoegdheden dan die welke in de erfrechtverklaring vermeld zijn.
[…]
- 5.
Onverminderd artikel 1, lid 2, onder k) en l), is de erfrechtverklaring een geldig document voor de inschrijving van goederen uit de nalatenschap in het desbetreffende register in een lidstaat.’
Uitvoeringsverordening nr. 1329/2014
11
Artikel 1, lid 5, van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1329/2014 van de Commissie van 9 december 2014 tot vaststelling van de formulieren bedoeld in verordening nr. 650/2012 (PB 2014, L 359, blz. 30) bepaalt:
‘Voor de Europese erfrechtverklaring, zoals bedoeld in artikel 67, lid 1, van [verordening nr. 650/2012], wordt het in bijlage 5 vastgestelde formulier V gebruikt.’
12
Dit formulier V in bijlage 5 bij deze uitvoeringsverordening geeft aan welke bijlagen kunnen worden gebruikt bij de Europese erfrechtverklaring. Een daarvan is bijlage IV, met als opschrift ‘Status en rechten van de erfgena(a)m(en)’.
13
Punt 9 van bijlage IV luidt:
‘Goed(eren) dat (die) aan de erfgenaam is (zijn) toegekend en waarvoor een verklaring werd aangevraagd (specificeer het (de) goed(eren) en vermeld alle relevante identificatiegegevens)’.
Litouws recht
14
De Lietuvos Respublikos nekilnojamojo turto registro įstatymas Nr. I-1539 (wet nr. I-1539 van de Republiek Litouwen betreffende het vastgoedregister) van 24 september 1996 (Žin. 1996, nr. 100-2261), zoals gewijzigd bij wet nr. XII-1833 van 23 juni 2015 (hierna: ‘wet vastgoedregister’), bepaalt in artikel 5, lid 2, dat de beheerder van het vastgoedregister volgens de wet verantwoordelijk is voor de juistheid en de bescherming van de daarin opgeslagen gegevens. Volgens deze bepaling is deze beheerder alleen verantwoordelijk voor de overeenstemming van de daarin ingevoerde gegevens met de documenten op basis waarvan deze gegevens zijn ingevoerd.
15
Artikel 22 van de wet vastgoedregister regelt de rechtsgrondslagen om zakelijke rechten op onroerende goederen, eventuele lasten die op deze rechten rusten en rechtsfeiten in te schrijven in het vastgoedregister. Deze bepaling bevat de lijst van documenten die het bestaan aantonen van zakelijke rechten op onroerende goederen of van rechtsfeiten op basis waarvan deze rechten, lasten op deze rechten of rechtsfeiten in het vastgoedregister worden ingeschreven, waaronder beslissingen van de overheid, arresten, vonnissen, beschikkingen en uitspraken van rechterlijke instanties alsook erfrechtverklaringen.
16
In artikel 23 van deze wet is de wijze van indiening van aanvragen tot inschrijving van zakelijke rechten op onroerende goederen, lasten op dergelijke rechten en rechtsfeiten vastgelegd. In lid 2 is bepaald dat de aanvraag vergezeld moet gaan van documenten die het bestaan aantonen van de zakelijke rechten waarvoor om registratie wordt verzocht, van de eventueel op deze rechten rustende lasten en van de daarmee verband houdende rechtsfeiten. In lid 3 van artikel 23 is bepaald dat de documenten die het bestaan aantonen van zakelijke rechten op onroerende goederen, lasten op dergelijke rechten en rechtsfeiten of de basis vormen voor het ontstaan, het verval, de overdracht of de bezwaring van deze rechten, lasten en rechtsfeiten, moeten voldoen aan de wettelijke vereisten en de voor registratie in het vastgoedregister benodigde gegevens dienen te bevatten. Volgens artikel 23, lid 4, moeten documenten op grond waarvan om inschrijving in het vastgoedregister wordt verzocht, leesbaar zijn en de volgende informatie bevatten: de volledige voornamen en achternamen, juridische benamingen, adressen, identificatienummers van de personen die bij de registratie betrokken zijn, alsook het unieke nummer van het onroerend goed waarop de registratie betrekking heeft, dat wordt toegekend volgens de procedure die is vastgesteld in de Lietuvos Respublikos nekilnojamojo turto kadastro nuostatai (voorschriften van de Republiek Litouwen met betrekking tot het kadaster).
17
Volgens artikel 29 van de wet vastgoedregister weigert de beheerder van het kadaster zakelijke rechten op onroerende goederen, lasten op dergelijke rechten en rechtsfeiten te registreren indien bij de behandeling van de aanvraag wordt vastgesteld dat het document op basis waarvan om registratie wordt verzocht niet aan de vereisten van deze wet voldoet, of dat de aanvraag of het document dat aan die beheerder is overgelegd niet de gegevens bevat die volgens de Nekilnojamojo turto registro nuostatai (voorschriften met betrekking tot het vastgoedregister) noodzakelijk zijn voor de identificatie van het onroerende goed en van de personen die daar zakelijke rechten op verwerven.
18
In punt 14.2.2 van de voorschriften met betrekking tot het vastgoedregister, die zijn vastgesteld bij Lietuvos Respublikos vyriausybės nutarimas Nr. 379 ‘Dėl Nekilnojamojo turto registro nuostatų patvirtinimo’ (besluit nr. 379 van de regering van de Republiek Litouwen houdende goedkeuring van de regeling inzake het vastgoedregister), van 23 april 2014 (TAR, 2014, nr. 2014-4930) wordt aangegeven dat de volgende gegevens dienen ter identificatie van het onroerend goed: kadastraal gebied, kadastraal blok en kadastraal nummer van het perceel; uniek nummer (identificatiecode) van het perceel; uniek nummer (identificatiecode) van het bouwwerk, en uniek nummer (identificatiecode) van het appartement of de ruimte.
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
19
Verzoeker in het hoofdgeding woont in Duitsland.
20
Op 6 december 2015 overleed zijn moeder (hierna: ‘erflaatster’), die op dat moment haar gewone verblijfplaats ook in Duitsland had. Verzoeker, die haar enige erfgenaam was, heeft haar nalatenschap in Duitsland zonder voorbehoud aanvaard. Aangezien deze nalatenschap niet alleen bestond uit goederen in Duitsland maar ook uit goederen in Litouwen, heeft hij bij de bevoegde Duitse rechtbank een Europese erfrechtverklaring aangevraagd.
21
Op 24 september 2018 heeft het Amtsgericht Bad Urach (rechter in eerste aanleg Bad Urach, Duitsland) aan verzoeker in het hoofdgeding erfrechtverklaring nr. 1 VI 174/18 afgegeven, waarin is vermeld dat G. R., die op 10 mei 2014 was overleden, zijn bezittingen en schulden had nagelaten aan erflaatster, zijn enige erfgenaam, alsook Europese erfrechtverklaring nr. 1 VI 175/18, waarin is vermeld dat erflaatster haar bezittingen en schulden heeft nagelaten aan verzoeker in het hoofdgeding, die de enige erfgenaam was en de nalatenschap zonder voorbehoud heeft aanvaard.
22
Op 15 maart 2019 heeft verzoeker in het hoofdgeding bij het overheidscentrum voor registers, de overheidsinstantie in Litouwen die met name het kadaster en het vastgoedregister beheert, een aanvraag ingediend voor de registratie van zijn eigendomsrecht op de onroerende goederen in Litouwen die aan erflaatster hadden toebehoord. Ter onderbouwing van zijn aanvraag heeft hij de in het vorige punt genoemde erfrechtverklaring en Europese erfrechtverklaring overgelegd.
23
Bij besluit van 20 maart 2019 heeft de afdeling Tauragė van het departement vastgoedregister van de dienst voor het beheer van eigendomsregisters als onderdeel van het overheidscentrum voor registers deze aanvraag afgewezen op grond dat de Europese erfrechtverklaring niet de gegevens bevatte die volgens de wet vastgoedregister noodzakelijk waren om het onroerend goed te identificeren, dat wil zeggen dat deze verklaring niet vermeldde welke goederen verzoeker in het hoofdgeding had geërfd.
24
Deze laatste heeft tegen dit afwijzingsbesluit bezwaar aangetekend bij de geschillencommissie van de centrale registrator van het overheidscentrum voor registers, die het afwijzingsbesluit bij besluit van 9 mei 2019 volledig heeft bevestigd.
25
Verzoeker in het hoofdgeding heeft tegen deze besluiten beroep ingesteld bij de Regionų apygardos administracinio teismo Klaipėdos rūmai (bestuursrechter in eerste aanleg, district Klaipėda, Litouwen), die dit beroep bij beslissing van 30 december 2019 ongegrond heeft verklaard.
26
Daarop heeft verzoeker in het hoofdgeding tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas (hoogste bestuursrechter, Litouwen), de verwijzende rechter. Volgens deze rechter werpt het bij hem aanhangige geding vragen op over de uitlegging van verordening nr. 650/2012.
27
De verwijzende rechter merkt op dat uit artikel 69, lid 5, van verordening nr. 650/2012 volgt dat de Europese erfrechtverklaring onverminderd artikel 1, lid 2, onder k) en l), van deze verordening een geldig document is voor de inschrijving van goederen uit de nalatenschap in het desbetreffende register in een lidstaat en dat die verklaring dus niet van invloed is op de toepassing van dat artikel 1, lid 2, onder l). Deze laatste bepaling, die de inschrijving van rechten op onroerende en roerende zaken in een register uitsluit van de werkingssfeer van deze verordening, impliceert volgens de verwijzende rechter dat de voorwaarden voor inschrijving in het vastgoedregister overeenkomstig het recht van de lidstaat waar het goed zich bevindt, door het verkrijgen van een Europese erfrechtverklaring op zich niet buiten werking worden gesteld.
28
De verwijzende rechter benadrukt dat de documenten die in Litouwen als grondslag kunnen dienen voor de opname in het register van zakelijke rechten op onroerende goederen, zijn opgesomd in artikel 22 van de wet vastgoedregister en dat in artikel 23, leden 2 tot en met 4, van deze wet is vastgelegd welke gegevens deze documenten dienen te bevatten en wat erin dient te worden aangetoond. Het overheidscentrum voor registers handelt uitsluitend krachtens de aan dat centrum bij wet verleende bevoegdheden, en in de wet is niet vastgelegd dat het zelf de omvang van eigendomsrechten mag vaststellen of informatie en bewijzen mag verzamelen waaruit bepaalde feiten al dan niet blijken.
29
De verwijzende rechter wijst erop dat naar Litouws recht de voor de inschrijving in het vastgoedregister noodzakelijke gegevens dus uitsluitend kunnen worden verstrekt in de in artikel 22 van de wet vastgoedregister genoemde documenten en dat wanneer de verstrekte gegevens onvolledig zijn, het overheidscentrum voor registers geen andere gegevens dan in die documenten in aanmerking mag nemen.
30
Om rechtsgevolgen te kunnen sorteren moet een Europese erfrechtverklaring bovendien zijn opgesteld in de vorm van formulier V in bijlage 5 bij uitvoeringsverordening nr. 1329/2014. Hieruit volgt — aldus de verwijzende rechter — dat, indien de gegevens waarop de toepasselijke bepalingen van verordening nr. 650/2012 en uitvoeringsverordening nr. 1329/2014 betrekking hebben, worden verstrekt in de Europese erfrechtverklaring, deze in Litouwen wordt beschouwd als geldig document op grond waarvan de overgang van het goed in het vastgoedregister wordt ingeschreven overeenkomstig artikel 69, lid 5, van verordening nr. 650/2012.
31
De verwijzende rechter constateert dat de door de Duitse rechter afgegeven Europese erfrechtverklaring aan de hand van formulier V is opgesteld en bijlage IV bij dit formulier bevat, waarin de status en de rechten van de erfgenaam worden bevestigd. Deze rechter voegt daar echter aan toe dat in punt 9 van die bijlage IV geen gegevens staan vermeld over de goederen die aan de erfgenaam zijn toegekend en waarvoor een verklaring werd aangevraagd.
32
De verwijzende rechter geeft aan dat uit de door verzoeker in het hoofdgeding aangevoerde argumenten en de door hem aangehaalde Duitse rechtspraak blijkt dat de instantie die de Europese erfrechtverklaring heeft afgegeven niet per ongeluk heeft verzuimd deze gegevens te vermelden. Verzoeker in het hoofdgeding voert volgens deze rechter met name aan dat het Duitse erfrecht wordt beheerst door het beginsel van erfopvolging onder algemene titel en dat, wanneer er sprake is van één begunstigde, deze bijgevolg het volledige vermogen van de erflater verwerft. Hij betoogt dat het naar Duits recht niet mogelijk is om goederen uit een nalatenschap op enigerlei wijze aan te duiden of aan te wijzen. Volgens verzoeker is het dan ook vaste rechtspraak dat Duitse rechterlijke instanties in dat geval artikel 68, onder l), van verordening nr. 650/2012 buiten toepassing laten. Op grond van die bepaling wordt in de Europese erfrechtverklaring melding gemaakt van het erfdeel dat elke erfgenaam toekomt en, in voorkomend geval, van de lijst van rechten en/of goederen die elke erfgenaam toekomen.
33
Gelet op de doelstellingen waarmee de Europese erfrechtverklaring is ingevoerd, waaronder met name een snelle, soepele en efficiënte behandeling van een erfopvolging met grensoverschrijdende gevolgen in de Unie, twijfelt de verwijzende rechter over hoe artikel 1, lid 2, onder l), en artikel 69, lid 5, van verordening nr. 650/2012 moeten worden uitgelegd en met name over hoe deze bepalingen moeten worden toegepast in combinatie met het nationale recht dat de voorwaarden regelt om eigendomsrechten in te kunnen schrijven in het vastgoedregister van de lidstaat waar zich goederen uit de nalatenschap bevinden.
34
In deze omstandigheden heeft de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moeten artikel 1, lid 2, onder l), en artikel 69, lid 5, van verordening [nr. 650/2012] aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een wettelijke regeling van de lidstaat waar het onroerend goed zich bevindt, volgens welke registratie van het eigendomsrecht in het vastgoedregister op basis van een Europese erfrechtverklaring alleen mogelijk is indien deze Europese erfrechtverklaring alle voor die registratie benodigde gegevens bevat?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
35
Blijkens de verwijzingsbeslissing is de aanvraag van verzoeker in het hoofdgeding om zijn eigendomsrecht op een goed in Litouwen in te schrijven in het Litouwse vastgoedregister afgewezen op grond dat de voor die aanvraag overgelegde Europese erfrechtverklaring geen gegevens over dat goed bevatte. In deze omstandigheden moet voor een nuttig antwoord aan de verwijzende rechter de vraag zo worden geherformuleerd dat deze tevens betrekking heeft op artikel 68 van verordening nr. 650/2012, aangezien juist dit artikel blijkens het opschrift ervan de inhoud van die verklaring betreft. Volgens vaste rechtspraak moet het Hof namelijk uit alle door de nationale rechter verstrekte gegevens, met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de elementen van het Unierecht putten die, gelet op het voorwerp van het geschil, uitlegging behoeven (zie in die zin arrest van 16 november 2021, Governor of Cloverhill Prison e.a., C-479/21 PPU, EU:C:2021:929, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter dus in wezen te vernemen of artikel 1, lid 2, onder l), artikel 68, onder l), en artikel 69, lid 5, van verordening nr. 650/2012 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan de aanvraag om een onroerend goed in te schrijven in het vastgoedregister van die lidstaat kan worden afgewezen indien het enige document dat ter ondersteuning van die aanvraag is overgelegd een Europese erfrechtverklaring is waarin dat onroerende goed niet wordt geïdentificeerd.
37
Om te beginnen zij eraan herinnerd dat artikel 1 van verordening nr. 650/2012, na in lid 1 het toepassingsgebied ervan te hebben bepaald, in lid 2 uitputtend opsomt wat er van dat toepassingsgebied is uitgesloten, waaronder in dit lid onder l) ‘de inschrijving van rechten op onroerende en roerende zaken in een register, met inbegrip van de wettelijke voorschriften voor een dergelijke inschrijving en de rechtsgevolgen van de inschrijving van dergelijke rechten of van het achterwege blijven daarvan’.
38
Artikel 69, lid 5, van verordening nr. 650/2012 bepaalt dat een Europese erfrechtverklaring onverminderd artikel 1, lid 2, onder k) en l), van die verordening een geldig document is voor de inschrijving van goederen uit de nalatenschap in het desbetreffende register in een lidstaat. Volgens artikel 68 van deze verordening moet de Europese erfrechtverklaring bepaalde gegevens bevatten voor zover deze nodig zijn voor de doeleinden waarvoor zij wordt afgegeven, waaronder volgens artikel 68, punt l), ook het erfdeel dat elke erfgenaam toekomt en, in voorkomend geval, de lijst van rechten en/of goederen die elke erfgenaam toekomen.
39
Om te kunnen beoordelen of de verplichting om overeenkomstig artikel 68, onder l), van verordening nr. 650/2012 in een Europese erfrechtverklaring een lijst op te nemen van de goederen die de betrokken erfgenaam toekomen, niet alleen bij een erfopvolging met meerdere erfgenamen rust op de autoriteit die deze verklaring afgeeft maar ook bij een erfopvolging met één erfgenaam, zoals in casu, moet dit artikel 68, onder l), dan ook worden uitgelegd in het licht van de combinatie van artikel 1, lid 2, onder l), en artikel 69, lid 5, van deze verordening alsmede van het algemene kader waarin deze bepalingen passen.
40
In dit verband zij eraan herinnerd dat de Europese erfrechtverklaring een autonoom Unierechtelijk instrument is waarvan het gebruik en de gevolgen nauwkeurig zijn geregeld in verordening nr. 650/2012. Het Hof heeft in het bijzonder reeds verduidelijkt dat deze verklaring, die is ingesteld bij deze verordening, een autonome juridische regeling kent die is neergelegd in de bepalingen van hoofdstuk VI van die verordening (arrest van 21 juni 2018, Oberle, C-20/17, EU:C:2018:485, punt 46).
41
De in punt 39 van het onderhavige arrest genoemde bepalingen van verordening nr. 650/2012 moeten worden uitgelegd in het licht van de doelstellingen ervan. Deze verordening strekt er blijkens de overwegingen 7 en 8 ervan toe om erfgenamen en legatarissen, andere personen die de erflater na staan en schuldeisers van de nalatenschap te helpen hun rechten te doen gelden in het kader van een erfopvolging met grensoverschrijdende gevolgen, en om burgers van de Unie in staat te stellen op voorhand hun erfopvolging voor te bereiden (zie in die zin arrest van 21 juni 2018, Oberle, C-20/17, EU:C:2018:485, punt 49).
42
Vanuit dit oogpunt heeft de Uniewetgever bij verordening nr. 650/2012 de Europese erfrechtverklaring ingesteld, die volgens overweging 67 van deze verordening onder meer de erfgenamen in staat moet stellen eenvoudig hun rechtspositie en/of rechten en bevoegdheden aan te tonen in een andere lidstaat, zodat een erfopvolging met grensoverschrijdende gevolgen in de Unie snel, soepel en efficiënt kan worden behandeld.
43
In artikel 63, lid 1, van verordening nr. 650/2012 is bepaald dat de Europese erfrechtverklaring is bestemd voor onder meer de erfgenamen die zich in een andere lidstaat dienen te beroepen op hun hoedanigheid of de daaraan verbonden rechten dienen aan te tonen. Overeenkomstig artikel 63, lid 2, onder a) en b), kan deze verklaring met name worden gebruikt om het bewijs te leveren van de rechtspositie en/of de rechten van alle erfgenamen die in de verklaring worden genoemd, alsook van de toewijzing van een bepaald goed of bepaalde goederen van de nalatenschap aan de erfgenamen.
44
Wat betreft de gevolgen van de Europese erfrechtverklaring, is het zo dat deze verklaring blijkens artikel 69, lid 1, en overweging 71 van verordening nr. 650/2012 rechtsgevolgen in alle lidstaten moet hebben zonder dat daartoe een procedure vereist is. Overeenkomstig artikel 69, lid 2, van deze verordening wordt deze verklaring geacht datgene nauwkeurig aan te tonen dat vaststaat volgens het recht dat van toepassing is op de erfopvolging, dan wel volgens enig ander recht van toepassing op specifieke gegevens. Degene die in de erfrechtverklaring als erfgenaam wordt genoemd, wordt geacht de in de erfrechtverklaring genoemde hoedanigheid te hebben en/of de houder te zijn van de in de erfrechtverklaring vermelde rechten of bevoegdheden, zonder andere voorwaarden en/of beperkingen met betrekking tot die rechten of bevoegdheden dan die welke in de erfrechtverklaring vermeld zijn. Wanneer een Europese erfrechtverklaring is afgegeven aan een erfgenaam in de lidstaat waar de erflater zijn gewone verblijfplaats had, kan die erfgenaam deze dus gebruiken in de andere lidstaten waar de goederen van de erflater zich bevinden.
45
Wat in het bijzonder het geval betreft waarin de Europese erfrechtverklaring dient als de grondslag waarop inschrijving van een geërfd onroerend goed wordt aangevraagd, zij benadrukt dat deze verklaring volgens artikel 68 van verordening nr. 650/2012 een minimum aan gegevens moet bevatten. De inhoud van de verklaring kan per geval en afhankelijk van de doeleinden waarvoor zij wordt afgegeven verschillen.
46
Dienaangaande zij opgemerkt dat de autoriteit van afgifte van de verklaring overeenkomstig artikel 67, lid 1, van verordening nr. 650/2012 — en zoals het Hof reeds heeft aangegeven — verplicht is om bij de afgifte het in bijlage 5 bij uitvoeringsverordening nr. 1329/2014 vastgestelde formulier V te gebruiken (zie in die zin arrest van 17 januari 2019, Brisch, C-102/18, EU:C:2019:34, punt 30).
47
Tevens zij eraan herinnerd dat, zoals blijkt uit punt 38 van het onderhavige arrest, een Europese erfrechtverklaring volgens artikel 69, lid 5, van verordening nr. 650/2012 een geldig document is voor de inschrijving van goederen uit de nalatenschap in het desbetreffende register in een lidstaat, onverminderd onder meer artikel 1, lid 2, onder l), van deze verordening, waarin wordt bepaald — zoals het Hof reeds heeft aangegeven — dat die verordening niet van toepassing is op de inschrijving van rechten op onroerende en roerende zaken in een register, met inbegrip van de wettelijke voorschriften voor een dergelijke inschrijving en de rechtsgevolgen van de inschrijving van dergelijke rechten of van het achterwege blijven daarvan (zie in die zin arrest van 12 oktober 2017, Kubicka, C-218/16, EU:C:2017:755, punt 54).
48
Het feit dat die wettelijke voorschriften dus door het nationale recht worden geregeld blijkt ook uit overweging 18 van verordening nr. 650/2012, waarin staat te lezen dat de voorwaarden voor de inschrijving van een recht op onroerende en op roerende zaken van het toepassingsgebied van deze verordening zijn uitgesloten, zodat het aan het recht van de lidstaat waar het register wordt gehouden is om te bepalen onder welke wettelijke voorwaarden en op welke wijze de registratie moet plaatsvinden, en welke autoriteiten, zoals het kadaster of een notaris, belast zijn om na te gaan of aan alle voorwaarden is voldaan en of de aangeboden of opgemaakte akten volledig zijn of de noodzakelijke informatie bevatten.
49
Verordening nr. 650/2012 betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring — en meer bepaald artikel 69, lid 5, gelezen in combinatie met artikel 1, lid 2, onder l), waarnaar eerstgenoemde bepaling verwijst — verhindert een lidstaat dan ook niet om voorwaarden te stellen voor de registratie van zakelijke rechten op onroerende goederen of deze toe te passen.
50
Iedere lidstaat waar zakelijke rechten op onroerende goederen worden geregistreerd is vrij om te bepalen onder welke voorwaarden en op welke wijze die inschrijving moet plaatsvinden, en kan dus eisen dat alle identificatiegegevens van een onroerend goed waarvan de inschrijving wordt gevraagd, in die aanvraag of de daarbij gevoegde documenten worden verstrekt.
51
Uit het voorgaande volgt dan ook dat de met registratie van zakelijke rechten op onroerende goederen belaste autoriteit die een aanvraag tot registratie van een geërfd onroerend goed ontvangt zonder dat dit goed is geïdentificeerd in een document op basis waarvan die registratie is aangevraagd, ook niet in de overgelegde Europese erfrechtverklaring, de aanvraag kan afwijzen.
52
In dit verband zij erop gewezen dat de afwijzing van een op een Europese erfrechtverklaring gebaseerde aanvraag om een onroerend goed in te schrijven in een vastgoedregister van een lidstaat op grond dat zij geen gegevens bevat waarmee dat goed kan worden geïdentificeerd, niet afdoet aan de geldigheid van deze verklaring als zodanig voor wat betreft de andere gegevens die erin voor echt worden verklaard, zoals de hoedanigheid van erfgenaam.
53
Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 1, lid 2, onder l), artikel 68, onder l), en artikel 69, lid 5, van verordening nr. 650/2012 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan de aanvraag om een onroerend goed in te schrijven in het vastgoedregister van die lidstaat kan worden afgewezen indien het enige document dat ter ondersteuning van die aanvraag is overgelegd een Europese erfrechtverklaring is waarin dat onroerende goed niet wordt geïdentificeerd.
Kosten
54
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 1, lid 2, onder l), artikel 68, onder l), en artikel 69, lid 5, van verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich niet verzetten tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan de aanvraag om een onroerend goed in te schrijven in het vastgoedregister van die lidstaat kan worden afgewezen indien het enige document dat ter ondersteuning van die aanvraag is overgelegd een Europese erfrechtverklaring is waarin dat onroerende goed niet wordt geïdentificeerd.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 09‑03‑2023
Conclusie 14‑07‑2022
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Verordening (EU) nr. 650/2012 — Europese erfrechtverklaring — Rechtsgevolgen van de verklaring — Afbakening — Inschrijving van goederen uit de nalatenschap in het kadaster — Weigering
M. szpunar
Partij(en)
Zaak C-354/211.
R.J.R.
in tegenwoordigheid van:
Registrų centras
[verzoek van de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas (hoogste bestuursrechter, Litouwen) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
Een vrouw en haar zoon wonen in Duitsland. Zij komt te overlijden, met de zoon als enige erfgenaam. De vrouw bezat onroerende goederen in Duitsland en Litouwen. De Duitse autoriteiten verstrekken haar zoon een Europese erfrechtverklaring, waarin wordt vermeld dat hij de enige erfgenaam is van het gehele vermogen van de erflaatster. Hij legt deze verklaring over aan de Litouwse autoriteiten met het verzoek om inschrijving van een onroerend goed in het kadaster. De autoriteiten wijzen het verzoek af op grond dat de verklaring onvolledig is.
2.
Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing werpt dus de delicate vraag op van de afbakening van de respectieve toepassingsgebieden van de lex successionis en de lex registrii, en meer bepaald van de verdeling van de bevoegdheden tussen de autoriteit die een Europese erfrechtverklaring heeft afgegeven en de in een andere lidstaat gevestigde autoriteit die bevoegd is voor het kadaster.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
1. Verordening nr. 650/2012
3.
In artikel 1 van verordening (EU) nr. 650/20122., met als opschrift ‘Toepassingsgebied’, is bepaald:
- ‘1.
Deze verordening is van toepassing op de erfopvolging in de nalatenschappen van overleden personen. Zij is niet van toepassing op fiscale zaken, douanezaken en administratiefrechtelijke zaken.
- 2.
Deze verordening is niet van toepassing op:
[…]
- k)
de aard van zakelijke rechten, en
- l)
de inschrijving van rechten op onroerende en roerende zaken in een register, met inbegrip van de wettelijke voorschriften voor een dergelijke inschrijving en de rechtsgevolgen van de inschrijving van dergelijke rechten of van het achterwege blijven daarvan.’
4.
Hoofdstuk VI van deze verordening, met als opschrift ‘Europese erfrechtverklaring’, bevat de artikelen 62 tot en met 73.
5.
Artikel 62 van die verordening, met als opschrift ‘Instelling van een Europese erfrechtverklaring’, bepaalt in de leden 1 en 3:
- ‘1.
Bij deze verordening wordt een Europese erfrechtverklaring (hierna ‘erfrechtverklaring’) ingesteld, die wordt afgegeven om in een andere lidstaat te worden gebruikt en die de in artikel 69 omschreven rechtsgevolgen heeft.
[…]
- 3.
De erfrechtverklaring komt niet in de plaats van de documenten die in de lidstaten voor soortgelijke doeleinden worden gebruikt. Zodra de erfrechtverklaring evenwel, overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk, is afgegeven om in een andere lidstaat te worden gebruikt, heeft zij tevens de in artikel 69 omschreven rechtsgevolgen in de lidstaat van afgifte.’
6.
Artikel 63 van die verordening, met als opschrift ‘Doel van de erfrechtverklaring’, bepaalt in de leden 1 en 2:
- ‘1.
De erfrechtverklaring is bestemd voor erfgenamen […] die zich in een andere lidstaat dienen te beroepen op hun hoedanigheid of de daaraan verbonden rechten […] dienen aan te tonen.
- 2.
De erfrechtverklaring kan met name worden gebruikt om het bewijs te leveren van een of meer van het volgende:
[…]
- b)
de toewijzing van een bepaald goed of bepaalde goederen van de nalatenschap aan de erfgenamen of, in voorkomend geval, de legatarissen die in de erfrechtverklaring worden genoemd;
[…]’
7.
In artikel 67 van de verordening, met als opschrift ‘Afgifte van de erfrechtverklaring’, wordt in lid 1 bepaald:
‘Zodra de te staven gegevens volgens het op de erfopvolging toepasselijke recht of volgens een ander, specifiek toepasselijk recht vaststaan, wordt de erfrechtverklaring volgens de in dit hoofdstuk bepaalde procedure onverwijld afgegeven. De autoriteit van afgifte gebruikt daarvoor het formulier dat in overeenstemming met de in artikel 81, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure is vastgesteld.’
8.
Artikel 68 van deze verordening heeft als opschrift ‘Inhoud van de erfrechtverklaring’ en bepaalt:
‘De erfrechtverklaring bevat de volgende gegevens, voor zover deze nodig zijn voor de doeleinden waarvoor zij wordt afgegeven:
[…]
- l)
het erfdeel dat elke erfgenaam toekomt en, in voorkomend geval, de lijst van rechten en/of goederen die elke erfgenaam toekomen;
[…]’
9.
Artikel 69 van verordening nr. 650/2012 heeft als opschrift ‘Rechtsgevolgen van de erfrechtverklaring’ en bepaalt:
- ‘1.
De erfrechtverklaring heeft rechtsgevolgen in alle lidstaten zonder dat daartoe een procedure vereist is.
- 2.
De erfrechtverklaring wordt geacht datgene nauwkeurig aan te tonen dat vaststaat volgens het recht dat van toepassing is op de erfopvolging, dan wel volgens enig ander recht van toepassing op specifieke gegevens. Degene die in de erfrechtverklaring als erfgenaam […] wordt genoemd, wordt geacht de in de erfrechtverklaring genoemde hoedanigheid te hebben en/of de houder te zijn van de in de erfrechtverklaring vermelde rechten of bevoegdheden, zonder andere voorwaarden en/of beperkingen met betrekking tot die rechten of bevoegdheden dan die welke in de erfrechtverklaring vermeld zijn.
[…]
- 5.
Onverminderd artikel 1, lid 2, onder k) en l), is de erfrechtverklaring een geldig document voor de inschrijving van goederen uit de nalatenschap in het desbetreffende register in een lidstaat.’
2. Uitvoeringsverordening nr. 1329/2014
10.
Artikel 1, lid 5, van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1329/20143. luidt:
‘Voor de Europese erfrechtverklaring, zoals bedoeld in artikel 67, lid 1, van [verordening nr. 650/2012], wordt het in bijlage 5 vastgestelde formulier V [(hierna: ‘formulier V’)] gebruikt.’
11.
Formulier V bevat een lijst van bijlagen, waaronder bijlage IV, met als opschrift ‘Status en rechten van de erfgena(a)m(en) (VERPLICHT indien het doel van de verklaring is om deze elementen te staven)’.
12.
In punt 9 van deze bijlage IV moeten ‘[g]oed(eren) dat (die) aan de erfgenaam is (zijn) toegekend en waarvoor een verklaring werd aangevraagd’ worden opgegeven. Tevens wordt gevraagd het (de) goed(eren) te specificeren en alle relevante identificatiegegevens te vermelden. Voetnoot 13 bij dit punt luidt als volgt: ‘Vermeld in het geval van een geregistreerd goed de informatie die volgens het recht van de lidstaat waar het register wordt gehouden vereist is om het goed te kunnen identificeren (bijvoorbeeld voor onroerende goederen het exacte adres van het goed, het kadaster, het perceel- of kadasternummer, de beschrijving van het goed (voeg indien nodig relevante documenten bij)).’
B. Litouws recht
13.
De Lietuvos Respublikos nekilnojamojo turto registro įstatymas (wet van de Republiek Litouwen betreffende het kadaster), zoals gewijzigd bij wet nr. XII-1833 van 23 juni 2015 (hierna: ‘kadasterwet’), bepaalt in artikel 5, lid 2, dat de beheerder van het kadaster, overeenkomstig de bij wet vastgelegde procedure, verantwoordelijk is voor de juistheid en de bescherming van de in het kadaster opgeslagen gegevens. De beheerder van het kadaster is alleen verantwoordelijk voor de overeenstemming van de in het kadaster ingevoerde gegevens met de documenten op basis waarvan deze gegevens zijn ingevoerd.
14.
Artikel 22 van de kadasterwet regelt de rechtsgrondslagen voor de inschrijving in het kadaster van zakelijke rechten op onroerende goederen, van eventuele lasten die op deze rechten rusten en van rechtsfeiten. Deze bepaling bevat de lijst van documenten die het bestaan aantonen van rechten op onroerende goederen of van rechtsfeiten op basis waarvan deze rechten, lasten op deze rechten of rechtsfeiten in het kadaster worden ingeschreven, met onder meer, onder 1), beslissingen van de overheid; onder 2), arresten, vonnissen, beschikkingen en uitspraken van rechterlijke instanties, en, onder 5), erfrechtverklaringen.
15.
In artikel 23 van deze wet, waarin de wijze van indiening van aanvragen tot inschrijving van zakelijke rechten op onroerende goederen, lasten op dergelijke rechten en rechtsfeiten zijn vastgelegd, is in lid 2 bepaald dat de aanvraag vergezeld moet gaan van documenten die het bestaan aantonen van de rechten waarvoor om registratie wordt verzocht, van de eventueel op deze rechten rustende lasten en van de daarmee verband houdende rechtsfeiten. In artikel 23, lid 3, van de kadasterwet is bepaald dat de documenten die het bestaan aantonen van zakelijke rechten op onroerende goederen, lasten op dergelijke rechten en rechtsfeiten of de basis vormen voor het ontstaan, het verval, de overdracht of de bezwaring van deze rechten, lasten en rechtsfeiten, moeten voldoen aan de vereisten van wettelijke handelingen en de voor registratie in het kadaster benodigde gegevens dienen te bevatten. Volgens artikel 23, lid 4, van deze wet moeten documenten op grond waarvan om inschrijving in het kadaster wordt verzocht, leesbaar zijn en de volgende informatie bevatten: de volledige voornamen en achternamen, juridische benamingen, adressen, identificatienummers van de personen die bij de registratie betrokken zijn, alsook het unieke nummer van het onroerend goed waarop de registratie betrekking heeft, dat wordt toegekend volgens de procedure die is vastgesteld in de Lietuvos Respublikos nekilnojamojo turto kadastro nuostatai (voorschriften van de Republiek Litouwen met betrekking tot het kadaster).
16.
Volgens artikel 29 van de kadasterwet weigert de beheerder van het kadaster zakelijke rechten op onroerende goederen, lasten op dergelijke rechten en rechtsfeiten te registreren indien bij de behandeling van de aanvraag wordt vastgesteld dat het document op basis waarvan om registratie wordt verzocht, niet aan de vereisten van deze wet voldoet of de aanvraag of het document dat aan die beheerder is overgelegd, niet de gegevens bevat die volgens de Nekilnojamojo turto registro nuostatai (voorschriften met betrekking tot het vastgoedregister)4. noodzakelijk zijn voor de identificatie van het onroerend goed en van de personen die daarop zakelijke rechten verwerven.
17.
In punt 14.2.2 van de voorschriften met betrekking tot het vastgoedregister wordt aangegeven welke gegevens ter identificatie van het onroerend goed dienen: 1) kadastraal gebied, kadastraal blok en kadastraal nummer van het perceel; 2) uniek nummer (identificatiecode) van het perceel; 3) uniek nummer (identificatiecode) van het bouwwerk, en 4) uniek nummer (identificatiecode) van het appartement of pand.
III. Hoofdgeding, prejudiciële vraag en procedure bij het Hof
18.
Verzoeker in het hoofdgeding (hierna: ‘verzoeker’) is een Litouws en Duits onderdaan die in Duitsland woont.
19.
Op 6 december 2015 overleed verzoekers moeder (hierna: ‘erflaatster’), die op dat moment haar gewone verblijfplaats in Duitsland had. Verzoeker, die de enige erfgenaam van zijn moeder was, heeft haar volledige nalatenschap in Duitsland zonder voorbehoud aanvaard. Aangezien de nalatenschap niet alleen bestond uit goederen die zijn moeder in Duitsland bezat, maar ook uit goederen die zich in Litouwen bevonden, heeft verzoeker bij de bevoegde Duitse rechtbank een aanvraag voor een Europese erfrechtverklaring ingediend.
20.
Op 24 september 2018 heeft het Amtsgericht Bad Urach (rechter in eerste aanleg Bad Urach, Duitsland) aan verzoeker erfrechtverklaring nr. 1 VI 174/18 (hierna: ‘erfrechtverklaring’) afgegeven, waarin is vermeld dat G. R., die op 10 mei 2014 was overleden, zijn bezittingen en schulden had nagelaten aan erflaatster, zijn enige erfgenaam.
21.
Die rechter heeft op dezelfde dag ook Europese erfrechtverklaring nr. 1 VI 175/18 (hierna: ‘Europese erfrechtverklaring’) afgegeven, waarin staat dat erflaatster haar bezittingen en schulden heeft nagelaten aan verzoeker en dat deze laatste de enige erfgenaam is en de nalatenschap zonder voorbehoud heeft aanvaard.
22.
Op 15 maart 2019 heeft verzoeker bij het Registrų centras (overheidscentrum voor registers), de overheidsinstantie die met name het kadaster beheert, een aanvraag ingediend voor de registratie van zijn eigendomsrechten op de onroerende goederen in Litouwen die aan erflaatster toebehoorden. Samen met zijn aanvraag heeft hij de door de Duitse rechter afgegeven erfrechtverklaring en Europese erfrechtverklaring overgelegd.
23.
Bij besluit van 20 maart 2019 heeft de afdeling Tauragė van het departement kadaster van de dienst voor het beheer van eigendomsregisters van het overheidscentrum voor registers (hierna: ‘afdeling’) verzoekers aanvraag afgewezen op grond dat de Europese erfrechtverklaring niet de gegevens bevatte die volgens de kadasterwet noodzakelijk waren om het onroerend goed te identificeren, dat wil zeggen dat deze verklaring niet vermeldde welke goederen verzoeker had geërfd.
24.
Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar aangetekend bij de geschillencommissie van de centrale registrator van het overheidscentrum voor registers (hierna: ‘geschillencommissie’), die het oorspronkelijke besluit van de afdeling bij besluit van 9 mei 2019 volledig heeft bevestigd.
25.
Verzoeker heeft de besluiten van de afdeling en de geschillencommissie aangevochten bij de Regionų apygardos administracinio teismo Klaipėdos rūmai (bestuursrechter in eerste aanleg, district Klaipėda, Litouwen), die dit beroep bij beslissing van 30 december 2019 ongegrond heeft verklaard.
26.
Verzoeker heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas (hoogste bestuursrechter, Litouwen). Deze rechterlijke instantie, uitspraak doende in uitgebreide formatie, is van mening dat het aan haar voorgelegde geschil vragen over de uitlegging van verordening nr. 650/2012 opwerpt.
27.
Om te beginnen merkt de verwijzende rechter op dat volgens artikel 69, lid 5, van verordening nr. 650/2012 de Europese erfrechtverklaring onverminderd artikel 1, lid 2, onder k) en l), van deze verordening een geldig document is voor de inschrijving van goederen uit de nalatenschap in het desbetreffende register in een lidstaat en dat deze verklaring dus niet van invloed is op de toepassing van artikel 1, lid 2, onder l), van de verordening.
28.
De verwijzende rechter benadrukt dat de documenten die in Litouwen als grondslag kunnen dienen voor de registratie van zakelijke rechten op onroerende goederen, zijn opgesomd in artikel 22 van de kadasterwet en dat in artikel 23, leden 2 tot en met 4, van deze wet is vastgelegd welke gegevens deze documenten dienen te bevatten en wat erin dient te worden aangetoond. Deze rechter verduidelijkt dat de beheerder van het kadaster, als overheidsinstantie, uitsluitend handelt krachtens de hem bij wet verleende bevoegdheden, en dat niet in de wet is vastgelegd dat hij zelf de omvang van eigendomsrechten mag vaststellen of informatie en bewijzen mag verzamelen waaruit bepaalde feiten al dan niet blijken. Hij wijst erop dat overeenkomstig de in casu relevante bepalingen van nationaal recht de voor de inschrijving in het kadaster noodzakelijke gegevens uitsluitend kunnen worden verstrekt in de in artikel 22 van de kadasterwet genoemde documenten en dat wanneer de verstrekte gegevens onvolledig zijn, de beheerder van het kadaster geen andere gegevens in aanmerking mag nemen.
29.
Wat de omstandigheden van het hoofdgeding betreft merkt de verwijzende rechter tevens op dat de door de Duitse rechter afgegeven Europese erfrechtverklaring aan de hand van formulier V is opgesteld en bijlage IV bij dit formulier bevat, waarin de status en de rechten van de erfgenaam worden bevestigd. Hij wijst er evenwel op dat in punt 9 van deze bijlage geen gegevens zijn verstrekt ter identificatie van de goederen die aan de erfgenaam zijn toegekend en waarvoor een verklaring is aangevraagd.
30.
De verwijzende rechter geeft aan dat uit de door verzoeker aangevoerde argumenten en de door hem aangehaalde Duitse rechtspraak blijkt dat het niet vermelden van deze gegevens geen fout is van de instantie die de Europese erfrechtverklaring heeft afgegeven. Verzoeker voert met name aan dat het Duitse erfrecht wordt beheerst door het beginsel van erfopvolging onder algemene titel en dat, wanneer er sprake is van één begunstigde, deze bijgevolg het volledige vermogen van de erflater verwerft. Hij betoogt dat het naar Duits recht niet mogelijk is om goederen uit een nalatenschap op enigerlei wijze aan te duiden of aan te wijzen. Volgens hem is het dan ook vaste rechtspraak dat de Duitse rechterlijke instanties artikel 68, onder l), van verordening nr. 650/2012 — op grond waarvan in de erfrechtverklaring melding wordt gemaakt van het erfdeel dat elke erfgenaam toekomt en, in voorkomend geval, van de lijst van rechten en/of goederen die elke erfgenaam toekomen — niet toepassen.
31.
Gelet op de doelstellingen die de Uniewetgever met de invoering van de Europese erfrechtverklaring nastreeft, waaronder een snelle, soepele en efficiënte behandeling van een erfopvolging met grensoverschrijdende gevolgen in de Unie, twijfelt de verwijzende rechter over hoe artikel 1, lid 2, onder l), en artikel 69, lid 5, van verordening nr. 650/2012 moeten worden uitgelegd en met name over hoe deze bepalingen moeten worden toegepast in combinatie met het nationale recht dat de voorwaarden regelt om eigendomsrechten in te kunnen schrijven in het kadaster van de lidstaat waar zich goederen uit de nalatenschap bevinden.
32.
Tegen deze achtergrond heeft de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moeten artikel 1, lid 2, onder l), en artikel 69, lid 5, van verordening [nr. 650/2012] aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een wettelijke regeling van de lidstaat waar een onroerend goed zich bevindt, volgens welke registratie van de eigendomsrechten in het kadaster op basis van een Europese erfrechtverklaring alleen mogelijk is indien deze Europese erfrechtverklaring alle voor die registratie benodigde gegevens bevat?’
33.
De Litouwse, de Tsjechische, de Duitse, de Spaanse, de Franse en de Hongaarse regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. De Litouwse, de Duitse en de Spaanse regering en de Commissie hebben hun argumenten mondeling voorgedragen ter terechtzitting van 4 mei 2022.
IV. Analyse
34.
Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of verordening nr. 650/2012 — in het bijzonder artikel 1, lid 2, onder l), artikel 68, onder l), en artikel 69, lid 5, ervan — zich verzet tegen de toepassing van bepalingen van nationaal recht op grond waarvan een onroerend goed dat door één enkele erfgenaam is verkregen overeenkomstig op erfopvolging onder algemene titel gebaseerd erfrecht, slechts dan op grond van een Europese erfrechtverklaring kan worden ingeschreven in het kadaster van de lidstaat waar dat onroerende goed zich bevindt, indien die verklaring alle volgens het recht van die lidstaat vereiste identificatiegegevens van dat goed bevat.
35.
Deze vraag heeft ten eerste betrekking op de vereisten inzake de Europese erfrechtverklaring en ten tweede op de afbakening tussen de bij verordening nr. 650/2012 ingevoerde regeling en de nationaalrechtelijke regeling inzake de inschrijving van rechten op onroerende goederen in een register.
36.
Ik herinner eraan dat de erflaatster, die in 2015 is overleden, in 2014 zelf de erfgename van haar echtgenoot was. Gelet op de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens en de gestelde vraag, heeft deze conclusie echter enkel betrekking op de nalatenschap van de erflaatster, die door haar zoon is aanvaard.
37.
In dit verband moet mijns inziens onderscheid worden gemaakt tussen de vraag of een goed uit de nalatenschap in de Europese erfrechtverklaring moet of kan worden vermeld5., en de vraag of het kadaster in een lidstaat de inschrijving van dat goed kan weigeren op grond dat het niet in de Europese erfrechtverklaring wordt vermeld6.. Alvorens deze twee vragen te onderzoeken ga ik kort in op de Europese erfrechtverklaring zoals die is opgezet bij verordening nr. 650/2012.
38.
Concreet gesteld staat het ter beslechting van het onderhavige geval volgens verordening nr. 650/2012 aan de Duitse autoriteiten om het betrokken goed in de Europese erfrechtverklaring te specificeren, dan wel aan de Litouwse autoriteiten om de aanvraag op basis van de door de Duitse autoriteiten opgestelde Europese erfrechtverklaring in te willigen.
A. Europese erfrechtverklaring zoals opgezet bij verordening nr. 650/2012
39.
Uit overweging 7 van verordening nr. 650/2012 blijkt dat de verordening ertoe strekt de goede werking van de interne markt te vergemakkelijken door het wegnemen van de belemmeringen voor het vrije verkeer van personen die hun rechten willen doen gelden in het kader van een erfopvolging met grensoverschrijdende gevolgen.7. Deze verordening past dus in het kader van de totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, die hand in hand gaat met de interne markt, en moet derhalve in het licht van de desbetreffende beginselen worden uitgelegd.8.
40.
In verordening nr. 650/2012 is het materiële erfrecht niet geharmoniseerd. De verordening bevat dus in beginsel geen materiële bepalingen inzake erfopvolging.9. Daarentegen wordt in deze verordening door middel van collisieregels het toepasselijke (nationale) erfrecht aangewezen dat van toepassing is op erfopvolging.10. In dit verband is in artikel 21, lid 1, van die verordening de algemene regel neergelegd dat op een erfopvolging in haar geheel het recht van de staat van toepassing is waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had. Bovendien kan een persoon volgens artikel 22, lid 1, van de verordening als het recht dat zijn erfopvolging in het geheel beheerst, het recht kiezen van de staat waarvan hij op het tijdstip van de rechtskeuze of op het tijdstip van overlijden de nationaliteit bezit. De werkingssfeer van het toepasselijke recht is omschreven in artikel 23 van verordening nr. 650/2012. Hier volstaat het op te merken dat het krachtens de artikelen 21 en 22 van die verordening aangewezen recht de erfopvolging in haar geheel regelt11., met inbegrip van de overdracht van de goederen12..
41.
Verordening nr. 650/2012 regelt niet alleen het toepasselijke recht, maar ook de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning en de tenuitvoerlegging van in een lidstaat gegeven beslissingen.
42.
In de artikelen 62 en volgende van deze verordening is een van de belangrijkste nieuwe onderdelen opgenomen: de Europese erfrechtverklaring13..
43.
Deze verklaring dient in alle lidstaten een drieledig doel14.: ten eerste de rechten van de erfgenaam bewijzen jegens autoriteiten, zoals het kadaster, of jegens particuliere schuldenaren van de nalatenschap, zoals banken; ten tweede een weerlegbaar vermoeden van de juistheid en volledigheid van de inhoud ervan verschaffen, en ten derde te goeder trouw handelende derden beschermen die diensten verlenen aan of goederen uit de nalatenschap verkrijgen van degene die als erfgenaam is aangewezen.
44.
De Europese erfrechtverklaring kent een autonome juridische regeling, die is neergelegd in hoofdstuk VI van verordening nr. 650/201215. en ertoe strekt te waarborgen dat zij in alle lidstaten eenvormig wordt toegepast16.. Zo hebben de artikelen 63 tot en met 69 van deze verordening met name betrekking op het doel van de verklaring, de bevoegdheid die is vereist om de verklaring af te geven, de voorwaarden voor de aanvraag van de verklaring, de behandeling van die aanvraag en de afgifte, de inhoud en de rechtsgevolgen van de verklaring.
45.
Volgens artikel 63, lid 1, van verordening nr. 650/2012, dat betrekking heeft op het doel van de Europese erfrechtverklaring, is deze bestemd voor erfgenamen die zich in een andere lidstaat dienen te beroepen op hun hoedanigheid of de daaraan verbonden rechten dienen aan te tonen.
46.
Artikel 63, lid 2, onder a) en b), van verordening nr. 650/2012 bepaalt in dit verband dat deze verklaring met name kan worden gebruikt om het bewijs te leveren van de rechtspositie en/of de rechten van alle erfgenamen, alsook van de toewijzing van een bepaald goed of bepaalde goederen van de nalatenschap aan de erfgenamen of, in voorkomend geval, de legatarissen die in de verklaring worden genoemd.
B. Inhoud van de Europese erfrechtverklaring
1. Artikel 68 van verordening nr. 650/2012
47.
Artikel 68 van verordening nr. 650/2012 bevat de lijst van gegevens die de Europese erfrechtverklaring moet bevatten ‘voor zover deze nodig zijn voor de doeleinden waarvoor zij wordt afgegeven’, waaronder ‘het erfdeel dat elke erfgenaam toekomt en, in voorkomend geval, de lijst van rechten en/of goederen die elke erfgenaam toekomen’17..
a) Verplichting om het betrokken goed te specificeren
48.
De volgende vraag dringt zich op: is de autoriteit die belast is met de afgifte van de Europese erfrechtverklaring verplicht de rechten en/of goederen te specificeren die aan een bepaalde erfgenaam toekomen?
49.
De Europese erfrechtverklaring is bedoeld als instrument waarmee verschillende elementen kunnen worden aangetoond. Zoals met name blijkt uit artikel 68, eerste alinea, van verordening nr. 650/2012, dient de verklaring gegevens te bevatten die nodig zijn voor de doeleinden waarvoor zij wordt afgegeven.
50.
De inhoud van deze verklaring wordt dus bepaald door het (concrete) doeleinde van de Europese erfrechtverklaring, zoals dit overeenkomstig artikel 65, lid 3, onder f), van verordening nr. 650/2012 door de aanvrager is aangegeven, en door het toepasselijke nationale erfrecht. Uit artikel 63, lid 2, onder a), van deze verordening blijkt dat deze verklaring met name tot doel heeft de hoedanigheid van ‘erfgenaam’ aan te tonen. Zoals uit artikel 63, lid 2, onder b), van die verordening voortvloeit, kan deze verklaring uiteraard ook worden gebruikt om andere gegevens aan te tonen, zoals de toewijzing van een bepaald goed of bepaalde goederen van de nalatenschap aan de erfgenaam of erfgenamen. Deze gegevens kunnen mijns inziens worden opgenomen voor zover dit wordt gerechtvaardigd door een goede werking van de Europese erfrechtverklaring, zodat deze volledig effect kan sorteren.
51.
Zoals ik hierna zal aantonen, zijn de in artikel 63, lid 2, onder b), van verordening nr. 650/2012 vermelde gegevens niet noodzakelijk voor inschrijving.
1) Erfopvolging onder algemene titel
52.
Vast staat dat het nationale erfrecht dat krachtens artikel 21, lid 1, van verordening nr. 650/2012 op de onderhavige zaak van toepassing is, het Duitse recht is. Bijgevolg wordt de erfopvolging in haar geheel, en met name de overdracht van de goederen aan de erfgenaam, volgens dit artikel beheerst door het Duitse recht.18.
53.
In casu wordt volgens het toepasselijke Duitse recht dat krachtens § 1922, lid 1, van het Bürgerliche Gesetzbuch (burgerlijk wetboek) van toepassing is op het overlijden van een persoon (openvallen van de nalatenschap), diens vermogen in zijn geheel (nalatenschap) overgedragen aan een of meerdere personen (erfgenamen). Dit is het beginsel van erfopvolging onder algemene titel. Zoals de Duitse regering aangeeft, impliceert dit dat de erfgenaam de erflater juridisch opvolgt zodra de gebeurtenis die tot de erfopvolging leidt, dat wil zeggen het overlijden van de erflater, zich voordoet.
54.
Benadrukt moet worden dat het Duitse recht niet voorziet in erfopvolging onder andere dan algemene titel, hetgeen betekent dat er geen specifieke goederen onder bijzondere titel worden overgedragen, maar dat er sprake is van overdracht onder algemene titel van een vermogen in zijn geheel.
55.
In die omstandigheden hoeft er geen inventaris van de nalatenschap in de Europese erfrechtverklaring te worden opgenomen, aangezien de situatie die in artikel 68, onder l), van verordening nr. 650/2012 wordt bedoeld met de woorden ‘in voorkomend geval’, namelijk wanneer er sprake is van een lijst van goederen die aan een bepaalde erfgenaam toekomen, zich niet voordoet.
56.
In dat geval wordt met die verklaring immers aangegeven dat de betrokkene de erfgenaam is van een specifiek goed van de erflater. Indien de erfgenaam echter de erfgenaam onder algemene titel is, hoeft een goed niet specifiek in die verklaring te worden opgegeven.
57.
Tegen deze achtergrond wil ik de stelling weerleggen dat de woorden ‘in voorkomend geval’ aldus moeten worden opgevat dat zij uitsluitend de wens van de aanvrager van de Europese erfrechtverklaring weerspiegelen.19. De aanvrager moet de autoriteit die deze verklaring afgeeft, weliswaar in kennis stellen van het beoogde doel van de verklaring20., maar het staat aan deze autoriteit om op basis van die informatie te beslissen of een goed al dan niet moet worden gespecificeerd.
58.
De Commissie stelt evenwel dat een dergelijke benadering niet strookt met de vereisten van verordening nr. 650/2012. Volgens haar wordt de omvang van de in de Europese erfrechtverklaring verstrekte gegevens namelijk niet op basis van het toepasselijke nationale erfrecht, maar op basis van artikel 68 van die verordening bepaald.
59.
Mijns inziens houdt deze benadering van de Commissie geen rekening met het feit dat verordening nr. 650/2012 niet alleen de rechterlijke bevoegdheid en de inhoud van de Europese erfrechtverklaring regelt, maar ook, zoals ik heb opgemerkt, het nationale erfrecht dat op een zaak toepasselijk is en dat noodzakelijkerwijs gevolgen heeft voor de inhoud van die verklaring.
60.
In artikel 68 van verordening nr. 650/2012 is weliswaar op uitputtende wijze vastgelegd welke gegevens de Europese erfrechtverklaring moet bevatten, maar dat sluit niet uit dat het toepasselijke nationale erfrecht, zoals dit krachtens deze verordening is aangewezen, invloed kan hebben op die inhoud. Integendeel, het gebruik van de woorden ‘voor zover [de gegevens] nodig zijn voor de doeleinden waarvoor [de Europese erfrechtverklaring] wordt afgegeven’ en ‘in voorkomend geval’ in deze bepaling wijst erop dat de Uniewetgever rekening heeft willen houden met het toepasselijke erfrecht (cursivering van mij). Er is dus duidelijk sprake van onderlinge samenhang tussen het nationale recht en deze verordening, aangezien de inhoud van de erfrechtverklaring in de eerste plaats wordt bepaald door het toepasselijke erfrecht.
61.
Niettemin moet de autoriteit die de verklaring afgeeft, in voorkomend geval blijk geven van een zekere soepelheid en op een wijze handelen die zij niet noodzakelijkerwijs gewend is, met name wanneer zij buitenlands recht moet toepassen. Dat is hier echter niet het geval.
2) Erfopvolging onder andere dan algemene titel
62.
Wanneer de situatie niet valt onder nationaal erfrecht dat is gebaseerd op erfopvolging onder algemene titel21. en bovengenoemd doeleinde slechts kan worden bewerkstelligd door vermelding van het erfdeel van de betrokkene, is het zeer waarschijnlijk dat het betrokken goed moet worden gespecificeerd.
63.
De op dit gebied opgelegde verplichtingen en voorwaarden kunnen per lidstaat verschillen. In het bijzonder kan op grond van erfrecht dat in een andere lidstaat van toepassing is, een volledige inventaris van de nalatenschap zijn vereist, hetgeen zou betekenen dat de desbetreffende gegevens in de Europese erfrechtverklaring moeten worden opgenomen. Een dergelijke situatie zou overeenkomen met de situatie die wordt bedoeld met de woorden ‘in voorkomend geval’ in artikel 68, onder l), van verordening nr. 650/2012.
b) Mogelijkheid om het betrokken goed te specificeren
64.
Rest nog de vraag of de autoriteit die een Europese erfrechtverklaring afgeeft, in een situatie als in het hoofdgeding zelf mag kiezen of zij het betrokken onroerend goed al dan niet in die verklaring opneemt, wanneer de betrokkene daarom verzoekt.
65.
In dit verband moet worden opgemerkt dat een Europese erfrechtverklaring pas volledig effect kan sorteren indien er sprake is van een zekere mate van samenwerking en wederzijds vertrouwen tussen de autoriteiten van de lidstaten. Dit kan inhouden dat de autoriteit die een verklaring afgeeft, in een geest van loyale samenwerking met de autoriteiten van de andere lidstaten rekening dient te houden met de vereisten van de kadasterwet van een andere lidstaat, vooral wanneer die autoriteit over de relevante gegevens en elementen beschikt.
66.
Een dergelijke samenwerking blijft echter delicaat omdat hieruit andere juridische problemen kunnen voortvloeien.
67.
Stel dat de autoriteit die een Europese erfrechtverklaring afgeeft, zelf mag beslissen om het betrokken goed al dan niet in deze verklaring op te nemen wanneer hierom wordt gevraagd. Zou dit in een dergelijke situatie bindend zijn voor de beheerder van het kadaster die dat goed inschrijft, die zich in een andere lidstaat bevindt? Hoe zit het dan met artikel 69, lid 2, van verordening nr. 650/2012, waarin is bepaald dat de erfrechtverklaring wordt geacht datgene nauwkeurig aan te tonen dat vaststaat volgens het nationale recht dat van toepassing is op de erfopvolging, dan wel volgens enig ander recht van toepassing op specifieke gegevens? Geldt dit ook voor de vraag aan wie het betrokken goed toebehoort?
68.
Tevens moet in het bijzonder worden opgemerkt dat de vraag of bepaalde goederen tot de nalatenschap behoren, niet onder het erfrecht, maar onder het eigendomsrecht valt.22. Het recht dat van toepassing is op de erfopvolging, dat bepaalt hoe de eigendomsoverdracht plaatsvindt en wie de eigenaar van de goederen van een erflater wordt, moet immers worden onderscheiden van het recht dat van toepassing is op de vraag of een bepaald goed aan de erflater toebehoorde.
69.
Ten slotte moet worden benadrukt dat de autoriteit die een Europese erfrechtverklaring afgeeft, specifieke goederen alleen kan vermelden indien zij een volledig overzicht van de nalatenschap heeft.23. Dit kan echter lastig blijken, zoals in het onderhavige geval.
2. Formulier V
70.
Punt 9 van bijlage IV bij formulier V dient ter identificatie van de goederen die aan de erfgenaam zijn toegekend en waarvoor een verklaring wordt aangevraagd. Daartoe wordt verzocht de goederen te specificeren en alle relevante identificatiegegevens te vermelden.24.
71.
Anders dan een aantal partijen in de procedure en sommige rechtsgeleerden25. betogen, kan uit dit formulier geen lering worden getrokken.
72.
De gegevens waarop dit punt 9 betrekking heeft, hoeven namelijk alleen te worden verstrekt wanneer het betrokken goed moet worden gespecificeerd.26. Zoals ik echter heb aangegeven, is dit in casu niet het geval, aangezien het om erfopvolging onder algemene titel gaat.27.
73.
Bovendien zij eraan herinnerd dat uitvoeringsverordening nr. 1329/2014 er (enkel) toe strekt concreet invulling te geven aan de bepalingen van verordening nr. 650/2012 en in geen geval verder kan gaan dan de materiële bepalingen van verordening nr. 650/2012. Elke andere benadering zou afbreuk doen aan het beginsel van institutioneel evenwicht. Als opsteller van uitvoeringsverordening nr. 1329/2014 moet de Commissie dus de wil van de wetgever eerbiedigen. Met andere woorden, op grond van deze uitvoeringsverordening kan niet worden verlangd dat in formulier V gegevens worden verstrekt die in het licht van het doel van de Europese erfrechtverklaring niet noodzakelijk zijn. Anders zouden de bepalingen van verordening nr. 650/2012 een lege huls blijven.
74.
Aangezien de juiste uitlegging van artikel 68 van verordening nr. 650/2012 tot de conclusie leidt dat het Litouwse goed op grond van deze bepaling niet specifiek hoeft te worden geïdentificeerd in de Europese erfrechtverklaring, kan derhalve geen enkele regel in uitvoeringsverordening nr. 1329/2014 tot een andere conclusie leiden. Deze uitvoeringsverordening moet dus in het licht van verordening nr. 650/2012 worden uitgelegd.
C. Rechtsgevolgen van de Europese erfrechtverklaring en de toepassing ervan in combinatie met het nationale recht inzake onroerend goed (artikel 1, lid 2, onder l), en artikel 69, lid 5, van verordening nr. 650/2012)
75.
Volgens artikel 69, lid 5, van verordening nr. 650/2012 is de erfrechtverklaring onverminderd artikel 1, lid 2, onder k) en l), van die verordening een geldig document voor de inschrijving van goederen uit de nalatenschap in het desbetreffende register in een lidstaat.
76.
Artikel 1, lid 2, onder l), van verordening nr. 650/2012, dat de respectieve toepassingsgebieden van de lex successionis en de lex registrii beoogt af te bakenen, bepaalt dat deze verordening niet van toepassing is op ‘de inschrijving van rechten op onroerende en roerende zaken in een register, met inbegrip van de wettelijke voorschriften voor een dergelijke inschrijving en de rechtsgevolgen van de inschrijving van dergelijke rechten of van het achterwege blijven daarvan’.
77.
De zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest Kubicka28. was tot dusver de enige gelegenheid voor het Hof om artikel 1, lid 2, onder l), van verordening nr. 650/2012 uit te leggen. In dat arrest heeft het Hof voor recht verklaard dat artikel 1, lid 2, onder k) en l), en artikel 31 van die verordening aldus moeten worden uitgelegd dat deze bepalingen in de weg staan aan de weigering van een autoriteit van een lidstaat om te erkennen dat een ‘vindicatielegaat’ dat het op de erfopvolging toepasselijke recht dat de testateur heeft gekozen op grond van artikel 22, lid 1, van die verordening kent, zakelijke werking toekomt, wanneer die weigering berust op de enkele grond dat dat legaat betrekking heeft op de eigendom van een onroerende zaak die is gelegen in die lidstaat waarvan de wetgeving de figuur van het legaat met rechtstreekse zakelijke werking bij het openvallen van de nalatenschap niet kent.
78.
Het arrest Kubicka heeft tot gevolg gehad dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde Duitse recht niet op de eigendomsoverdracht is toegepast. De regelgeving inzake het kadaster was echter niet aan de orde. Het nationale recht inzake onroerend goed van een lidstaat kan dus aanvullende procedurele vereisten bevatten, maar alleen voor zover die aanvullende vereisten geen betrekking hebben op de in de Europese erfrechtverklaring vermelde hoedanigheid.
79.
Zoals advocaat-generaal Bot in zijn conclusie in de zaak Kubicka29. heeft opgemerkt, komt dit er in de praktijk op neer dat in aanvulling op de Europese erfrechtverklaring andere stukken of inlichtingen kunnen worden verlangd, indien die verklaring bijvoorbeeld onvoldoende nauwkeurige informatie bevat voor de identificatie van de zaak waarvan de eigendomsovergang of -overdracht moet worden ingeschreven.
80.
In casu beschikken de Litouwse autoriteiten echter over alle gegevens die nodig zijn voor inschrijving in het kadaster: zij kunnen vaststellen aan wie het betrokken goed toebehoort of toebehoorde, en kunnen aan de hand van de Europese erfrechtverklaring nagaan of verzoeker de hoedanigheid van erfgenaam heeft.
81.
In een dergelijke situatie zou de nuttige werking van de Europese erfrechtverklaring in het gedrang komen indien de aanvrager van een verklaring op grond van het Litouwse recht inzake onroerend goed aanvullende verplichtingen zou moeten nakomen.
82.
Ook al wordt het door erfopvolging verkregen concrete goed niet in de Europese erfrechtverklaring aangeduid, de verkrijging ervan kan immers met deze verklaring worden bewezen. Volgens deze logica vormt niet de identificatie van dat goed in die verklaring, maar de hoedanigheid van erfgenaam van de betrokkene de grondslag voor de wijziging van het kadaster.30. In dit verband vormt deze verklaring het bewijs van de erfopvolging onder algemene titel naar Duits recht, die ook de onroerende goederen van de erflaatster omvat die zich in het buitenland bevinden. Het staat aan de beheerder van het kadaster om na te gaan of het betrokken goed onder de nalatenschap valt en dus of het aan de erflaatster toebehoorde. Het kadaster moet alle gevolgen verbinden aan de gegevens in de Europese erfrechtverklaring, namelijk dat degene die als erfgenaam van de erflaatster wordt vermeld, haar erfgenaam onder algemene titel is.
83.
De Litouwse autoriteiten hebben derhalve geen enkele legitieme reden om voor de inschrijving aanvullende gegevens te verlangen om vast te stellen of de betrokkene de erfgenaam van het betrokken goed is. Het zou ongerechtvaardigd zijn om de betrokkene te verplichten om de Duitse autoriteiten om specificatie van het betrokken onroerend goed te verzoeken.
84.
Kortom, zolang de nuttige werking van verordening nr. 650/2012 en — in casu — die van de bij deze verordening vastgestelde Europese erfrechtverklaring niet worden ondermijnd, staat het de lidstaten vrij om regels vast te stellen op het gebied van het recht inzake onroerend goed. Artikel 1, lid 2, onder l), van die verordening mag echter niet tot gevolg hebben dat afbreuk wordt gedaan aan de nuttige werking van de Europese erfrechtverklaring, die — zoals ik in herinnering heb gebracht — krachtens artikel 69, lid 5, van de verordening een geldig document is voor de inschrijving van goederen uit de nalatenschap in het desbetreffende register van een lidstaat.
85.
Met andere woorden, de bepalingen van de nationale kadasterwet moeten in beginsel weliswaar rekening houden met de voorwaarden voor de verkrijging van goederen uit de nalatenschap31., maar een Europese erfrechtverklaring die het bewijs van de nalatenschap levert, is dwingend en moet worden geaccepteerd als grondslag voor inschrijving in het kadaster, ongeacht of de inhoud ervan al dan niet strookt met de gebruikelijke praktijk bij het opstellen van een dergelijke verklaring (of een vergelijkbaar nationaal document) in de lidstaat van het kadaster.32. Alleen wanneer niet objectief kan worden vastgesteld waarop de aanvraag voor de inschrijving in het kadaster betrekking heeft, moet de Europese erfrechtverklaring mogelijk worden aangevuld om de erfopvolging onder algemene titel in de nalatenschap van de erflater aan te tonen met aanvullende documenten op basis waarvan de geërfde goederen nauwkeurig kunnen worden geïdentificeerd.33.
D. Samenwerking tussen autoriteiten (artikel 66, lid 5, van verordening nr. 650/2012)
86.
In lid 5 van artikel 66 van verordening nr. 650/2012, dat betrekking heeft op de behandeling van een aanvraag voor een Europese erfrechtverklaring, is bepaald dat de bevoegde autoriteit van een lidstaat de autoriteit van afgifte van een andere lidstaat, op haar verzoek, de informatie verschaft uit met name het kadaster, de registers van de burgerlijke stand en de registers waarin documenten en feiten die betrekking hebben op de erfopvolging of op het huwelijksvermogensstelsel of equivalent vermogensstelsel van de erflater zijn opgenomen, mits de bevoegde autoriteit volgens het nationaal recht die informatie aan een andere nationale autoriteit zou mogen verschaffen.
87.
De Commissie is van mening dat het in het onderhavige geval aan de Duitse autoriteit die de Europese erfrechtverklaring afgeeft, staat om bij de behandeling van de aanvraag van de Europese erfrechtverklaring contact op te nemen met de Litouwse autoriteiten voor nadere inlichtingen over het onroerende goed.
88.
Hoewel het duidelijk is dat het bij artikel 66, lid 5, van verordening nr. 650/2012 ingevoerde samenwerkingsmechanisme essentieel is voor een goede behandeling van een aanvraag en uiteindelijk ook voor de afgifte van een verklaring, deel ik het standpunt van de Commissie echter niet, om de eenvoudige reden dat samenwerking slechts in noodzakelijke gevallen geboden is.
89.
Zoals in deze conclusie is aangetoond, is er in casu geen sprake van een noodzakelijk geval, aangezien de autoriteit die het goed moet inschrijven, over alle voor inschrijving noodzakelijke gegevens beschikt.
V. Conclusie
90.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vraag van de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas te beantwoorden als volgt:
‘Artikel 1, lid 2, onder l), artikel 68, onder l), en artikel 69, lid 5, van verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring verzetten zich tegen de toepassing van bepalingen van nationaal recht op grond waarvan een onroerend goed dat door één enkele erfgenaam is verkregen overeenkomstig op erfopvolging onder algemene titel gebaseerd erfrecht, slechts dan op grond van een Europese erfrechtverklaring kan worden ingeschreven in het kadaster van de lidstaat waar dat onroerende goed zich bevindt, indien die verklaring alle volgens het recht van die lidstaat vereiste identificatiegegevens van dat onroerende goed bevat.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 14‑07‑2022
Oorspronkelijke taal: Frans.
Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (PB 2012, L 201, blz. 107).
Uitvoeringsverordening van de Commissie van 9 december 2014 tot vaststelling van de formulieren bedoeld in [verordening nr. 650/2012] (PB 2014, L 359, blz. 30).
Voorschriften vastgesteld bij besluit nr. 379 van de regering van de Republiek Litouwen van 23 april 2014.
Het gaat hier om de uitlegging van artikel 68 van verordening nr. 650/2012.
Zie arrest van 12 oktober 2017, Kubicka (C-218/16, EU:C:2017:755, punt 56).
Zie in die zin Baldus, C., in Gebauer, M., Wiedmann, T., Europäisches Zivilrecht, 3e druk, C.H. Beck, München, 2021, hoofdstuk 44 (‘Europäische Erbrechtsverordnung’), artikel 1, punt 4.
Zie evenwel de artikelen 32 en 33 van verordening nr. 650/2012.
Zie hoofdstuk III van verordening nr. 650/2012.
Deze verklaring is van cruciaal belang voor de praktische behandeling van grensoverschrijdende erfopvolgingen; zie in het bijzonder Hess, B., Europäisches Zivilprozessrecht, 2e druk, De Gruyter, Berlijn/Boston, punt 7.220. Zie ook Wautelet, P., in Bonomi, A., Wautelet, P., Le droit européen des successions. Commentaire du règlement (UE) n o 650/2012 du 4 juillet 2012, 2e druk, Bruylant, Brussel, 2016, artikel 62, punten 1 e.v.
Zie Kleinschmidt, J., ‘Optionales Erbrecht: Das Europäische Nachlasszeugnis als Herausforderung an das Kollisionsrecht’, Rabels Zeitschrift für ausländisches und internationales Privatrecht, 2013, deel 4, nr. 77, blz. 723–785, in het bijzonder blz. 726. Zie ook Stamatiadis, D., in Pamboukis, H.P., EU Succession Regulation No 650/2012. A Commentary, Nomiki Bibliothiki/C.H. Beck/Hart/Nomos, Athene/München/Oxford/Baden-Baden, 2017, artikel 62, punten 26 e.v.
Zie arresten van 21 juni 2018, Oberle (C-20/17, EU:C:2018:485, punt 46), en 16 juli 2020, E. E. (Rechterlijke bevoegdheid en op erfopvolging toepasselijk recht) (C-80/19, EU:C:2020:569, punt 70).
Zie mijn conclusie in de zaak Oberle (C-20/17, EU:C:2018:89, punt 90).
Zie in die zin ook Semelová, M., ‘Praktische Probleme mit dem (deutschen) Europäischen Nachlasszeugnis in der Tschechischen Republik’, Zeitschrift für das Privatrecht der Europäischen Union (GPR), 2018, nr. 4, blz. 200–203, in het bijzonder blz. 201.
Het gaat dus om een andere situatie dan die in de onderhavige zaak.
Zie in die zin ook Raff, T., ‘Praktische Probleme mit dem (deutschen) Europäischen Nachlasszeugnis in der Tschechischen Republik — Stellungnahme’, Zeitschrift für das Privatrecht der Europäischen Union (GPR), 2018, nr. 4, blz. 203–205, in het bijzonder blz. 204.
Zie in die zin ook Wautelet, P., op. cit., artikel 68, punt 26.
Zie punt 12 van deze conclusie met betrekking tot de bewoordingen van voetnoot 13 bij punt 9 van die bijlage.
Zie met name Semelová, M., op. cit., blz. 203.
Zie in die zin ook Raff, T., op. cit., blz. 203, alsook Budzikiewicz, C., in Calvo Caravaca, A.-L., Davì, A., Mansel, H.-P., The EU Succession Regulation. A Commentary, Cambridge University Press, 2016, artikel 68, punt 19.
Zie punt 53 van deze conclusie.
Zie arrest van 12 oktober 2017 (C-218/16, EU:C:2017:755, dictum).
C-218/16, EU:C:2017:387, punt 67.
Zie in die zin ook Nordmeier, C. F., ‘Die Aufnahme einzelner Nachlassgegenstände in das Europäische Nachlasszeugnis — zum durch den Todesfall bedingten Rechtserwerb und zur Reichweite der Art. 68 lit. l und m EuErbVO’, Praxis des Internationalen Privat- und Verfahrensrechts (IPrax), 2019, blz. 306–312, in het bijzonder blz. 311.
Zie arrest van 12 oktober 2017, Kubicka (C-218/16, EU:C:2017:755, punt 54).
Zie in die zin ook Margoński, M., Europejskie poświadczenie spadkowe, Wolters Kluwer, Warschau, 2022, blz. 429.
Zie in die zin ook Margoński, M., op. cit., blz. 429.