Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/14.4.2.2:14.4.2.2 Onderzoek
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/14.4.2.2
14.4.2.2 Onderzoek
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS494646:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer art. 67a e.v. AWR en het BBBB, V-N 2016/4.4.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Terwijl het fiscaal toezichtsonderzoek strekt ter verzekering van de belastingheffing, heeft het boeteonderzoek in belastingzaken als doel te achterhalen of een bestaand vermoeden over een beboetbare overtreding van een (fiscaal) voorschrift juist is. Het geeft uitdrukking aan de op de onschuldpresumptie steunende notie dat de overheid geen straffen mag opleggen, wanneer het bewijs voor een overtreding van een voorschrift ontbreekt. In het fiscaal boeterecht rusten de stelplicht en bewijslast voor beboetbare feiten op de inspecteur. De te bewijzen feiten (niet: de bewijslastverdeling) verschillen naar gelang het beboetbare feit moet worden aangemerkt als een verzuim of een vergrijp.1 De voor het opleggen van een verzuimboete en een vergrijpboete te bewijzen feiten verschillen van elkaar. Voor de vergrijpboete moet de inspecteur – naast de vaststelling dat een fiscaal voorschrift is overtreden – opzettelijk handelen of nalaten bewijzen. Kortom, of boeteonderzoek geïndiceerd is, is casusspecifiek.