Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/3.4.3
3.4.3 Gevolgen van het conservatoir beslag
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS499481:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Daarnaast: onderbewindstelling, verhuring, en vervrachting.
Bartels & Heyman 1998, deel I, p. 193, merken hierover op dat wie zich in de literatuur verdiept, zich zal verbazen over zowel de vaagheid als de verscheidenheid van de ingenomen standpunten hierover.
Snijders, Klaassen & Meijer 2007, p. 422-427 (nr. 408) en Mijnssen 2003, p. 11-17. Voor een uitgebreide opsomming van auteurs: zie Broekveldt 2003, p. 255 e.v. (nr. 146).
Van der Kwaak 1990, p. 174-192 e.v.
Broekveldt 2003, p. 255 (nr. 146).
Bartels & Heyman 1998, deel II, p. 210.
Vgl. HR 8 juli 2011, LJN BQ1823, BER 2011-1, m.nt. A.J. van der Meer en «JBPr» 2012, 5 m.nt. L.P. Broekveldt (STAK Forward/Huber c.s.) en HR 20 februari 2009, LJN BG7729, NJ 2009, 376 (Ontvanger/ De Jong q.q.). In de literatuur blijven de meningen verdeeld. Zie o.a. De Greve 2009, p. 42-52, Van den Heuvel 2009, p. 668-673, Van der Kwaak 2009, p. 132-139, Van Swaaij & Oude Kempers 2009, p. 1022-1029 (met reactie van Van den Heuvel, ‘Wie vergist zich nu eigenlijk’, NJB 2009, p. 1567-1568 en naschrift van Van swaaij & Oude Kempers, NJB 2009, p. 1569), Verdaas 2009, p. 341-347 en Westrik 2009, p. 683-685. Van Loon gaat in NTBR 2012/15 mee met het oordeel van de Hoge Raad. Snijders, Klaassen & Meijer 2011, nr. 408 vermelden het bestaan van verschillende visies onder verwijzing naar andere publicaties, alsmede de keuze van de Hoge Raad dat een beslag niet van invloed is op de beschikkingsbevoegdheid van de beslagene, maar beslag zaaksgevolg heeft.
Art. 718 j° 475 Rv: derdenbeslag. De deurwaarder beveelt de derde bij exploot het verschuldigde onder zich te houden op straffe van onwaarde van elke in weerwil van het beslag gedane betaling of afgifte. Bovendien is in art. 21 van de Algemene Bankvoorwaarden van de Nederlandse Vereniging van Banken opgenomen dat de bank, bij tekortschieten van de cli- ent in de nakoming van enige verplichting jegens de bank, haar vorderingen op de cliënt door opzegging onmiddellijk opeisbaar kan maken.
Het belangrijkste rechtsgevolg van beslag is dat bepaalde rechtshandelingen van de beslagene met betrekking tot het beslagen goed door de beslaglegger kunnen worden genegeerd, terwijl deze ten opzichte van anderen wel rechtsgeldig zijn. Voorbeelden van handelingen door de beslagene zijn vervreemding of bezwaring1 die, tot stand gekomen na het beslag, niet tegen de beslaglegger kunnen worden ingeroepen. In de voor september 2008 verschenen literatuur werd verschillend gedacht over de rechtsgevolgen van beslag.2 Zo sprak Van Mierlo over een ‘blokkeringsregeling’ (van beschikkingmacht), waarbij de beslagene als rechthebbende op het (inmiddels vervreemde) goed te gelden heeft.3 Hiermee sloot hij zich aan bij de visie van Snijders, Mijnssen e.a. die spraken over een relatieve beschikkingsonbevoegdheid, waarmee de beslagene beschikkingsonbevoegd wordt ten opzichte van de beslaglegger, ofwel een rechtshandeling rechtsgevolg heeft ten opzichte van ieder behalve ten opzichte van de beslaglegger.4 Van der Kwaak sprak over ‘relatief nietige’ rechtshandelingen omdat de beslaglegger de rechtshandeling van de beslagene kan negeren zonder hiervoor een expliciet beroep te hoeven doen op het rechtsgevolg van het beslag (derhalve: nietigheid van rechtswege), behoudens en voor zover hij door de rechtshandeling van de beslagene wordt benadeeld.5 Broekveldt kwalificeerde de omschrijving als ‘relatief beschikkingsonbevoegd’ of ‘relatief nietig’ als juridisch niet zuiver en onjuist. Hij meende dat de ratio van de blokkeringsregeling is gelegen in de bescherming van de verhaalspositie van de beslaglegger tegen een door de beslagdebiteur nadien verrichte benadelende rechtshandeling, met dien verstande dat deze bescherming niet verder mag strekken dan daarvoor nodig is, en spreekt (liever) van ‘een pauliana-achtige figuur ‘sui generis’.6 Bartels en Heyman verdedigden dat beslag zaaksgevolg heeft, waardoor het goed weliswaar rechtsgeldig wordt overgedragen, maar wel onder handhaving van het beslag op dat goed.7 De onderscheiden opvattingen hebben vooral verschillend gevolg voor de beslaglegger in de situatie van faillissement van een derdeverkrijger. In de opvatting van zaaksgevolg behoort het goed in het vermogen van de derde en vervalt het beslag door het faillissement. Dit is niet het geval indien men uitgaat van de leer van de relatieve beschikkingsonbevoegdheid. Inmiddels heeft de Hoge Raad in twee recente arresten (iets) meer duidelijkheid geschapen door de leer van de relatieve nietigheid te verwerpen en te spreken over zaaksgevolg.8
Het is van belang om de voor het soort beslag geldende voorschriften strikt te volgen daar inschrijving dan wel betekening van het beslag9 vereiste is voor de inwerkingtreding van deze blokkerende werking. Het leggen van meer (opvolgende) conservatoire beslagen door verschillende schuldeisers op hetzelfde goed of dezelfde vordering, zogenoemd cumulatief beslag, is mogelijk. In een aantal situaties zal de beslagene weinig of zelfs in het geheel geen hinder van het beslag ondervinden, zoals bijvoorbeeld in het geval van de conservatoire beslaglegging op een woning die in gebruik is bij de beslagene, althans in de situatie dat deze geen voornemen heeft tot verkoop van die woning. Anders ligt dit in het geval van (derden)beslag onder de bank op tegoeden van de schuldenaar (waarbij het beslag, onafhankelijk van de vordering, het gehele saldo op het moment van beslaglegging treft), of derdenbeslag onder leveranciers van de schuldenaar, daar het in die situaties voorstelbaar is dat snel problemen ontstaan omdat niet meer over banktegoeden kan worden beschikt10 of leveringen worden bemoeilijkt of opgeschort omdat bij leveranciers voor betalingsproblemen wordt gevreesd.