Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.3.4
3.3.4 Tijdelijke verbinding
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644913:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Diephuis I (1885), p. 439.
Art. 827 OBW: “De spiegels, schilderijen en andere sieraden, welke de vruchtgebruiker heeft aangebragt, kunnen door hem of zijne erfgenamen worden terug genomen, mits de plaatsen in haren vorigen staat worden hersteld.”
Art. 1603 OBW: “De huurder mag, bij de ontruiming van het gehuurde goed, afbreken en naar zich nemen al hetgeen hij daaraan, op zijne kosten, heeft doen maken, mits zulks gedaan worde zonder beschadiging van het goed.” Zie ook: Rb ’s-Gravenhage 4 november 1919, W. 10585; Rb. Amsterdam 30 jul 1917, N.J. 1918, 670.
Art. 636 OBW: “De uitgaven tot nut en verfraaijing blijven ten laste van dengenen, die te goeder of te kwader trouw bezeten heeft, doch hij heeft het regt om de door hem aangebragte voorwerpen van nut en verfraaijing tot zich te nemen, indien zulks kan geschieden zonder het goed te beschadigen.”
Diephuis I (1885), p. 439.
Zie hieronder §3.6.7.
Suijling V (1940), p. 66.
D. 6, 1, 23, 5. Zie Hoofdstuk 1, §1.9.2.
Art. 563 4o. “(…) En, in het algemeen, alle zoodanige voorwerpen welke de eigenaar tot een blijvend gebruik aan zijne onroerende zaak verbonden heeft. De eigenaar wordt geacht zoodanige voorwerpen tot een blijvend gebruik aan zijne onroerende zaak verbonden te hebben, wanneer dezelve daaraan zijn vastgehecht door aard-, timmer-, of metselwerk, of wanneer zij daarvan niet kunnen worden losgemaakt, zonder dezelve te breken of te beschadigen, of zonder het gedeelte van het onroerend voorwerp, waaraan zij zijn vastgehecht, te breken of te beschadigen.”
Diephuis I (1885), p. 439.
Zie ook Scholten (1945), p. 16, die naar §95 BGB verwees.
Van een Scheinbestandteil kon ook sprake zijn als de verbinding tot stand kwam bij de uitoefening van een recht. Zie hierover Hoofdstuk 2, §2.1.12.
Wat als een zaak tijdelijk met een andere was verbonden? Ging deze op in de hoofdzaak, was ze te beschouwen als bijzaak of was van geen van beide sprake? Voor de meeste gevallen waarin een zaak tijdelijk werd verbonden met een andere (onroerende) zaak waren speciale afscheidingsrechten geschapen. Een beklemde meier kon de zaken van de grond afscheiden, wanneer zijn recht van beklemming kwam te vervallen.1 Hetzelfde gold voor de vruchtgebruiker (art. 827 OBW)2 en de huurder (art. 1603 OBW).3 Ook een bezitter kon bepaalde toegevoegde zaken afscheiden (art. 636 OBW).4 Uit de aard van bepaalde rechten zoals huur en vruchtgebruik kon worden opgemaakt dat de verbinding van tijdelijke aard was. De gedachte was dat door deze tijdelijke verbindingen geen zaakseenheid was ontstaan, althans zo werd in de literatuur betoogd.5 Deze gedachte was, zo zal hieronder blijken, aan verandering onderhevig.6 De term “zaakseenheid” moest hier in brede zin worden opgevat. Suijling stelde vast dat, als de verbinding geen duurzame was, de toegevoegde zaak niet eens een bijzaak werd.
“De aannemer, die ter verhooging van de prestatie eener te werk gestelde machine daaraan door lassching of klinking een hulpmachine koppelt, maakt deze dus niet tot bijzaak van de andere, aangenomen dat de vereeniging, ondanks hare hechtheid, in het verkeer voor ongebruikelijk en daarom slechts voor tijdelijk geldt.”7
Het voorbeeld, gegeven door Suijling, doet denken aan de Paulustekst uit de Digesten, waarin Paulus stelde dat een (bronzen) arm, die aan een standbeeld werd gelast, geen zelfstandige zaak meer was.8 De arm was totaal opgegaan in het standbeeld en zo een wezenlijk bestanddeel geworden. Ondanks dat in beide voorbeelden de verbindingen door lassen tot stand waren gekomen, moeten de gevallen van elkaar onderscheiden worden. De arm uit het voorbeeld van Paulus was zo verbonden met het standbeeld, dat hij niet alleen ondergeschikt was geworden aan die laatste zaak, maar zelfs helemaal in die zaak was opgegaan. De hulpmachine uit het voorbeeld van Suijling daarentegen ging niet op in de “te werk gestelde machine” (hoofdmachine). De verbinding was volgens de dagelijkse opvatting een ongebruikelijke en daardoor vormden de machines geen duurzame, maar een tijdelijke eenheid. Dat de hulpmachine door lassing was verenigd met de andere machine, deed hier niet aan af. De bestemming van een zaak die met een andere zaak was verbonden was doorslaggevend. Een machine die tijdelijk in de fabriek was geplaatst ter vervanging van een machine die een reparatie moest ondergaan, werd geen bijzaak van de fabriek.
Alleen de eigenaar kon bepalen dat de verbinding resulteerde in een blijvende eenheid.9 Het was aan de partij die dit betwistte om te bewijzen of een verbinding al dan niet tijdelijk was.10 De opvatting dat een zaak geen onderdeel van de hoofdzaak werd, omdat de verbinding tijdelijk was, doet denken aan de Scheinbestandteile van §95 BGB.11 Deze “bestanddelen” bleven immers ook na de verbinding zelfstandige zaken.12
Tussenconclusie
Onder het OBW werd in de literatuur gesproken over zaken, bestanddelen, bijzaken, zaken die tijdelijk met een andere zaak waren verbonden en hulpzaken. Bij de bespreking hiervan dringt de vergelijking met het Duitse recht zich op. De Duitse juristen onderscheiden achtereenvolgens Sachen, wesentliche Bestandteile, unwesentliche Bestandteile, Scheinbestandteile en Zubehöre. Net als de bestanddelen verloren de wesentliche Bestandteile hun zelfstandigheid: ze waren geen rechtsobjecten meer. De consequentie van deze zuivere vorm van natrekking was dat de zakelijke rechten, die op deze voorheen zelfstandige zaken rustten, van het toneel verdwenen. Ze gingen teniet en gezien het feit dat het OBW, net als het Duitse recht, geen slapende zakelijke rechten kende, had dit een definitieve werking. Anders was de situatie bij de bijzaken. Evenals bij de unwesentliche Bestandteile behielden de bijzaken hun zelfstandigheid. Ofschoon ze waren verbonden met een andere zaak, leidde deze verbinding niet tot een vereniging waardoor ze door die zaak werden “opgeslokt”. De bijzaak deelde het juridische lot van de hoofdzaak voor zover zij dezelfde eigenaar hadden. Bovendien bleven beperkte rechten ook na de verbinding op de bijzaak rusten. Voorts leek voor het OBW te gelden dat de zaken die tijdelijk waren verbonden met andere zaken, eveneens hun zelfstandigheid behielden, zoals ook bij de Scheinbestandteile in het BGB het geval was. Doordat er geen sprake was van een duurzame vereniging maar van tijdelijke verbinding, werden de natrekkingsregels buiten spel gezet.
Tot slot kende men onder het OBW de hulpzaken, de Nederlandse pendant van de Zubehöre. Ook deze zaken behielden hun zelfstandigheid. Parallellen tussen het Duitse en het Nederlandse recht onder het OBW waren dus gemakkelijk te trekken. Deze parallellen werden in de loop van de twintigste eeuw echter steeds minder zichtbaar.