Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/1.II.D
D. RILG
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS476149:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Stct. 2006, 249, hierna tevens: RILG.
Par. 3.1 (artt. 11-14) RILG.
Par. 3.2 (artt. 15-20) RILG.
Par. 3.4 (art 22) RILG.
Par. 3.5 (artt. 23-26) RILG. Zie in dit kader H.W. Mojet, ‘Landinrichting in de WILG en het overgangsrecht bij projecten’, p. 283. Zie over het overgangsrecht uitgebreid onderdeel A.5 van dit hoofdstuk. Zie tevens H.J.W. Leenen, ‘De Wet inrichting landelijk gebied; Decentraal wat kan, centraal wat moet’, p. 578.
Zie onderdeel B.8 van dit hoofdstuk.
De overige artikelen van de RILG zijn voor de kavelruil niet van belang. Bespreking van deze artikelen gaat het bestek van dit onderzoek te buiten. Voor de integrale wettekst van de relevante artikelen verwijs ik naar het onderdeel ‘wetteksten’ aan het einde van dit boek.
De Commissie Wilg, ‘Advies over de Wet Inrichting landelijk gebied (Wilg)’, p. 496, vermeldt het navolgende over de van overeenkomstige toepassing verklaring: ‘De Commissie acht het wenselijk dat de wetsartikelen die ingevolge artikel 9.3 (thans art. 87 WILG) in een beding van de kavelruilovereenkomst op die overeenkomst van overeenkomstige toepassing kunnen worden verklaard, in artikel 9.3 worden vermeid. Ditzelfde geldt voor de nadere voorwaarden waaraan moet worden voldaan alvorens een dergelijk beding overeenkomstige rechtsgevolgen heeft als de daarin van toepassing verklaarde wetsartikelen.’ Aan deze wensen is niet tegemoetgekomen: niet art. 87 WILG, maar art. 21 lid 1 RILG somt de artikelen op, waarna in art 21 lid 2 RILG de nadere voorwaarde is opgenomen (zie hierna). Zie in dezelfde zin tevens D.W. Brui], ‘Kavelruil geregeld?’, p. 634, alsmede onderdeel B.8 hiervoor.
Zie tevens J.B. Spath, ‘Zaaksvervanging bij registergoederen’, alsmede onderdeel C.5.C hiervoor.
In dezelfde zin: Hof Amsterdam 21 juli 2005, ECH:NL:GHAMS:2005:AU4860, r.o. 4.5 in fine.
Voormelde beschrijving is grotendeels ontleend aan de Toelichting bij de regeling van 14 december 2006, Stct. 21 december 2006, nr. 249, p. 27. Zie tevens B.F. Preller, ‘De Wet inrichting landelijk gebied en kavelruil’, in: JBN 2007/10.
Toelichting bij de regeling van 14 december 2006, Stct. 21 december 2006, nr. 249, p. 27. Zie tevens B.F. Preller, ‘De Wet inrichting landelijk gebied en kavelruil’, in: JBN 2007/10.
Aldus B.F. Preller, ‘De Wet inrichting landelijk gebied en kavelruil’, in: JBN 2007/10. Met Preller ben ik overigens van mening dat vermelding van de artikelnummers voldoende is; de integrale tekst van de betreffende wetsartikelen behoeft niet te worden opgenomen.
Zie onderdeel E van dit hoofdstuk.
Zie onderdeel B.8 van dit hoofdstuk.
Op 1 september is de Regeling inrichting landelijk gebied1 in werking getreden. Op het terrein van landinrichting bevat hoofdstuk 3 van deze regeling in de eerste plaats nadere regels voor de procedure met betrekking tot de toedeling van grond in het kader van realisatie van een infrastructureel werk – als onderdeel van de wettelijke herverkaveling – van nationaal of regionaal belang.2 Voorts bevat de regeling nadere regels over de gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemming.3 Verder bevat de RILG enige nadere regels omtrent de ondergrens van te heffen ontslagkosten bij de financiering van landinrichtingsprojecten4 en overgangsbepalingen voor de overgang van landinrichtingsprojecten van de Landinrichtingswet en, voor zover noodzakelijk, de Reconstructiewet concentratiegebieden, naar de WILG (paragraaf 3.5).5
Daarnaast is de RILG van belang voor de kavelruil. Artikel 87 WILG bepaalt, zoals gezegd, 6 dat bij ministeriële regeling wordt aangegeven welke artikelen uit de WILG in de overeenkomst van kavelruil van overeenkomstige toepassing kunnen worden verklaard. Artikel 21 lid 1 RILG somt vervolgens de betreffende artikelen op.7 Het betreft de artikelen 60 lid 2, 3 en 4, 81 lid 2, 4 en 5 en 82 lid 3 en 4 WILG.8 Deze artikelen hebben, kort samengevat, de navolgende inhoud:
artikel 60, tweede, derde en vierde lid: het tweede lid bepaalt dat in het belang van de herverkaveling beperkte rechten kunnen worden gevestigd. Op grond van artikel 60, derde lid, van de wet gaan hypotheken met behoud van hun rang over op de kavels of gedeelten van kavels die in de plaats van de onroerende zaak waarop zij rusten, worden toegedeeld. De toepassing van artikel 60 lid 3 leidt derhalve tot behoud van de verhaalspositie van de hypotheekhouder.9 Vermelding van een hypotheekrecht in de akte van toedeling is, hoewel in het belang van de duidelijkheid aanbevelenswaardig, dus niet noodzakelijk voor de instandhouding van het recht.10 Op grond van artikel 60, vierde lid, van de wet gaan conservatoire en executoriale beslagen over op de kavels of gedeelten van kavels die in de plaats van de onroerende zaak waarop zij gelegd zijn, worden toegedeeld, alsmede op de geldsommen die in de plaats van kavels of terzake van onderbedeling worden toegekend;
artikel 81, tweede en vierde lid: bij de overeenkomst tot kavelruil (en in de ruilakte) wordt een kaart opgenomen van de in de kavelruil betrokken kavels en wegen en waterlopen. Bedoelde kavels, wegen en waterlopen en dijken of kaden met de daartoe behorende kunstwerken en gronden worden op bedoelde kavelkaart afgebeeld onder vermelding van een nummer (het zogenaamde kavelnummer, dat geen relatie heeft met het kadastrale perceelsnummer). Dit nummer dient tot omschrijving van het desbetreffende object. Daarbij hoeven de aard en de plaatselijke aanduiding van de desbetreffende onroerende zaken niet te worden vermeld;
artikel 81, vijfde lid: vermelding in de ruilakte van de hypotheken en beslagen die na de ruiling niet meer zullen bestaan en dus vervallen. Royement van deze hypotheken en beslagen is daardoor niet nodig;
artikel 82, derde en vierde lid: op grond van de kavelruilovereenkomst wordt in de openbare registers bij elke hypothecaire inschrijving onderscheidenlijk bij elke inschrijving van een beslag aangetekend dat de hypotheek onderscheidenlijk het beslag in het vervolg zal rusten op de in de kavelruilovereenkomst aangewezen kavels of gedeelten daarvan, dan wel op de rechten waaraan die kavels of gedeelten daarvan zijn onderworpen. Vervolgens tekent de bewaarder van het kadaster en de openbare registers ambtshalve de door de inschrijving van de kavelruilovereenkomst niet meer bestaande inschrijvingen van de in artikel 81, vijfde lid, van de wet bedoelde hypotheken en beslagen aan in de kadastrale registratie.11
Artikel 21 lid 2 RILG formuleert een voorwaarde voor de van overeenkomstige toepassing verklaring van voormelde wetsartikelen. De tekst van het artikellid luidt aldus:
“In de notariële akte van verdeling, bedoeld in artikel 85, eerste lid, van de wet, wordt vermeld welke van de in het eerste lid genoemde artikelen in het beding, bedoeld in het eerste lid, van overeenkomstige toepassing zijn verklaard.”
Uit de toelichting bij de RILG blijkt dat de vermelding van de wetsartikelen een constitutief karakter hebben. Het woord is aan de wetgever:
“Wordt aan deze voorwaarde niet voldaan, dan heeft bedoeld beding in de Imvelruilovereenkomst geen rechtsgevolgen. Daarmee zullen genoemde wetsartikelen niet van overeenkomstige toepassing zijn op de kavelruilovereenkomst."12
Het voorgaande betekent dus dat de van toepassing verklaarde wetsartikelen niet alleen in de overeenkomst, maar ook in de notariële akte van verdeling moeten worden opgenomen. Onder het regime van de Landinrichtingswet was het gebruikelijk de wetsartikelen alleen op te nemen in de overeenkomst.13
Door artikel 33 RILG is de Regeling Kavelruil per 1 januari 2007 ingetrokken. De ‘oude’ Regeling Kavelruil is hiermee opgegaan in het 1LG. Mede in verband hiermee is in artikel 34 lid 2 RILG bepaald dat op subsidieaanvragen, ingediend op grond van onder meer de Regeling kavelruil, het recht van toepassing blijft zoals dat gold voorafgaand aan de inwerkingtreding van de RILG.
Overigens is het maar zeer de vraag of de RILG een zelfstandig bestaansrecht heeft, vooral gezien het bestaan van Besluit inrichting landelijk gebied.14 Daarmee zijn er twee afzonderlijke uitvoeringsregelingen voor de WILG. Naar mijn smaak zou ook met één regeling volstaan kunnen worden, waarbij ik met Preller en Bruil van mening ben dat de inhoud van artikel 21 RILG evengoed binnen de kaders van (artikel 87 van) de WILG had kunnen worden opgenomen. Het onderscheid tussen Regeling en Besluit lijkt, zoals gezegd, voornamelijk historisch bepaald.15