Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/14.6.4.1:14.6.4.1 Procedureel onderscheid heffing en beboeting
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/14.6.4.1
14.6.4.1 Procedureel onderscheid heffing en beboeting
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS500691:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 14.4.3.3 hiervoor.
Met betrekking tot vergrijpboetes kan zoals gezegd eerst en vooral worden gedacht aan vragen betreffende de mate van verwijtbaarheid. Bij verzuimen is zelfs dat niet denkbaar, omdat voor het opleggen van een verzuimboete geen bewijs van schuld is vereist. De boeteling kan zich wel beroepen op avas.
Zie § 14.4.3.3 hiervoor.
Zie over deze verdedigingswaarborgen § 17.3 hierna.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het toezichts- en boeteonderzoek worden verricht door de inspecteur en door hem gemandateerde personen, op grond van een en dezelfde wettelijke grondslag (art. 47 e.v. AWR).1 Beide hebben een sterk feitelijke inslag, terwijl de voor de belastingheffing en boeteoplegging van belang zijnde feitencomplexen als object van onderzoek sterk verweven zijn. Er zijn maar weinig vragen denkbaar die uitsluitend betrekking hebben op de belastingheffing dan wel boeteoplegging.2 Deze verwevenheid van het heffings- en boeteonderzoek maakt dat het onderscheid tussen beide – zo dat al bestaat3 – overwegend theoretisch van aard is. Het praktische belang ervan bestaat naar mijn oordeel vooral in het respecteren van de verdedigingswaarborgen van de boeteling tijdens de boeteprocedure, in het bijzonder de cautieplicht en het boeterechtelijk zwijgrecht in art. 5:10a Awb.4
Deze verdedigingswaarborgen geven uitdrukking aan het procedurele onderscheid tussen belastingheffing en boeteoplegging als werkzaamheid. Dit onderscheid volgt expliciet uit art. 1, lid 1 AWR. Daarin wordt voor wat betreft de werkingssfeer van deze wet een uitdrukkelijk onderscheid gemaakt tussen de heffing van belastingen en het opleggen van bestuurlijke boetes. Sporen hiervan kunnen ook in de rechtspraak worden gelezen. Zie bijvoorbeeld HR 18 januari 2008, nr. 41 832. In dit arrest overweegt de HR dat in het wettelijke systeem de vaststelling van het bedrag van de belasting plaatsvindt los van de vaststelling van de boete door de inspecteur, waarbij het bedrag van de belasting niet opnieuw afzonderlijk wordt vastgesteld. De hoogte van de (definitieve) aanslag is (dus) een gegeven voor de boeteoplegging.5