Oorspronkelijke taal: Duits.
HvJ EU, 21-12-2016, nr. C-76/15
ECLI:EU:C:2016:975
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
21-12-2016
- Magistraten
M. Ilešič, A. Prechal, A. Rosas, C. Toader, E. Jarašiūnas
- Zaaknummer
C-76/15
- Conclusie
J. Kokott
- Roepnaam
Vervloet e.a.
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2016:975, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 21‑12‑2016
ECLI:EU:C:2016:386, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 02‑06‑2016
Uitspraak 21‑12‑2016
M. Ilešič, A. Prechal, A. Rosas, C. Toader, E. Jarašiūnas
Partij(en)
In zaak C-76/15,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Grondwettelijk Hof (België) bij beslissing van 5 februari 2015, ingekomen bij het Hof op 19 februari 2015, in de procedure
Paul Vervloet,
Marc De Wit,
Edgard Timperman,
Godelieve Van Braekel,
Patrick Beckx,
Marc De Schryver,
Guy Deneire,
Steve Van Hoof,
Organisme voor de financiering van pensioenen Ogeo Fund,
Gemeente Schaarbeek,
Frédéric Ensch Famenne
tegen
Ministerraad,
in tegenwoordigheid van:
Arcofin CVBA,
Arcopar CVBA,
Arcoplus CVBA,
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: M. Ilešič, kamerpresident, A. Prechal, A. Rosas (rapporteur), C. Toader en E. Jarašiūnas, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 6 april 2016,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Paul Vervloet, Marc De Wit, Edgard Timperman, Godelieve Van Braekel, Patrick Beckx, Marc De Schryver, Guy Deneire en Steve Van Hoof, vertegenwoordigd door K. Geelen, E. Monard en W. Moonen, advocaten,
- —
het Organisme voor de financiering van pensioenen Ogeo Fund, vertegenwoordigd door J. Bourtembourg en F. Belleflamme, advocaten,
- —
Arcofin CVBA, Arcopar CVBA en Arcoplus CVBA, vertegenwoordigd door A. Verlinden, R. Martens en C. Maczkovics, advocaten,
- —
de Belgische regering, vertegenwoordigd door J.-C. Halleux en C. Pochet als gemachtigden, bijgestaan door S. Ryelandt en P. De Bock, advocaten,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P.-J. Loewenthal, L. Flynn en A. Nijenhuis als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 2 juni 2016,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft ten eerste de uitlegging van de artikelen 2 en 3 van richtlijn 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels (PB 1994, L 135, blz. 5), zoals gewijzigd bij richtlijn 2005/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2005 (PB 2005, L 79, blz. 9) (hierna: ‘richtlijn 94/19’), en ten tweede de geldigheid van besluit 2014/686/EU van de Commissie van 3 juli 2014 betreffende steunmaatregel SA.33927 (12/C) (ex 11/NN) door België ten uitvoer gelegd — Garantieregeling ter bescherming van de aandelen van individuele leden van financiële coöperaties (PB 2014, L 284, blz. 53; hierna: ‘besluit van 3 juli 2014’), alsook de uitlegging van artikel 108, lid 3, VWEU.
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds Paul Vervloet, Marc De Wit, Edgard Timperman, Godelieve Van Braekel, Patrick Beckx, Marc De Schryver, Guy Deneire, Steve Van Hoof, het Organisme voor de financiering van pensioenen Ogeo Fund, de Gemeente Schaarbeek (België) en Frédéric Ensch Famenne, en anderzijds de Ministerraad (België), betreffende de vraag of de garantieregeling voor aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, die is ingesteld krachtens artikel 36/24, § 1, eerste lid, 3o, van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België (Belgisch Staatsblad, 28 maart 1998, blz. 9377), zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011 betreffende de evolutie van de toezichtsarchitectuur voor de financiële sector (Belgisch Staatsblad, 9 maart 2011, blz. 15623) (hierna: ‘wet van 22 februari 1998’), verenigbaar is met het in de Belgische Grondwet verankerde gelijkheidsbeginsel.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 94/19
3
Richtlijn 94/19 is ingetrokken bij richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake de depositogarantiestelsels (PB 2014, L 173, blz. 149). Aangezien zij is ingetrokken met ingang van 4 juli 2015, blijft zij van toepassing op het hoofdgeding.
4
De eerste, de achtste, de zestiende en de zeventiende overweging van richtlijn 94/19 luidden als volgt:
‘Overwegende dat, overeenkomstig de doelstellingen van het [EG-]Verdrag, een harmonische ontwikkeling van de werkzaamheden van kredietinstellingen in de gehele Gemeenschap dient te worden bevorderd door alle beperkingen van de vrijheid van vestiging en van het vrij verrichten van diensten weg te nemen, en tegelijk de stabiliteit van het bankwezen en de bescherming van de spaarders te versterken;
[…]
Overwegende dat de harmonisatie beperkt moet blijven tot de voornaamste elementen van de depositogarantiestelsels en moet waarborgen dat op zeer korte termijn een op basis van een geharmoniseerd minimumniveau berekende uitkering uit hoofde van de garantie plaatsvindt;
[…]
Overwegende dat, enerzijds, het bij deze richtlijn vastgestelde minimumgarantieniveau geen te groot aandeel van de deposito's onbeschermd mag laten, zowel ter wille van de bescherming van de consument als van de stabiliteit van het financieel stelsel; dat het, anderzijds, niet dienstig is in de gehele Gemeenschap een beschermingsniveau op te leggen dat in sommige gevallen een ongezond beheer bij kredietinstellingen in de hand zou kunnen werken; dat rekening dient te worden gehouden met de kosten van financiering van de stelsels; dat het redelijk lijkt het geharmoniseerde minimale garantieniveau op 20 000 [EUR] vast te stellen; dat beperkte overgangsregelingen nodig kunnen blijken om de stelsels in staat te stellen aan dit voorschrift uitvoering te geven;
Overwegende dat in sommige lidstaten de deposanten een hogere dekking van hun deposito's wordt geboden dan het in deze richtlijn vastgestelde geharmoniseerde minimumniveau van de garantie; dat het niet wenselijk lijkt te verlangen dat deze stelsels, die in sommige gevallen onlangs zijn ingevoerd bij toepassing van aanbeveling 87/63/EEG [van de Commissie van 22 december 1986 betreffende de invoering van depositogarantiestelsels in de Gemeenschap (PB 1987, L 33, blz. 16)], op dit punt worden gewijzigd’.
5
Artikel 1, punten 1 en 4, van deze richtlijn bepaalde:
‘In deze richtlijn wordt verstaan onder:
- 1.
deposito: een creditsaldo dat wordt gevormd door op een rekening staande gelden of dat tijdelijk uit normale banktransacties voortvloeit, en dat de kredietinstelling onder de toepasselijke wettelijke en contractuele voorwaarden dient terug te betalen, alsmede schulden belichaamd in door deze kredietinstelling uitgegeven schuldbewijzen.
Aandelen van ‘building societies’ in het Verenigd Koninkrijk en in Ierland worden als deposito's behandeld, tenzij het gaat om aandelen met een vermogenskarakter, als bedoeld in artikel 2.
Obligaties die voldoen aan de voorwaarden van artikel 22, lid 4, van richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) [PB 1985, L 375, blz. 3], worden niet als deposito's beschouwd.
[…]
[…]
- 4.
kredietinstelling: een onderneming waarvan de werkzaamheden bestaan in het van het publiek in ontvangst nemen van deposito's of van andere terugbetaalbare gelden en het verlenen van kredieten voor eigen rekening’.
6
Artikel 2 van richtlijn 94/19 luidde als volgt:
‘Van terugbetaling door een garantiestelsel zijn uitgesloten:
[…]
- —
alle instrumenten die zouden vallen onder de definitie van ‘eigen vermogen’ in artikel 2 van richtlijn 89/299/EEG van de Raad van 17 april 1989 betreffende het eigen vermogen van kredietinstellingen [PB 1989, L 124, blz. 16],
[…]’
7
In artikel 3, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 94/19 heette het:
‘Iedere lidstaat ziet erop toe dat op zijn grondgebied een of meer depositogarantiestelsels worden ingevoerd en officieel worden erkend. Uitgezonderd in de omstandigheden bedoeld in de tweede alinea en in lid 4, mogen kredietinstellingen waaraan op grond van artikel 3 van [de Eerste richtlijn (77/780/EEG) van de Raad van 12 december 1977 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PB 1977, L 322, blz. 30)] in die lidstaat vergunning is verleend, alleen deposito's aanvaarden indien zij aan een van die stelsels deelnemen.’
Richtlijnen 77/780 en 89/299
8
De richtlijnen 77/780 en 89/299 zijn ingetrokken en vervangen door richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PB 2000, L 126, blz. 1), die is ingetrokken en vervangen door richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PB 2006, L 177, blz. 1), die op haar beurt met ingang van 1 januari 2014 is ingetrokken en vervangen door richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB 2013, L 176, blz. 338).
9
Artikel 1 van richtlijn 77/780 luidde als volgt:
‘In deze richtlijn wordt verstaan onder:
- —
kredietinstelling: een onderneming waarvan de werkzaamheden bestaan in het van het publiek in ontvangst nemen van deposito's of van andere terugbetaalbare gelden en het verlenen van kredieten voor eigen rekening;
[…]’
10
Artikel 1, lid 2, van richtlijn 89/299 bepaalde:
‘Onder kredietinstellingen in de zin van deze richtlijn worden verstaan de instellingen waarop richtlijn [77/780, zoals laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 86/524/EEG van de Raad van 27 oktober 1986 (PB 1986, L 309, blz. 15)], van toepassing is.’
11
In artikel 2 van richtlijn 89/299 was bepaald:
- ‘1.
Met inachtneming van de in artikel 6 vastgestelde limieten bestaat het niet-geconsolideerde eigen vermogen van kredietinstellingen uit de hierna genoemde bestanddelen:
- 1.
gestort kapitaal in de zin van artikel 22 van richtlijn 86/635/EEG [van de Raad van 8 december 1986 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen (PB 1986, L 372, blz. 1)] plus agiorekening, maar zonder de cumulatief preferente aandelen;
[…]’
Richtlijn 2006/48
12
Artikel 4 van richtlijn 2006/48, zoals met ingang van 7 december 2009 gewijzigd bij richtlijn 2009/111/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 (PB 2009, L 302, blz. 97) (hierna: ‘richtlijn 2006/48’), luidde als volgt:
‘In deze richtlijn wordt verstaan onder:
- 1.
‘kredietinstelling’: een onderneming waarvan de werkzaamheden bestaan in het van het publiek in ontvangst nemen van deposito's of van andere terugbetaalbare gelden en het verlenen van kredieten voor eigen rekening;
[…]’
13
Artikel 57, eerste alinea, van richtlijn 2006/48 bepaalde:
‘Onverminderd de in artikel 66 vastgestelde limieten bestaat het niet-geconsolideerde eigen vermogen van kredietinstellingen uit de hierna genoemde bestanddelen:
- a)
gestort kapitaal in de zin van artikel 22 van [richtlijn 86/635] plus de daarmee verbonden agiorekening, voor zover het verliezen in doorgaande bedrijfsvoering volledig opvangt en het in geval van faillissement of liquidatie achtergesteld is bij alle andere schuldvorderingen;
[…]’
Richtlijn 86/635
14
Artikel 22 van richtlijn 86/635, met als opschrift ‘Passiva: post 9 — Geplaatst kapitaal’, luidt als volgt:
‘Deze post omvat, ongeacht de benaming die daarvoor in een gegeven geval wordt gebruikt, alle bedragen welke overeenkomstig de rechtsvorm van de betrokken kredietinstelling en overeenkomstig de nationale wetgeving als bij aandeelhouders of andere inbrengers geplaatste aandelen in het eigen vermogen van de kredietinstelling dienen te worden aangemerkt.’
Belgisch recht
15
Artikel 36/24, § 1, van de wet van 22 februari 1998 luidt:
‘De Koning kan, na advies van de Bank, ingeval zich een plotse crisis voordoet op de financiële markten of in geval van een ernstige dreiging van een systemische crisis, teneinde de omvang of de gevolgen hiervan te beperken:
- 1o.
aanvullende of afwijkende reglementen vaststellen ten opzichte van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, de wet van 2 januari 1991 betreffende de markt van de effecten van de overheidsschuld en het monetair beleidsinstrumentarium, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, het Boek VIII, Titel III, hoofdstuk II, afdeling III van het Wetboek van vennootschappen en het koninklijk besluit nr. 62 betreffende de bewaargeving van vervangbare financiële instrumenten en de vereffening van transacties op deze instrumenten, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 27 januari 2004;
- 2o.
in een systeem voorzien waarbij een staatswaarborg wordt verleend voor verbintenissen die zijn aangegaan door de krachtens voornoemde wetten aan toezicht onderworpen instellingen die Hij bepaalt, of de staatswaarborg toekennen aan bepaalde schuldvorderingen gehouden door dergelijke instellingen;
- 3o.
in een systeem voorzien, in voorkomend geval door middel van reglementen vastgesteld overeenkomstig 1o, van toekenning van de staatswaarborg voor de terugbetaling aan vennoten die natuurlijke personen zijn van hun deel in het kapitaal van coöperatieve vennootschappen, erkend overeenkomstig het koninklijk besluit van 8 januari 1962 tot vaststelling van de voorwaarden tot erkenning van de nationale groeperingen van coöperatieve vennootschappen en van de coöperatieve vennootschappen, die instellingen zijn onderworpen aan toezicht krachtens voornoemde wetten of waarvan minstens de helft van het vermogen is geïnvesteerd in dergelijke instellingen;
[…]’
16
Artikel 3 van het koninklijk besluit van 14 november 2008 tot uitvoering van de wet van 15 oktober 2008 houdende maatregelen ter bevordering van de financiële stabiliteit en inzonderheid tot instelling van een staatsgarantie voor verstrekte kredieten en andere verrichtingen in het kader van de financiële stabiliteit, voor wat betreft de bescherming van de deposito's, de levensverzekeringen en het kapitaal van erkende coöperatieve vennootschappen, en tot wijziging van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten (Belgisch Staatsblad, 17 november 2008, blz. 61285), zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 10 oktober 2011 (Belgisch Staatsblad, 12 oktober 2011, blz. 62641) (hierna: ‘koninklijk besluit van 14 november 2008’), bepaalt:
‘Er wordt bij de Deposito- en Consignatiekas een fonds opgericht, genoemd ‘Bijzonder Beschermingsfonds voor deposito's, levensverzekeringen en kapitaal van erkende coöperatieve vennootschappen’.
De Koning regelt de organisatie en werking van het in het eerste lid bedoelde fonds.’
17
Artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit van 14 november 2008 luidt als volgt:
‘Mogen eraan deelnemen, op hun aanvraag, de coöperatieve vennootschappen, erkend overeenkomstig het koninklijk besluit van 8 januari 1962 tot vaststelling van de voorwaarden tot erkenning van de nationale groeperingen van coöperatieve vennootschappen en van de coöperatieve vennootschappen, die instellingen zijn onderworpen aan toezicht als bedoeld in artikel 36/24, § 2, van de wet van 22 februari 1998 of waarvan minstens de helft van het vermogen rechtstreeks of onrechtstreeks is geïnvesteerd in dergelijke instellingen.
De aanvraag bedoeld in het eerste lid, dient bij aangetekende brief gericht te worden aan de minister van Financiën.
[…]’
18
Artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 7 november 2011 tot toekenning van een garantie tot bescherming van het kapitaal van erkende coöperatieve vennootschappen (Belgisch Staatsblad, 18 november 2011, blz. 68640; hierna: ‘koninklijk besluit van 7 november 2011’) luidt:
‘In toepassing van artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit van 14 november 2008 wordt de aanvraag tot bescherming van het kapitaal van volgende erkende coöperatieve vennootschappen aanvaard:
- —
[Arcopar]
- —
[Arcofin]
- —
[Arcoplus].
[…]’
19
Het koninklijk besluit van 7 november 2011 is krachtens artikel 3 ervan in werking getreden op 14 oktober 2011.
Besluit van 3 juli 2014
20
In overweging 1 van haar besluit van 3 juli 2014 zet de Europese Commissie uiteen dat de Belgische Staat ‘de Commissie [bij schrijven van 7 november 2011] kennis [heeft] gegeven van het feit dat zij een garantieregeling had opgezet […] ten behoeve van de aandelen van individuele vennoten in erkende coöperaties die ofwel onder prudentieel toezicht van de Nationale Bank van België […] staan of die ten minste de helft van hun activa hebben geïnvesteerd in een instelling die onder dat soort toezicht staat (hierna ‘financiële coöperaties’ genoemd)’.
21
Overweging 8 van dit besluit behoort tot het inleidende gedeelte van de beschrijving die de Commissie van de ‘[t]otstandkoming van de aangemelde maatregel’ heeft gegeven. Zij luidt als volgt:
‘Op 30 september 2008 kondigde Dexia […] een kapitaalverhoging van 6,4 miljard EUR aan, waarop werd ingetekend door haar bestaande aandeelhouders (waaronder ARCO) en door de Belgische, Franse en Luxemburgse overheid. Voor de bijzondere Kamercommissie van het Belgisch Parlement die belast was met het onderzoek van de omstandigheden die hebben geleid tot de ontmanteling van Dexia […], heeft de Belgische minister van Financiën op het tijdstip van de steunverlening aan Dexia in 2008 verklaard dat, na verzoeken om maatregelen te nemen ten behoeve van ARCO, er reeds in september/oktober 2008 een politiek besluit was genomen om een garantieregeling voor coöperaties op te zetten. Hij verklaarde dat, om een akkoord over Dexia te bereiken, de regering tezelfdertijd ook een besluit over [onder meer] ARCO […] moest nemen […]. Ook uit verklaringen van de huidige minister van Financiën volgt dat de verbintenis van 2008 is aangegaan opdat ARCO zou toestemmen om deel te nemen aan de redding van Dexia […].’
22
In overweging 9 van haar besluit zet de Commissie uiteen dat de Belgische regering op 10 oktober 2008 bij wege van een persbericht van de diensten van de minister van Financiën heeft aangekondigd dat zij met name had besloten om een soortgelijke regeling als de bestaande depositogarantieregeling in te stellen voor andere financiële producten en in het bijzonder voor aandelen in financiële coöperaties.
23
Overweging 10 van ditzelfde besluit is als volgt geformuleerd:
‘Op 21 januari 2009 hebben de eerste minister en de minister van Financiën — in een gezamenlijk persbericht — de toezegging bevestigd die de vorige regering […] had gedaan om een garantieregeling voor coöperaties in te voeren […]. Diezelfde dag heeft ARCO het persbericht van de Belgische regering op haar website geplaatst. Daarentegen hebben andere financiële coöperaties zich gedistantieerd van de gelijkschakeling van deposito's en aandelen in financiële coöperaties, die aan de garantieregeling voor coöperaties ten grondslag ligt […].’
24
In de overwegingen 11 tot en met 15 van haar besluit van 3 juli 2014 beschrijft de Commissie in de volgende termen het wetgevingsproces dat tot de goedkeuring van de aangemelde maatregel heeft geleid:
- ‘(11)
Op 15 oktober 2008 heeft het Belgische Parlement een wet goedgekeurd […] waardoor de Belgische regering maatregelen kon nemen om de financiële stabiliteit te bewaren. Op 14 november 2008 […] heeft de Belgische Staat een koninklijk besluit gepubliceerd waarmee de bescherming in het kader van de depositogarantieregeling voor kredietinstellingen werd opgetrokken tot 100 000 EUR, terwijl ook een verzekeringsgarantieregeling voor tak 21-verzekeringsproducten werd ingevoerd. […]
- (12)
Op 14 april 2009 […] heeft de Belgische Staat de wet van 15 oktober 2008 gewijzigd, zodat de regering bij koninklijk besluit een systeem kon opzetten voor het garanderen van het kapitaal dat individuele vennoten in financiële coöperaties hebben gestort. Bij koninklijk besluit van 10 oktober 2011 […] heeft de Belgische overheid het koninklijk besluit van 14 november 2008 gewijzigd. Dit koninklijk besluit van 10 oktober 2011 bevat ook technische details over de garantieregeling voor coöperaties.
[…]
- (14)
Op 13 oktober 2011 hebben de drie coöperatieve vennootschappen van ARCO […] een aanvraag ingediend om toe te treden tot de garantieregeling voor coöperaties. De Belgische regering heeft dit verzoek goedgekeurd bij koninklijk besluit van 7 november 2011 […].
[…]’
25
In de overwegingen 80 en volgende van dit besluit beoordeelt de Commissie de aangemelde maatregel.
26
In het kader van de bepaling van de begunstigde van deze maatregel zet zij in overweging 81 van dit besluit uiteen dat er een belangrijk verschil bestaat tussen enerzijds ARCO, dat de erkende coöperatieve vennootschappen Arcopar, Arcoplus en Arcofin (hierna samen: ‘vennootschappen van de Arco-groep’) omvat en in 2001 de grootste aandeelhouder van Dexia is geworden, en anderzijds de andere financiële coöperaties die potentieel voor toetreding tot de garantieregeling voor coöperaties in aanmerking komen.
27
In de overwegingen 82 tot en met 84 van het besluit van 3 juli 2014 heet het:
- ‘(82)
Uit de beschrijving van de feiten […] blijkt duidelijk dat de garantieregeling voor coöperaties van bij de aanvang op maat was gemaakt van ARCO, dat in moeilijkheden was gekomen door zijn investeringen in Dexia. ARCO was uiteindelijk ook de enige financiële coöperatie die een aanvraag heeft ingediend om tot de maatregel te worden toegelaten.
- (83)
Ten aanzien van de andere financiële coöperaties wijst de Commissie erop dat de garantieregeling voor coöperaties een vrijwillige regeling is, dat de Ministerraad beoordelingsmarge had ten aanzien van het al dan niet toelaten tot de garantieregeling voor coöperaties van een financiële coöperatie die daarom verzocht en de voorwaarden waarop dat kon gebeuren, en dat geen enkele andere financiële coöperatie een aanvraag heeft ingediend om tot de garantieregeling voor coöperaties te worden toegelaten en dat een aantal van hen zich er zelfs van heeft gedistantieerd. Voorts wijst de Commissie erop dat bij geen andere financiële coöperatie de problemen met investeringen dezelfde omvang hadden als bij ARCO met haar investeringen in Dexia.
- (84)
Daarom is de conclusie van de Commissie dat ARCO de enige reële begunstigde van de garantieregeling voor coöperaties is, die economische activiteiten uitoefent.’
28
In overweging 90 van dit besluit concludeert de Commissie dat de aankondiging en de tenuitvoerlegging van de garantieregeling voor coöperaties als één enkele maatregel moeten worden behandeld, en wel om de redenen die zij in de overwegingen 85 tot en met 89 van dit besluit als volgt heeft uiteengezet:
- ‘(85)
De Commissie wijst erop dat de regering op 10 oktober 2008 tot de maatregel had besloten en deze had aangekondigd […]. Het is duidelijk dat de Belgische regering had besloten om ARCO het voordeel van een garantieregeling voor coöperaties aan te bieden op hetzelfde moment dat in 2008 de maatregel ten behoeve van Dexia werd uitgewerkt […]. Een ander persbericht van 21 januari 2009 gaf meer details over de maatregel en nadien werd begonnen met het omzetten in wetgeving van de toezegging van de regering.
- (86)
De Commissie neemt nota van de bindende en ondubbelzinnige bewoording van de persberichten van 10 oktober 2008 en 21 januari 2009, waarin termen worden gebruikt als ‘heeft beslist’ en ‘het engagement’, waarmee een gewettigd vertrouwen werd gewekt ten aanzien van de nakoming ervan.
- (87)
De persberichten gingen ook uit via de officiële kanalen: het persbericht van 10 oktober 2008 ging uit van de diensten van de minister van Financiën, terwijl het persbericht van 21 januari 2009 werd uitgezonden namens de eerste minister en de minister van Financiën. Het herhaalde karakter van de communicatie met de pers versterkte de onderliggende boodschap.
- (88)
De Commissie tekent aan dat het reeds van bij het persbericht van 10 oktober 2008 duidelijk was dat de garantieregeling voor coöperaties zou worden vormgegeven als een uitbreiding van de depositogarantieregeling. Het persbericht van 21 januari 2009 bevat verdere technische details. Zodra het persbericht van 21 januari 2009 was bekendgemaakt, heeft ARCO het op haar website gezet. Dit laatste initiatief was duidelijk bedoeld om individuele vennoten gerust te stellen. Bovendien constateert de Commissie de coherentie van de maatregel in de tijd, aangezien de maatregel niet ingrijpend is gewijzigd tussen de initiële aankondiging ervan op 10 oktober 2008 en het uiteindelijke koninklijk besluit.
- (89)
In zijn arrest van 19 maart 2013[, Bouygues en Bouygues Télécom/Commissie e.a. en Commissie/Frankrijk e.a. (C-399/10 P en C-401/10 P, EU:C:2013:175),] heeft het Hof van Justitie verklaard dat de aankondiging van een maatregel en de daadwerkelijke tenuitvoerlegging ervan als één enkel optreden kunnen worden bezien, indien [dat] gerechtvaardigd [is], gelet op de chronologie en de doeleinden van de aankondiging alsook op de tenuitvoerlegging ervan en de toestand van de onderneming op het tijdstip van dat optreden. Evenzo heeft de Belgische Staat in het geval van deze zaak op 10 oktober 2008 besloten tot en aankondiging gedaan van een maatregel, die nadien voor dezelfde doeleinden ten aanzien van de oorspronkelijk beoogde begunstigde ten uitvoer is gelegd. Bovendien heeft de Commissie in haar besluiten aankondiging en tenuitvoerlegging als één enkele maatregel beschouwd en geoordeeld dat dit soort maatregel een voordeel tot stand brengt vanaf de datum van de aankondiging ervan […]. Ten slotte dient aangestipt te worden dat de in mei 2014 in functie zijnde minister van Financiën de maatregel gekwalificeerd heeft als een verbintenis aangegaan in 2008 […].’
29
De vraag of sprake is van steun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU wordt behandeld in de overwegingen 91 tot en met 110 van het besluit van 3 juli 2014. Overweging 99 van dit besluit, die betrekking heeft op de voorwaarde dat staatsmiddelen zijn ingezet, luidt:
- ‘(99)
Wat betreft de toerekenbaarheid van de maatregel aan de Belgische Staat, is het duidelijk dat de garantieregeling voor coöperaties niet kan worden beschouwd als een omzetting van richtlijn [94/19]. [Deze richtlijn] verplicht lidstaten alleen tot het invoeren van een depositogarantiestelsel voor deposito's van kredietinstellingen en in artikel 2 van die richtlijn is uitdrukkelijk bepaald dat alle instrumenten die onder de definitie van ‘eigen vermogen’ van kredietinstellingen zouden vallen, van terugbetaling door een garantiestelsel zijn uitgesloten. Indien een lidstaat besluit andere terugbetalingsregelingen op te zetten die andere financiële producten garanderen, dan vloeit dat soort besluit niet voort uit het Unierecht, maar is het een initiatief van de lidstaat zelf […]’.
30
De overwegingen 101 tot en met 107 van dit besluit, die betrekking hebben op de vraag of sprake is van een selectief voordeel, luiden als volgt:
- ‘(101)
De maatregel is ook duidelijk selectief. In de eerste plaats geldt hij alleen voor houders van aandelen in financiële coöperaties — en niet voor houders van beleggingsproducten die door concurrerende ondernemingen worden uitgegeven. Zodoende konden financiële partijen die conservatieve obligatie- of geldmarktfondsen of beleggingsfondsen met kapitaalgarantie aanbieden, hun cliënten geen vergelijkbare garantie bieden. De Belgische Staat betoogt dat individuele aandelen van financiële coöperaties in wezen vergelijkbaar zijn met deposito's […]. [E]en aantal elementen dat de Belgische Staat aanvoerde, [heeft echter] betrekking op coöperaties in het algemeen — en niet op financiële coöperaties. Bovendien maakt de beschrijving die de Belgische Staat van aandelen van financiële coöperaties geeft, geen melding van relevante informatie zoals de risico's van investeren in die instrumenten […], die niet kenmerkend zijn voor deposito's.
- (102)
Het selectieve karakter van de maatregel blijkt ook wanneer de behandeling van financiële coöperaties wordt vergeleken met die van andere erkende, niet-financiële coöperaties. De Belgische Staat beriep zich op het arrest [van 8 september 2011, Paint Graphos e.a. (C-78/08–C-80/08, EU:C:2011:550),] om te pleiten voor een bijzondere behandeling van individuele vennoten van financiële coöperaties. […]
- (103)
De Commissie oordeelt dat de argumentatie van de Belgische Staat niet kan slagen omdat de aard van het voordeel toegekend door de maatregel kwalitatief anders is dan het voordeel beoordeeld in [de zaak Paint Graphos e.a. (C-78/08–C-80/08)]. De door België uitgewerkte maatregel brengt een positief voordeel met zich mee en niet de vrijstelling van een fiscale verplichting of van een betalingsverplichting. Daardoor kan de door het Hof van Justitie gesteunde drievoudige analyse om na te gaan of een fiscaal voordeel of een uitzondering op een heffing selectief is, niet toegepast worden.
- (104)
Zelfs als de […] analyse [van het arrest van 8 september 2011, Paint Graphos e.a. (C-78/08–C-80/08, EU:C:2011:550),] zou kunnen toegepast worden op de maatregel, dan zijn de kenmerken van de maatregel dusdanig dat de maatregel selectief blijft.
- (105)
In de eerste plaats tekent de Commissie aan dat het in de zaak Paint Graphos [e.a. (C-78/08–C-80/08)] gaat om álle productie- en arbeidscoöperaties, en niet om een betrekkelijk kleine subsector, zoals financiële coöperaties. Indien er, zoals België beweert, een bijzondere behandeling moet zijn voor ‘echte’ coöperaties, dan dient die bijzondere behandeling te gelden voor alle erkende coöperaties. De enge focus van de maatregel op uitsluitend financiële coöperaties is daarom op zich al voldoende om het selectieve karakter van de maatregel aan te tonen.
- (106)
In de tweede plaats wijst de Commissie erop dat, volgens de Belgische Staat, financiële coöperaties vanaf 10 oktober 2008 bijkomende voorrechten leken te verdienen. De Commissie wijst erop dat vóór die datum erkende coöperaties door hun bijzonder statuut een zekere gunstige behandeling kregen in de vorm van een vrijstelling van roerende voorheffing […]. In dit besluit spreekt de Commissie zich niet uit over de vraag of dat belastingvoordeel evenredig is, maar zij gelooft dat er geen redenen waren om op 10 oktober 2008 plots een bijkomende compensatie of bescherming in te voeren voor vennootschappen die het statuut van financiële coöperatie hebben.
- (107)
Ten slotte gelooft de Commissie dat, zelfs indien zij, zoals door België bepleit, zou meegaan in de analyse uit [het arrest van 8 september 2011, Paint Graphos e.a. (C-78/08–C-80/08, EU:C:2011:550),] er geen rechtvaardigingsgronden zijn om een 100 %-garantie af te geven aan individuele vennoten van ARCO […], waarvan de entiteiten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid zijn. Door de aard van die vennootschappen zoals die is vastgesteld in de algemene regels van het Belgische vennootschapsrecht, hadden individuele ARCO-vennoten zich ervan bewust moeten zijn dat zij hun volledige kapitaal konden verliezen in het geval van een vereffening […]. Voorts is een 100 %-bescherming van alle door de individuele vennoten van financiële coöperaties onderschreven kapitaal geen evenredige maatregel […] omdat die vennoten zouden worden afgeschermd tegen alle risico's, hetgeen een buitensporig voordeel zou opleveren aan de vennootschappen waarvan zij vennoten zijn […].’
31
In de overwegingen 108 en 109 van het besluit van 3 juli 2014 heeft de Commissie onderzocht of de betrokken garantieregeling de mededinging heeft verstoord en het handelsverkeer tussen de lidstaten heeft beïnvloed. Die overwegingen luiden als volgt:
- ‘(108)
De garantieregeling voor coöperaties verleent financiële coöperaties een voordeel dat andere spelers die retailbeleggingsproducten en andere erkende, niet-financiële coöperaties aanbieden, niet hebben. Dankzij de maatregel heeft ARCO haar marktaandeel langer kunnen behouden. ARCO kreeg niet te maken met een uitstroom van kapitaal, of pas later en in mindere mate dan zonder de maatregel het geval was geweest. Daardoor kwam kapitaal dat anders beschikbaar was geweest om te investeren, niet beschikbaar voor andere spelers, die op hun merites moesten concurreren en dus geen beroep konden doen op de garantieregeling voor coöperaties. Bijgevolg verstoort de garantieregeling voor coöperaties de mededinging […].
- (109)
Wanneer een lidstaat steun toekent aan een onderneming, kan de binnenlandse activiteit in stand blijven of stijgen, met als gevolg dat de kansen van in andere lidstaten gevestigde ondernemingen om in die lidstaat (verder) op de markt te komen, afnemen […]. Aangezien er op de Belgische markt talrijke internationale aanbieders van beleggingsproducten zijn, beïnvloedt de maatregel wel degelijk het handelsverkeer binnen de Unie.’
32
Op basis van de in de overwegingen 91 tot en met 109 van het besluit gemaakte analyse concludeert de Commissie in overweging 110 van dit besluit dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde garantieregeling voor erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector ‘staatsmiddelen behelst, een selectief voordeel voor ARCO vormt, de mededinging verstoort en het handelsverkeer binnen de Unie ongunstig beïnvloedt’ en ‘zodoende aan alle staatssteuncriteria voldoet’. De Commissie is ook van mening dat ‘[a]l deze elementen […] ten laatste aanwezig [waren] wanneer het koninklijk besluit van 10 oktober 2011 [werd] aangenomen, maar [dat] het voordeel gecreëerd door de maatregel [al] bestond […] op het ogenblik dat de Belgische regering op 10 oktober 2008 aankondigde dat de maatregel gecreëerd zou worden’.
33
In de overwegingen 111 tot en met 128 van het besluit van 3 juli 2014 beoordeelt de Commissie of deze steun verenigbaar is met de interne markt. Zij komt in overweging 129 van dit besluit tot de slotsom dat deze steun ‘niet met de interne markt verenigbaar [kan] worden verklaard, omdat hij geschikt, noodzakelijk noch evenredig is voor de toepassing van artikel 107, lid 3, onder b), [VWEU] en omdat hij niet onder de toepassing valt van enige andere bepaling betreffende de verenigbaarheid van staatssteun’.
34
Concluderend stelt de Commissie in overweging 143 van dit besluit vast dat ‘de garantieregeling voor coöperaties staatssteun vormt ten faveure van [Arcopar, Arcofin en Arcoplus] die België, in strijd met artikel 108, lid 3, [VWEU], onrechtmatig ten uitvoer heeft gelegd’. In diezelfde overweging verklaart zij dat ‘[d]e Belgische Staat […] de aan de garantieregeling voor coöperaties ten grondslag liggende wetgeving (met name de wet van 14 april 2009 en het koninklijk besluit van 10 oktober 2011) [dient] in te trekken en […] het voordeel [dient] terug te vorderen van [Arcopar, Arcofin en Arcoplus]’.
35
Luidens artikel 1 van het besluit van 3 juli 2014 is ‘[d]e garantieregeling, die België in strijd met artikel 108, lid 3, [VWEU] verstrekt heeft in het voordeel van de financiële [coöperaties] van [de Arco-groep,] onverenigbaar met de interne markt’.
36
Bij artikel 2, lid 1, van dit besluit wordt het Koninkrijk België gelast om deze steun terug te vorderen van de begunstigden en daarbij de door de Commissie vastgestelde berekeningsmethode te hanteren. Volgens artikel 2, lid 4, van dit besluit moet ‘België […] zich [blijven] onthouden van elke uitbetaling ten gevolge van de maatregel van de steun bedoeld in artikel 1 vanaf de datum van kennisgeving van dit besluit’.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
37
In het kader van de financiële crisis en met name in de context van de herkapitalisatie van de Frans-Belgische bank Dexia hebben de Belgische autoriteiten krachtens artikel 36/24 van de wet van 22 februari 1998 een garantieregeling ingesteld volgens welke natuurlijke personen die hebben belegd in aandelen van financiële coöperatieve vennootschappen die zich bij deze garantieregeling hebben aangesloten, van een Bijzonder Beschermingsfonds voor deposito's terugbetaling ontvangen van hun belegde kapitaal (ten belope van maximaal 100 000 EUR) ingeval deze vennootschappen in gebreke blijven. Overeenkomstig het koninklijk besluit van 14 november 2008, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 10 oktober 2011, zijn de vennootschappen van de Arco-groep — die samen een van de grootste aandeelhouders van Dexia vormen — bij het koninklijk besluit van 7 november 2011 opgenomen in deze regeling.
38
In december 2011 en januari 2012 hebben Vervloet, De Wit, Timperman, Van Braekel, Beckx, De Schryver, Deneire, Van Hoof, het Organisme voor de financiering van pensioenen Ogeo Fund, de Gemeente Schaarbeek en Ensch Famenne bij de Raad van State (België) beroepen tot nietigverklaring van de koninklijke besluiten van 10 oktober 2011 en 7 november 2011 ingesteld. In het kader daarvan betogen zij in wezen dat deze koninklijke besluiten in strijd zijn met het in de Belgische Grondwet verankerde gelijkheidsbeginsel, aangezien zij een verschil in behandeling creëren tussen enerzijds natuurlijke personen die aandelen bezitten van coöperatieve vennootschappen die in aanmerking komen voor de met name bij die koninklijke besluiten in het leven geroepen garantieregeling, en anderzijds natuurlijke personen die aandelen bezitten van andere, dicht bij de financiële sector staande vennootschappen die van deze regeling zijn uitgesloten.
39
Van oordeel dat deze koninklijke besluiten hun rechtsgrond vinden in artikel 36/24 van de wet van 22 februari 1998, dat zij derhalve passen in het kader van de beperkingen die de wetgever zelf heeft gesteld, en dat het aangevoerde verschil in behandeling vervat is in een wetskrachtige norm, heeft de Raad van State het Grondwettelijk Hof (België) verschillende prejudiciële vragen gesteld over de verenigbaarheid van dit artikel met de Belgische Grondwet.
40
Het Grondwettelijk Hof zet in de eerste plaats uiteen dat de Ministerraad ter rechtvaardiging van dit verschil in behandeling betoogt dat aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector vergelijkbaar zijn met bankdeposito's, waarvoor de lidstaten krachtens richtlijn 94/19 in een garantiestelsel moeten voorzien. De vennootschappen van de Arco-groep, die in de procedure bij de Raad van State hebben geïntervenieerd, voeren aan dat artikel 36/24, § 1, eerste lid, 3o, van de wet van 22 februari 1998 een omzetting van deze richtlijn vormt, daar de aandelen van de coöperatieve vennootschappen kenmerken van een spaarproduct vertonen.
41
In die omstandigheden is de verwijzende rechter van oordeel dat het — om te kunnen uitmaken of de Belgische wetgever, zonder het in de Belgische Grondwet verankerde gelijkheidsbeginsel te schenden, de Koning vermocht te machtigen een stelsel in te voeren dat niet alleen de bankdeposito's beschermt maar ook de waarde van de aandelen die een natuurlijk persoon als vennoot bezit in een erkende coöperatieve vennootschap die actief is in de financiële sector — van belang is om te weten of deze wetgever krachtens artikel 2 van richtlijn 94/19, in voorkomend geval gelezen in het licht van de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’) en het algemene gelijkheidsbeginsel, aldus mocht of zelfs moest handelen.
42
Wat in de tweede plaats het besluit van de Commissie van 3 juli 2014 betreft, wijst het Grondwettelijk Hof erop dat het onderzoek of een maatregel selectief is in de zin van artikel 107 VWEU, bepaalde overeenkomsten vertoont met het onderzoek of de in de Belgische Grondwet verankerde beginselen van gelijkheid en non-discriminatie zijn nageleefd. Het wijst erop dat de Belgische Staat en de vennootschappen van de Arco-groep, die voor het Grondwettelijk Hof de geldigheid van dit besluit betwisten, beroepen tot nietigverklaring van dit besluit hebben ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie. De verwijzende rechter merkt op dat deze vennootschappen de argumenten die zij voor hem hebben aangevoerd, hebben herhaald en nader hebben uitgewerkt in het kader van hun beroep tot nietigverklaring bij het Gerecht, waarnaar zij hebben verwezen.
43
Meer bepaald stellen deze vennootschappen, volgens het Grondwettelijk Hof, dat de Commissie met name artikel 107, lid 1, artikel 108, lid 2, en artikel 296, tweede alinea, VWEU alsook de procedureregels inzake de bewijslast en de bewijsvoering heeft geschonden. Tot staving van dat argument voeren zij twee middelen aan betreffende de geldigheid van het onderdeel van het besluit van 3 juli 2014 waarin de betrokken maatregel als nieuwe staatssteun wordt aangemerkt. Zij betogen ten eerste dat zij geen selectief voordeel hebben genoten en ten tweede dat de bedoelde maatregel de mededinging niet kan verstoren of dreigen te verstoren en evenmin het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kan beïnvloeden.
44
In het kader van hun eerste middel betwisten deze vennootschappen ten eerste de conclusie van de Commissie dat zij de begunstigden zijn van de in het besluit van 3 juli 2014 vastgestelde staatssteun. Volgens hen zijn namelijk de particuliere vennoten van de coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, alsook Dexia, waarin de vennootschappen van de Arco-groep hebben geïnvesteerd, de rechtstreekse begunstigden van de betrokken maatregel. Zij wijzen er ook op dat de Commissie de aan Dexia verleende steun heeft goedgekeurd.
45
De vennootschappen van de Arco-groep komen ten tweede op tegen de conclusie van de Commissie dat de verklaringen van 10 oktober 2008 en 21 januari 2009 en het koninklijk besluit van 7 november 2011 één enkel overheidsoptreden vormen. Zij beklemtonen in dit verband dat zij in het persbericht van 10 oktober 2008 niet met naam worden genoemd.
46
Ten derde betwisten zij de conclusie van de Commissie dat zij voordeel haalden uit het feit dat hun particuliere vennoten vanaf 10 oktober 2008 de verzekering hadden dat hun aandelen door de Belgische Staat zouden worden beschermd. De Commissie heeft volgens hen geen bewijzen tot staving van deze conclusie aangevoerd. De betrokken maatregel heeft de vennootschappen van de Arco-groep geen betere toegang tot de kapitaalmarkt verleend. De verklaringen die de Belgische regering in 2008 en 2009 heeft afgelegd, hebben geen enkele impact gehad op hun concurrentiepositie. De Commissie mocht zich overigens niet baseren op het vermoeden dat sprake was van een voordeel, aangezien de door de Belgische Staat toegekende garantie noch onbeperkt noch kosteloos was.
47
De vennootschappen van de Arco-groep stellen ten vierde dat de in geding zijnde maatregel geenszins selectief is. De Commissie geeft volgens hen geen rechtvaardiging voor de vergelijking die zij maakt tussen de financiële coöperatieve vennootschappen enerzijds en de niet-financiële coöperatieve vennootschappen en andere financiële vennootschappen anderzijds. Zij heeft niet aangetoond dat ondernemingen die zich in een vergelijkbare feitelijke en juridische situatie bevinden, verschillend worden behandeld, en is haar motiveringsplicht niet nagekomen. Financiële coöperatieve vennootschappen bevinden zich in een specifieke situatie, met name gelet op hun aandeelhoudersstructuur (99 % van hun aandeelhouders zijn immers kleine spaarders), op het feit dat zij beschikken over een erkenning, waardoor van een speculatieve houding geen sprake kan zijn, op de beperkingen van de dividenden die kunnen worden ontvangen en op de fiscale behandeling van die dividenden, die vergelijkbaar is met de fiscale behandeling van inkomsten uit spaardeposito's. Een eventueel verschil in behandeling zou hoe dan ook worden verantwoord door de aard of de algemene opzet van de betrokken regeling. In dit verband verwijzen de vennootschappen van de Arco-groep naar het arrest van 8 september 2011, Paint Graphos e.a. (C-78/08–C-80/08, EU:C:2011:550).
48
Ten vijfde voeren deze vennootschappen aan dat het besluit van 3 juli 2014 niet correct is gemotiveerd. De Commissie heeft haar conclusie dat sprake is van een voordeel niet toereikend gemotiveerd.
49
Tot staving van hun tweede middel betwisten de vennootschappen van de Arco-groep de conclusie van de Commissie dat de betrokken maatregel de mededinging kan verstoren. De Commissie kon volgens hen niet op goede gronden aannemen dat het kapitaal van de erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, beschikbaar zou zijn geweest voor aanbieders van beleggingsproducten of voor erkende niet-financiële coöperatieve vennootschappen. Voorts stellen de vennootschappen van de Arco-groep dat de Commissie haar conclusie dat het handelsverkeer tussen de lidstaten kon worden bedreigd, niet heeft gestaafd.
50
Gelet op deze argumenten wenst de verwijzende rechter te vernemen of het besluit van 3 juli 2014 geldig is in het licht van de artikelen 107 en 296 VWEU.
51
De verwijzende rechter is in de derde plaats van oordeel dat, ingeval het Hof zou oordelen dat dit besluit ongeldig is omdat de Commissie niet naar behoren heeft gerechtvaardigd waarom zij de regeling van artikel 36/24, § 1, eerste lid, 3o, van de wet van 22 februari 1998 als nieuwe staatssteun heeft aangemerkt, nog steeds moet worden nagegaan of deze steunregeling eventueel op grond van een andere redenering zou kunnen worden aangemerkt als nieuwe staatssteun, die krachtens artikel 108, lid 3, VWEU bij de Commissie had moeten worden aangemeld.
52
In de vierde plaats is de verwijzende rechter van oordeel dat, ingeval het Hof zou oordelen dat het besluit van 3 juli 2014 geldig is, nog moet worden bepaald vanaf welke datum de betrokken staatssteun tot uitvoering is gebracht. In dit besluit is die datum immers niet gespecificeerd. In dit verband merkt de verwijzende rechter op dat uit dit besluit blijkt dat de betrokken garantieregeling bij brief van 7 november 2011 bij de Commissie is aangemeld en dat het koninklijk besluit van 3 maart 2011, op grond waarvan artikel 36/24, § 1, eerste lid, 3o, van de wet van 22 februari 1998 kracht van wet heeft verkregen, op 1 april 2011 in werking is getreden. Indien de betrokken staatssteun op het ogenblik van de vaststelling of de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 3 maart 2011 echter niet kon worden geacht tot uitvoering te zijn gebracht, kan worden betwijfeld of de Belgische Staat wel is tekortgeschoten in de verplichting die krachtens artikel 108, lid 3, VWEU op hem rust. Artikel 36/24, § 1, eerste lid, 3o, van de wet van 22 februari 1998 verleent de Koning immers louter een machtiging om de in geding zijnde garantieregeling in te stellen, en deze garantie is pas bij het koninklijk besluit van 7 november 2011 daadwerkelijk verleend op grond van het koninklijk besluit van 10 oktober 2011. Daarenboven is er twijfel of de Commissie in overweging 110 van het besluit van 3 juli 2014 mocht concluderen dat alle elementen om van staatssteun te kunnen spreken, ten laatste aanwezig waren toen het koninklijk besluit van 10 oktober 2011 werd aangenomen, maar dat het door de betrokken maatregel gecreëerde voordeel al bestond vanaf de aankondiging van 10 oktober 2008.
53
Tot slot blijkt volgens het Grondwettelijk Hof niet duidelijk uit het besluit van 3 juli 2014 of de Commissie van mening was dat de in geding zijnde staatssteun tot uitvoering is gebracht op de dag waarop het koninklijk besluit van 3 maart 2011 is aangenomen of in werking is getreden of vóór deze twee data, dan wel of zij meende dat deze steun pas ná deze twee data tot uitvoering is gebracht. In het eerstbedoelde geval moet worden bevestigd dat artikel 108, lid 3, VWEU zich tegen de vaststelling van dat koninklijk besluit verzette. In het tweede geval moet worden geverifieerd of artikel 108, lid 3, VWEU — dat verlangt dat de Commissie ‘tijdig’ op de hoogte wordt gebracht — zich tegen de aanneming van het koninklijk besluit van 3 maart 2011 verzette, met name gelet op het tijdsverloop tussen de inwerkingtreding van dit koninklijk besluit en de aanneming van de koninklijke besluiten ter uitvoering ervan.
54
In die omstandigheden heeft het Grondwettelijk Hof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Dienen de artikelen 2 en 3 van [richtlijn 94/19], in voorkomend geval in samenhang gelezen met de artikelen 20 en 21 van het [Handvest] en met het algemene gelijkheidsbeginsel, in die zin te worden geïnterpreteerd dat:
- a)
zij aan de lidstaten de verplichting opleggen om de aandelen van de erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, op dezelfde wijze te waarborgen als de deposito's?
- b)
zij zich ertegen verzetten dat een lidstaat aan de entiteit die gedeeltelijk belast is met de waarborg van de in die richtlijn beoogde deposito's de opdracht toevertrouwt om eveneens, ten belope van 100 000 euro, de waarde van de aandelen van de vennoten, natuurlijke personen, van een erkende coöperatieve vennootschap die actief is in de financiële sector, te waarborgen?
- 2)
Is het [besluit van 3 juli 2014] verenigbaar met de artikelen 107 en 296 [VWEU] in zoverre het de waarborgregeling die het voorwerp van dat besluit uitmaakt, kwalificeert als nieuwe staatssteun?
- 3)
In geval van een ontkennend antwoord op de tweede vraag, dient artikel 107 [VWEU] in die zin te worden geïnterpreteerd dat een regeling van staatswaarborg toegekend aan de vennoten, natuurlijke personen, van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, in de zin van artikel 36/24, § 1, eerste lid, 3o, van de wet van 22 februari 1998 […], nieuwe staatssteun vormt die bij de […] Commissie moet worden aangemeld?
- 4)
In geval van een bevestigend antwoord op de tweede vraag, is hetzelfde besluit van de […] Commissie verenigbaar met artikel 108, lid 3, [VWEU] indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat daarin wordt geoordeeld dat de in het geding zijnde staatssteun tot uitvoering is gebracht vóór 3 maart 2011 of 1 april 2011 of op een van beide data, of, omgekeerd, indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat daarin wordt geoordeeld dat de in het geding zijnde staatssteun op een latere datum tot uitvoering is gebracht?
- 5)
Dient artikel 108, lid 3, [VWEU] in die zin te worden geïnterpreteerd dat het een lidstaat verbiedt om een maatregel, zoals die welke is vervat in artikel 36/24, eerste lid, 3o, van de wet van 22 februari 1998 […], aan te nemen, indien die maatregel staatssteun tot uitvoering brengt of staatssteun vormt die reeds tot uitvoering is gebracht en die staatssteun nog niet is aangemeld bij de […] Commissie?
- 6)
Dient artikel 108, lid 3, [VWEU] in die zin te worden geïnterpreteerd dat het een lidstaat verbiedt om, zonder voorafgaande kennisgeving aan de […] Commissie, een maatregel, zoals die welke is vervat in artikel 36/24, eerste lid, 3o, van de wet van 22 februari 1998 […], aan te nemen, indien die maatregel staatssteun vormt die nog niet tot uitvoering is gebracht?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen
55
Sommige van de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde belanghebbenden die opmerkingen bij het Hof hebben ingediend, hebben twijfels geuit over de ontvankelijkheid van de door de verwijzende rechter gestelde vragen op grond dat zij geen verband houden met het voorwerp van het hoofdgeding. Dit geding valt volgens hen namelijk volledig onder het Belgische grondwettelijke recht, zodat het niets te maken heeft met richtlijn 94/19 en de artikelen 107 en 108 VWEU.
56
Dienaangaande moet in herinnering worden gebracht dat het volgens vaste rechtspraak van het Hof in het kader van de in artikel 267 VWEU geregelde samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, rekening houdend met de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt te beoordelen. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, is het Hof dus in beginsel verplicht daarop te antwoorden (arresten van 15 januari 2013, Križan e.a., C-416/10, EU:C:2013:8, punt 53, en 5 maart 2015, Banco Privado Português en Massa Insolvente do Banco Privado Português, C-667/13, EU:C:2015:151, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
57
Op vragen betreffende het Unierecht rust derhalve een vermoeden van relevantie. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een prejudicieel verzoek van een nationale rechterlijke instantie wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arresten van 15 januari 2013, Križan e.a., C-416/10, EU:C:2013:8, punt 54, en 30 mei 2013, Halaf, C-528/11, EU:C:2013:342, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
58
In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat het Grondwettelijk Hof zich moet uitspreken over de vraag of artikel 36/24, § 1, eerste lid, 3o, van de wet van 22 februari 1998 in strijd is met de in de artikelen 10 en 11 van de Belgische Grondwet verankerde beginselen van gelijkheid en non-discriminatie, omdat deze bepaling een verschil in behandeling creëert tussen enerzijds natuurlijke personen die aandelen bezitten van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector en anderzijds natuurlijke personen die aandelen bezitten van andere vennootschappen die in deze sector actief zijn.
59
Zoals de advocaat-generaal in de punten 30 en 31 van haar conclusie in wezen heeft opgemerkt, blijkt zowel uit de verwijzingsbeslissing als uit het antwoord van de verwijzende rechter op het verzoek om verduidelijkingen dat het Hof krachtens artikel 101 van zijn Reglement voor de procesvoering aan hem had gericht, dat hij van oordeel is dat hij eerst moet nagaan of artikel 36/24, § 1, eerste lid, 3o, van de wet van 22 februari 1998 strookt met het Unierecht en zich pas daarna kan uitspreken over de vraag of de door die bepaling toegestane garantieregeling voor deelnemingen van particuliere vennoten van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, verenigbaar is met de Belgische Grondwet. Indien zou blijken dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde garantieregeling geboden was door richtlijn 94/19, zou het gerechtvaardigd kunnen zijn om natuurlijke personen die aandelen bezitten van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, anders te behandelen dan natuurlijke personen die aandelen bezitten van andere vennootschappen die actief zijn in deze sector. Indien daarentegen zou blijken dat het Unierecht zich tegen een dergelijke garantieregeling verzet op grond dat zij niet verenigbaar is met richtlijn 94/19 of met de artikelen 107 en 108 VWEU, zou dit verschil in behandeling niet kunnen worden gerechtvaardigd.
60
In deze omstandigheden blijkt niet duidelijk dat de door de verwijzende rechter gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding.
61
Bijgevolg dienen de door de verwijzende rechter gestelde vragen ontvankelijk te worden verklaard.
Eerste vraag
62
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 2 en 3 van richtlijn 94/19, in voorkomend geval gelezen in samenhang met de artikelen 20 en 21 van het Handvest en het algemene beginsel van gelijke behandeling, aldus moeten worden uitgelegd dat zij de lidstaten ertoe verplichten een regeling als die van het hoofdgeding aan te nemen, op grond waarvan de aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector worden gewaarborgd, en — zo niet — of zij zich ertegen verzetten dat een lidstaat een dergelijke regeling aanneemt.
63
Krachtens artikel 3, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 94/19 moet iedere lidstaat erop toezien dat op zijn grondgebied een of meer depositogarantiestelsels worden ingevoerd en officieel worden erkend.
64
Om de draagwijdte te kunnen beoordelen van de verplichting die deze bepaling aan de lidstaten oplegt en meer bepaald te kunnen uitmaken of zij ook de plicht omvat om een garantieregeling in te stellen voor aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, moet worden onderzocht of dergelijke aandelen binnen de materiële en personele werkingssfeer van richtlijn 94/19 vallen.
65
Wat in de eerste plaats de materiële werkingssfeer van richtlijn 94/19 betreft, blijkt reeds uit de titel van deze richtlijn dat zij betrekking heeft op depositogarantiestelsels. Krachtens artikel 1, punt 1, eerste alinea, van deze richtlijn wordt in deze richtlijn onder ‘deposito’ een creditsaldo verstaan dat wordt gevormd door op een rekening staande gelden of dat tijdelijk uit normale banktransacties voortvloeit, en dat de kredietinstelling onder de toepasselijke wettelijke en contractuele voorwaarden dient terug te betalen, alsmede schulden belichaamd in door deze kredietinstelling uitgegeven schuldbewijzen.
66
Uit de stukken waarover het Hof beschikt, blijkt dat aandelen zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, niet onder die definitie vallen. Zoals de advocaat-generaal in punt 40 van haar conclusie heeft opgemerkt, blijkt immers dat het bij dergelijke aandelen in wezen om een deelneming in het eigen vermogen van een vennootschap gaat, en dat de in richtlijn 94/19 bedoelde deposito's daarvan verschillen in die zin dat zij deel uitmaken van het vreemd vermogen van een kredietinstelling.
67
Voorts moeten deposito's op grond van de definitie ervan in artikel 1, punt 1, eerste alinea, van richtlijn 94/19 aan hun houders worden terugbetaald onder de toepasselijke wettelijke en contractuele voorwaarden, terwijl het bedrag dat de aandeelhouders van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector ontvangen wanneer zij uit de betrokken vennootschappen uittreden, de evolutie van het rendement van deze vennootschappen weerspiegelt. De verwerving van aandelen in financiële coöperaties valt dus eerder te vergelijken met de aankoop van vennootschapsaandelen, waarvoor richtlijn 94/19 niet in een waarborg voorziet, dan met het plaatsen van gelden op een bankrekening.
68
Anders dan de Belgische regering lijkt aan te nemen, kunnen aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, bovendien niet worden gelijkgesteld met aandelen van Britse of Ierse building societies, die overeenkomstig artikel 1, punt 1, tweede alinea, van richtlijn 94/19 worden aangemerkt als deposito's.
69
Die bijzondere uitbreiding van het begrip ‘deposito’ ziet volgens de bewoordingen ervan immers uitsluitend op aandelen van Britse of Ierse building societies, en niet op aandelen van erkende Belgische coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector. Niets in de tekst of de ontstaansgeschiedenis van artikel 1, punt 1, tweede alinea, van richtlijn 94/19 wijst erop dat deze bepaling ook zou moeten worden toegepast op andere dan de daarin uitdrukkelijk vermelde instrumenten. Voorts sluit deze bepaling uitdrukkelijk uit dat aandelen van building societies met een vermogenskarakter onder deze uitbreiding zouden vallen. Aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, vormen — zoals uit punt 66 hierboven blijkt — een deelneming in het eigen vermogen van een vennootschap.
70
Wat in de tweede plaats de personele werkingssfeer van richtlijn 94/19 betreft, moet worden opgemerkt dat de twee in artikel 1, punt 1, eerste alinea, van deze richtlijn bedoelde types van deposito's met elkaar gemeen hebben dat zij zijn verricht bij een kredietinstelling. Aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector kunnen dus hoe dan ook maar als ‘deposito's’ in de zin van richtlijn 94/19 worden aangemerkt indien deze vennootschappen kunnen worden aangemerkt als ‘kredietinstellingen’ in de zin van deze richtlijn.
71
Het begrip ‘kredietinstelling’ in artikel 1, punt 4, van richtlijn 94/19 wordt gedefinieerd als een onderneming waarvan de werkzaamheden bestaan in het van het publiek in ontvangst nemen van deposito's of van andere terugbetaalbare gelden en het verlenen van kredieten voor eigen rekening. Noch uit de verwijzingsbeslissing noch uit de bij het Hof ingediende opmerkingen blijkt dat de activiteit van bovengenoemde vennootschappen bestaat in het verlenen van kredieten voor eigen rekening. Nergens blijkt uit dat dergelijke vennootschappen deposito's in ontvangst nemen van het publiek of, net als banken, regelmatig kredieten verlenen voor eigen rekening.
72
Hieruit volgt dat aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, noch binnen de materiële noch binnen de personele werkingssfeer van richtlijn 94/19 vallen. Bijgevolg kan niet worden aangenomen dat artikel 3, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 94/19 de lidstaten ertoe verplicht om voor aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, een garantieregeling in te stellen als die welke in het hoofdgeding aan de orde is.
73
Aan die conclusie kan niet worden afgedaan door overwegingen in verband met het algemene beginsel van gelijke behandeling, dat door de verwijzende rechter eveneens in de eerste prejudiciële vraag wordt aangehaald.
74
In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat het beginsel van gelijke behandeling een algemeen beginsel van Unierecht is dat in de artikelen 20 en 21 van het Handvest is verankerd en dat vereist dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij dit objectief gerechtvaardigd is (zie met name arrest van 14 september 2010, Akzo Nobel Chemicals en Akcros Chemicals/Commissie e.a., C-550/07 P, EU:C:2010:512, punten 54 en 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
75
Zoals uit de punten 65 tot en met 72 van het onderhavige arrest volgt en zoals de advocaat-generaal in punt 49 van haar conclusie heeft opgemerkt, onderscheiden aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, zich — vanuit het oogpunt van het voorwerp van de door het Unierecht voorgeschreven depositogarantie — van deposito's die worden aangehouden bij kredietinstellingen, ook al lijken zij wellicht in meerdere opzichten — met name wat de wijze betreft waarop zij worden belast en door de Belgische Staat worden gereglementeerd en wat hun populariteit bij het publiek betreft — op klassieke spaarproducten.
76
Derhalve moet worden onderzocht of richtlijn 94/19 zich ertegen verzet dat een lidstaat een garantieregeling instelt voor aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn.
77
In dit verband dient te worden opgemerkt dat krachtens artikel 2, tweede streepje, van richtlijn 94/19 alle instrumenten die vallen onder de definitie van ‘eigen vermogen’ in artikel 2 van richtlijn 89/299, zijn uitgesloten van terugbetaling door een garantiestelsel.
78
Artikel 2 van richtlijn 89/299 ziet enkel op het niet-geconsolideerde eigen vermogen van ‘kredietinstellingen’. Die term wordt overeenkomstig artikel 1, lid 2, van deze richtlijn — dat verwijst naar artikel 1 van richtlijn 77/780, zoals gewijzigd door richtlijn 86/524 — gedefinieerd als ondernemingen waarvan de werkzaamheden bestaan in het van het publiek in ontvangst nemen van deposito's of van andere terugbetaalbare gelden en het verlenen van kredieten voor eigen rekening. Die definitie stemt overigens overeen met de definitie in artikel 1, punt 4, van richtlijn 94/19.
79
Zoals uit punt 71 van het onderhavige arrest blijkt, vallen erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, evenwel niet onder deze definitie van kredietinstellingen.
80
In dit verband moet worden opgemerkt dat ook artikel 57 van richtlijn 2006/48, die richtlijn 89/299 heeft vervangen, ziet op het niet-geconsolideerde eigen vermogen van ‘kredietinstellingen’, die in artikel 4, punt 1, van eerstgenoemde richtlijn eveneens op dezelfde manier worden gedefinieerd als in richtlijn 94/19.
81
Het is dus op zich niet onverenigbaar met artikel 2, tweede streepje, van richtlijn 94/19 dat een depositogarantiestelsel als dat waarin het Belgische recht voorziet, wordt uitgebreid tot aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn.
82
Deze uitlegging vindt steun in het feit dat richtlijn 94/19, zoals uit de achtste, de zestiende en de zeventiende overweging ervan blijkt, slechts een minimale harmonisatie op het gebied van depositogaranties tot stand brengt.
83
Richtlijn 94/19 belet de lidstaten dus niet om het depositogarantiestelsel waarin hun nationale recht overeenkomstig deze richtlijn voorziet, uit te breiden tot de aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, maar een dergelijke uitbreiding mag de nuttige werking van het krachtens die richtlijn in te stellen depositogarantiestelsel niet ondergraven (zie in die zin arrest van 23 november 2006, Lidl Italia, C-315/05, EU:C:2006:736, punt 48) en mag evenmin in strijd zijn met de voorschriften van het VWEU en met name de artikelen 107 en 108 VWEU.
84
Zoals de advocaat-generaal in punt 58 van haar conclusie in wezen heeft opgemerkt, valt niet uit te sluiten dat aan de nuttige werking van de door het Unierecht opgelegde depositogarantie wordt afgedaan indien een lidstaat zijn nationaal depositogarantiestelsel op grote schaal risico's zou laten dragen die niet rechtstreeks in verband staan met het doel van dit stelsel. Hoe groter de te verzekeren risico's zijn, des te meer de depositogarantie verwaterd raakt en des te minder het depositogarantiestelsel, bij onveranderd gebleven middelen, kan bijdragen tot de verwezenlijking van het dubbele doel van richtlijn 94/19, dat blijkens de eerste overweging ervan erin bestaat de spaarders een garantie te bieden in geval van onbeschikbaarheid van de deposito's die zij bij kredietinstellingen aanhouden en de stabiliteit van het bankwezen te versterken (zie in die zin arrest van 2 september 2015, Surmačs, C-127/14, EU:C:2015:522, punt 21).
85
Het staat derhalve aan de verwijzende rechter om na te gaan of de goedkeuring van een garantieregeling voor aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, de nuttige werking kan ondergraven van het depositogarantiestelsel waarin het Belgische recht overeenkomstig richtlijn 94/19 voorziet.
86
In dat verband moet de verwijzende rechter met name rekening houden met het feit dat in casu een groot aantal kleine beleggers binnen de werkingssfeer van het Belgische depositogarantiestelsel wordt gebracht door de instelling van een regeling voor de aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, alsook met het feit dat de vennootschappen van de Arco-groep maar kort voordat aanspraak werd gemaakt op de garantie in dat stelsel zijn opgenomen en in het verleden niet hebben bijgedragen aan de financiering ervan.
87
Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat de artikelen 2 en 3 van richtlijn 94/19 aldus moeten worden uitgelegd dat zij de lidstaten er niet toe verplichten een regeling als die van het hoofgeding aan te nemen, op grond waarvan de aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector worden gewaarborgd, en er zich evenmin tegen verzetten dat een lidstaat een dergelijke regeling aanneemt, voor zover deze niet afdoet aan de nuttige werking van het depositogarantiestelsel dat de lidstaten krachtens deze richtlijn moeten instellen en voor zover zij strookt met het VWEU en met name de artikelen 107 en 108 VWEU. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of aan eerstgenoemde voorwaarde is voldaan.
Tweede vraag
88
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het besluit van 3 juli 2014 in strijd is met artikel 107 VWEU en artikel 296 VWEU, doordat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde garantieregeling voor aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, bij dat besluit als nieuwe staatssteun wordt aangemerkt.
89
Wat in de eerste plaats artikel 107 VWEU betreft, moet in herinnering worden gebracht dat een maatregel volgens vaste rechtspraak slechts staatssteun in de zin van die bepaling uitmaakt indien aan alle hiernavolgende voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet het gaan om een maatregel van de staat of een maatregel die met staatsmiddelen is bekostigd. Ten tweede moet hij het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden. Ten derde moet de maatregel de begunstigde ervan een voordeel verschaffen. Ten vierde moet hij de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen (zie met name arresten van 10 juni 2010, Fallimento Traghetti del Mediterraneo, C-140/09, EU:C:2010:335, punt 31, en 29 maart 2012, 3M Italia, C-417/10, EU:C:2012:184, punt 37).
90
In casu bestaat als zodanig geen betwisting over het feit dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde garantieregeling voor aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, toerekenbaar is aan de staat en een inzet van staatsmiddelen impliceert, maar volgens de vennootschappen van de Arco-groep en de Belgische regering is niet voldaan aan de drie andere voorwaarden die moeten zijn vervuld om deze garantieregeling als ‘staatssteun’ aan te merken. Zij betwisten namelijk dat deze regeling een selectief voordeel verschaft aan de vennootschappen van de Arco-groep, dat zij het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt en dat zij de mededinging vervalst. Om te kunnen uitmaken of de Commissie deze regeling in haar besluit van 3 juli 2014 op goede gronden als ‘staatssteun’ kon aanmerken, moet derhalve worden onderzocht of deze drie voorwaarden zijn vervuld.
91
Wat de voorwaarde betreft dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde garantieregeling voor aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector een voordeel heeft verstrekt aan de vennootschappen van de Arco-groep, dient ten eerste te worden geconstateerd dat de Commissie in de overwegingen 82 tot en met 84 van het besluit van 3 juli 2014 heeft aangenomen dat Arco de enige echte begunstigde van deze regeling was.
92
Volgens de vennootschappen van de Arco-groep komt deze regeling echter niet hun ten goede, maar strekt zij ertoe een voordeel toe te kennen aan de particuliere vennoten van de erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, alsook aan de bank Dexia. De Arco-groep was een van de hoofdaandeelhouders van die bank en de in het hoofdgeding aan de orde zijnde garantieregeling voor aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector werd geacht bij te dragen tot de redding van die bank.
93
In dit verband moet in herinnering worden geroepen dat alle overheidsmaatregelen die, in welke vorm ook, ondernemingen rechtstreeks of indirect kunnen bevoordelen of die moeten worden beschouwd als een economisch voordeel dat de begunstigde onderneming onder normale marktvoorwaarden niet zou hebben verkregen, als steun worden beschouwd (zie met name arresten van 8 mei 2013, Libert e.a., C-197/11 en C-203/11, EU:C:2013:288, punt 83, en 3 april 2014, Frankrijk/Commissie, C-559/12 P, EU:C:2014:217, punt 94 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
94
Zoals de advocaat-generaal in de punten 74 tot en met 76 van haar conclusie heeft opgemerkt, lijdt het geen twijfel dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde garantieregeling voor aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, een voordeel heeft opgeleverd aan de Arco-groep. De vennootschappen van deze groep hebben — anders dan de andere erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector — overigens zelf een aanvraag ingediend om onder deze regeling te vallen, die vervolgens ook is aanvaard. Door deze garantieregeling werd de Arco-groep beschermd tegen een dreigende uittocht van de particuliere beleggers uit de vennootschappen van deze groep, en werd het haar tegelijk mogelijk gemaakt om als hoofdaandeelhouder van de bank Dexia mee te werken aan de herkapitalisatie van deze bank.
95
Het feit dat andere belanghebbenden, te weten de particuliere aandeelhouders van de vennootschappen van de Arco-groep alsook de bank Dexia, ingevolge deze regeling eveneens bepaalde voordelen hebben kunnen genieten, sluit niet uit dat deze groep als begunstigde ervan moet worden beschouwd.
96
Ten tweede zij eraan herinnerd dat artikel 107, lid 1, VWEU steunmaatregelen verbiedt die ‘bepaalde ondernemingen of bepaalde producties’ begunstigen, dat wil zeggen selectieve steun (arresten van 28 juli 2011, Mediaset/Commissie, C-403/10 P, niet gepubliceerd, EU:C:2011:533, punt 36, en 14 januari 2015, Eventech, C-518/13, EU:C:2015:9, punt 54).
97
In casu heeft de Commissie in overweging 101 van het besluit van 3 juli 2014 aangenomen dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde garantieregeling voor aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector ‘duidelijk selectief’ is, maar volgens de vennootschappen van de Arco-groep is deze regeling niet selectief.
98
Dienaangaande volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat op grond van artikel 107, lid 1, VWEU moet worden bepaald of een nationale maatregel in het kader van een bepaalde rechtsregeling ‘bepaalde ondernemingen of bepaalde producties’ begunstigt ten opzichte van andere die zich, gelet op de doelstelling van de betrokken regeling, in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden (arresten van 28 juli 2011, Mediaset/Commissie, C-403/10 P, niet gepubliceerd, EU:C:2011:533, punt 36, en 14 januari 2015, Eventech, C-518/13, EU:C:2015:9, punt 55, alsook arresten van heden, Commissie/Hansestadt Lübeck, C-524/14 P, punt 41, en Commissie/World Duty Free Group e.a., C-20/15 P en C-21/15 P, punt 54).
99
Zoals uit de punten 65 tot en met 83 van het onderhavige arrest volgt, heeft het Koninkrijk België de in het Belgische recht geldende depositogarantieregeling uitgebreid tot de aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn. Doordat deze vennootschappen in aanmerking komen voor deze regeling, genieten zij een economisch voordeel ten opzichte van andere marktdeelnemers die het publiek de mogelijkheid bieden om door de aankoop van aandelen een participatie te verwerven, zonder onder een dergelijke garantieregeling te vallen.
100
Zoals de advocaat-generaal in punt 81 van haar conclusie in wezen heeft opgemerkt, bevinden erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, zoals de vennootschappen van de Arco-groep, zich — gelet op de doelstelling van het depositogarantiestelsel, die er blijkens de eerste overweging van richtlijn 94/19 in bestaat de spaarders een garantie te bieden in geval van onbeschikbaarheid van de deposito's die zij bij kredietinstellingen aanhouden, en de stabiliteit van het bankwezen te versterken — in een feitelijke en juridische situatie die, ondanks bepaalde bijzonderheden die uit de rechtsvorm van deze vennootschappen voortvloeien, vergelijkbaar is met die van andere marktdeelnemers (al dan niet coöperatieve vennootschappen) die het publiek de mogelijkheid bieden om door de aankoop van aandelen een participatie te verwerven en dit publiek daarmee een soort kapitaalbelegging ter beschikking stellen waarvoor in beginsel geen depositogarantie geldt.
101
De uitbreiding van de in het Belgische recht geldende garantieregeling tot aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector heeft dus tot gevolg dat aan deze vennootschappen een economisch voordeel wordt verleend ten opzichte van andere marktdeelnemers die zich — gelet op de doelstelling van deze regeling — in een feitelijke en juridische situatie bevinden die vergelijkbaar is met die van deze coöperatieve vennootschappen. Derhalve is deze maatregel selectief van aard.
102
Wat de voorwaarde betreft dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde garantieregeling voor aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, gevolgen kan hebben voor het handelsverkeer tussen de lidstaten, en de voorwaarde dat deze regeling de mededinging kan verstoren, dient in herinnering te worden geroepen dat voor de kwalificatie van een nationale maatregel als staatssteun niet hoeft te worden vastgesteld dat de betrokken steun de handel tussen de lidstaten werkelijk heeft beïnvloed en de mededinging daadwerkelijk heeft verstoord, maar enkel dient te worden onderzocht of die steun dat handelsverkeer ongunstig kan beïnvloeden en de mededinging kan verstoren (arresten van 29 april 2004, Italië/Commissie, C-372/97, EU:C:2004:234, punt 44; 15 december 2005, Unicredito Italiano, C-148/04, EU:C:2005:774, punt 54, en 19 maart 2015, OTP Bank, C-672/13, EU:C:2015:185, punt 54).
103
In casu blijkt dat de Commissie in overweging 108 van het besluit van 3 juli 2014 mocht aannemen dat de Arco-groep, dankzij de in het hoofdgeding aan de orde zijnde garantieregeling, haar marktaandeel langer kon behouden en niet te maken kreeg met een uitstroom van kapitaal — of pas later en in mindere mate dan zonder deze regeling het geval was geweest — en dat daardoor kapitaal dat anders beschikbaar was geweest om te investeren, niet beschikbaar kwam voor andere spelers, die op hun merites moesten concurreren en geen beroep konden doen op deze garantieregeling.
104
Voorts moet het handelsverkeer tussen de lidstaten worden geacht door een steunmaatregel van een lidstaat te worden beïnvloed, wanneer die maatregel de positie van een onderneming ten opzichte van andere concurrerende ondernemingen in dat handelsverkeer versterkt (zie met name arresten van 10 januari 2006, Cassa di Risparmio di Firenze e.a., C-222/04, EU:C:2006:8, punt 141, en 8 mei 2013, Libert e.a., C-197/11 en C-203/11, EU:C:2013:288, punt 77). In dit verband is het niet noodzakelijk dat de begunstigde onderneming zelf aan het handelsverkeer tussen de lidstaten deelneemt. Wanneer een lidstaat steun toekent aan een onderneming, kan de binnenlandse activiteit immers in stand blijven of stijgen, waardoor de kansen van in andere lidstaten gevestigde ondernemingen om in die lidstaat op de markt te komen, slinken (arrest van 8 mei 2013, Libert e.a., C-197/11 en C-203/11, EU:C:2013:288, punt 78 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
105
Het Hof heeft ook reeds geoordeeld dat het feit dat een economische sector als die van de financiële diensten sterk is geliberaliseerd op het niveau van de Unie, waardoor de mededinging die reeds het gevolg kan zijn van het in het Verdrag verankerde vrije kapitaalverkeer nog is versterkt, een werkelijke of potentiële weerslag van de steun op het handelsverkeer tussen de lidstaten nog duidelijker kan doen uitkomen (zie in die zin arresten van 10 januari 2006, Cassa di Risparmio di Firenze e.a., C-222/04, EU:C:2006:8, punten 142 en 145, en 5 maart 2015, Banco Privado Português en Massa Insolvente do Banco Privado Português, C-667/13, EU:C:2015:151, punt 51).
106
De door de Belgische regering en de vennootschappen van de Arco-groep aangevoerde omstandigheid dat de waarde van de deelneming van de particuliere vennoten in de coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector doorgaans van geringe omvang is, sluit niet uit dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde garantieregeling de mededinging verstoort en het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.
107
Bij de beoordeling van de impact van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde garantieregeling op de mededinging en op het handelsverkeer tussen de lidstaten moet immers worden gekeken naar het geheel van de onder deze regeling vallende aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector en niet naar het beschermde kapitaal van een afzonderlijke particuliere vennoot. Hoe dan ook sluit de omstandigheid dat het steunbedrag betrekkelijk gering is of de begunstigde onderneming vrij klein, volgens de rechtspraak van het Hof niet a priori de mogelijkheid uit dat het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig wordt beïnvloed (arresten van 24 juli 2003, Altmark Trans en Regierungspräsidium Magdeburg, C-280/00, EU:C:2003:415, punt 81, en 14 januari 2015, Eventech, C-518/13, EU:C:2015:9, punt 68).
108
Hieruit volgt dat de Commissie op goede gronden mocht aannemen dat in casu was voldaan aan de voorwaarden dat de mededinging is verstoord en dat het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig is beïnvloed.
109
Wat in de tweede plaats artikel 296 VWEU betreft, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de Commissie in haar besluit van 3 juli 2014 afdoende heeft gemotiveerd waarom zij de in het hoofdgeding aan de orde zijnde garantieregeling heeft aangemerkt als ‘staatssteun’ in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU.
110
Zoals blijkt uit de vaste rechtspraak van het Hof, moet de door artikel 296 VWEU vereiste motivering beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft vastgesteld, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen (arresten van 15 april 2008, Nuova Agricast, C-390/06, EU:C:2008:224, punt 79, en 5 maart 2015, Banco Privado Português en Massa Insolvente do Banco Privado Português, C-667/13, EU:C:2015:151, punt 44).
111
Aangezien een maatregel slechts als ‘staatssteun’ in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU kan worden aangemerkt indien is voldaan aan elk van de in die bepaling gestelde voorwaarden, moet de Commissie in een besluit waarin zij concludeert dat staatssteun is verleend, uiteenzetten waarom zij van mening is dat de betrokken overheidsmaatregel aan al deze voorwaarden voldoet (arrest van 5 maart 2015, Banco Privado Português en Massa Insolvente do Banco Privado Português, C-667/13, EU:C:2015:151, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
112
In casu voldoet het besluit van 3 juli 2014 aan die eisen.
113
Het is immers rechtens genoegzaam gemotiveerd, daar de Commissie in de overwegingen 91 tot en met 110 ervan duidelijk en ondubbelzinnig heeft uiteengezet waarom zij van mening was dat elk van de in artikel 107, lid 1, VWEU bedoelde voorwaarden in casu was vervuld.
114
In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat niet alle relevante feitelijke of juridische gegevens in de motivering hoeven te worden gespecificeerd, aangezien bij de beantwoording van de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 296 VWEU voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie in die zin arresten van 24 november 2005, Italië/Commissie, C-138/03, C-324/03 en C-431/03, EU:C:2005:714, punt 55, en 19 maart 2015, Dole Food en Dole Fresh Fruit Europe/Commissie, C-286/13 P, EU:C:2015:184, punt 94).
115
Zoals de Commissie heeft opgemerkt, komen de vennootschappen van de Arco-groep met bepaalde — in de verwijzingsbeslissing uiteengezette — argumenten die zij tot staving van hun betoog inzake schending van de motiveringsplicht hebben aangevoerd, overigens eerder op tegen de gegrondheid van het besluit van 3 juli 2014 dan tegen de motivering ervan. Dit is onder meer het geval voor het argument dat deze vennootschappen hebben aangevoerd tegen de rechtspraak die de Commissie heeft aangehaald ter onderbouwing van haar vaststelling dat sprake is van een voordeel, alsook voor hun argumenten in verband met de voorwaarde dat de mededinging is verstoord en de voorwaarde dat het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig is beïnvloed.
116
Het Hof heeft geoordeeld dat de motiveringsplicht van artikel 296, tweede alinea, VWEU een wezenlijk vormvoorschrift is dat moet worden onderscheiden van de vraag naar de gegrondheid van de motivering, die de inhoudelijke rechtmatigheid van de litigieuze handeling betreft (zie arrest van 17 september 2015, Total/Commissie, C-597/13 P, EU:C:2015:613, punt 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
117
Derhalve is bij het onderzoek van de tweede vraag niet gebleken van feiten of omstandigheden die afdoen aan de geldigheid van het besluit van 3 juli 2014.
Derde vraag
118
Gelet op het antwoord op de tweede vraag behoeft de derde vraag niet te worden beantwoord.
Vierde tot en met zesde vraag
119
Met zijn vierde tot en met zesde vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 108, lid 3, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de tenuitvoerlegging van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde garantieregeling en voorts of het besluit van 3 juli 2014 in strijd is met die bepaling, voor zover het gaat om de datum waarop volgens de Commissie de door haar vastgestelde staatssteun ten uitvoer is gelegd.
120
Opgemerkt zij dat de lidstaten krachtens artikel 108, lid 3, eerste volzin, VWEU verplicht zijn om elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen aan te melden. Overeenkomstig artikel 108, lid 3, laatste volzin, VWEU kan de lidstaat die voornemens is steun te verlenen, de voorgenomen maatregelen niet tot uitvoering brengen voordat die procedure tot een eindbeslissing van de Commissie heeft geleid. Het in die bepaling neergelegde verbod beoogt te waarborgen dat een steunmaatregel geen gevolgen sorteert voordat de Commissie een redelijke tijd heeft gehad om het plan nauwkeurig te onderzoeken en, in voorkomend geval, de procedure van artikel 108, lid 2, VWEU in te leiden (arrest van 5 maart 2015, Banco Privado Português en Massa Insolvente do Banco Privado Português, C-667/13, EU:C:2015:151, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
121
Bij artikel 108, lid 3, VWEU is dus een preventieve controle op voorgenomen nieuwe steunmaatregelen ingesteld (zie arresten van 11 december 1973, Lorenz, 120/73, EU:C:1973:152, punt 2; 21 november 2013, Deutsche Lufthansa, C-284/12, EU:C:2013:755, punt 25, en 5 maart 2015, Banco Privado Português en Massa Insolvente do Banco Privado Português, C-667/13, EU:C:2015:151, punt 58).
122
Volgens vaste rechtspraak van het Hof is een steunmaatregel onrechtmatig indien hij tot uitvoering wordt gebracht zonder dat de uit artikel 108, lid 3, VWEU voortvloeiende verplichtingen zijn nagekomen (arrest van 5 maart 2015, Banco Privado Português en Massa Insolvente do Banco Privado Português, C-667/13, EU:C:2015:151, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
123
In casu volgt uit overweging 1 van het besluit van 3 juli 2014 dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde garantieregeling pas op 7 november 2011 bij de Commissie is aangemeld, met andere woorden op de dag waarop het verzoek om het kapitaal van de vennootschappen van de Arco-groep door deze garantieregeling te laten beschermen, is aanvaard bij koninklijk besluit van diezelfde dag.
124
Een zo late aanmelding kan niet worden aangemerkt als ‘tijdig’ in de zin van artikel 108, lid 3, VWEU.
125
Het is juist dat op basis van overweging 110 van het besluit van 3 juli 2014 — waarin is aangegeven dat de elementen om van staatssteun te kunnen spreken ten laatste aanwezig waren toen het koninklijk besluit van 10 oktober 2011 werd aangenomen, maar dat het voordeel dat werd gecreëerd door de in het hoofdgeding aan de orde zijnde garantieregeling al bestond vanaf het ogenblik dat de Belgische regering op 10 oktober 2008 aankondigde dat deze maatregel in het leven zou worden geroepen — niet ondubbelzinnig kan worden bepaald op welk ogenblik de in het hoofdgeding aan de orde zijnde garantieregeling volgens de Commissie tot uitvoering is gebracht.
126
Evenwel moet — zonder dat hoeft te worden bepaald of de bij het besluit van 3 juli 2014 vastgestelde staatssteun reeds ten uitvoer is gelegd op 10 oktober 2008, te weten de dag waarop hij voor het eerst is aangekondigd bij een persbericht van de Belgische regering, of pas bij het koninklijk besluit van 7 november 2011, dan wel op een van de door de verwijzende rechter aangegeven data tussen die twee data — worden geconstateerd dat de begunstigden van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde garantieregeling ten laatste bij het koninklijk besluit van 7 november 2011 het recht hebben verworven om tot deze regeling toe te treden, zodat de aanmelding van deze regeling (die eveneens op 7 november 2011 is gebeurd) hoe dan ook pas heeft plaatsgevonden toen het al niet meer ging om een louter ‘voornemen’ tot invoering in de zin van artikel 108, lid 3, VWEU. Zoals de advocaat-generaal in punt 118 van haar conclusie heeft opgemerkt, is het beginsel van voorafgaande toetsing door de Commissie dus niet in acht genomen.
127
Bijgevolg kon de Commissie in overweging 143 van het besluit van 3 juli 2014 hoe dan ook op goede gronden concluderen dat ‘[het Koninkrijk] België [de in het hoofdgeding aan de orde zijnde garantieregeling] in strijd met artikel 108, lid 3, [VWEU] onrechtmatig ten uitvoer heeft gelegd’.
128
Gelet op een en ander moet op de vierde tot en met de zesde vraag worden geantwoord dat artikel 108, lid 3, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een garantieregeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, voor zover deze tot uitvoering is gebracht zonder dat de uit die bepaling voortvloeiende verplichtingen zijn nagekomen.
129
Bij het onderzoek van deze vragen is niet gebleken van feiten of omstandigheden die afdoen aan de geldigheid van het besluit van 3 juli 2014.
Kosten
130
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:
- 1)
De artikelen 2 en 3 van richtlijn 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels, zoals gewijzigd bij richtlijn 2005/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2005, moeten aldus worden uitgelegd dat zij de lidstaten er niet toe verplichten een regeling als die van het hoofgeding aan te nemen, op grond waarvan de aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector worden gewaarborgd, en er zich evenmin tegen verzetten dat een lidstaat een dergelijke regeling aanneemt, voor zover deze niet afdoet aan de nuttige werking van het depositogarantiestelsel dat de lidstaten krachtens deze richtlijn moeten instellen en voor zover zij strookt met het VWEU en met name de artikelen 107 en 108 VWEU. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of aan eerstgenoemde voorwaarde is voldaan.
- 2)
Bij het onderzoek van de door het Grondwettelijk Hof (België) gestelde prejudiciële vragen is niet gebleken van feiten of omstandigheden die afdoen aan de geldigheid van besluit 2014/686/EU van de Commissie van 3 juli 2014 betreffende steunmaatregel SA.33927 (12/C) (ex 11/NN) door België ten uitvoer gelegd — Garantieregeling ter bescherming van de aandelen van individuele leden van financiële coöperaties.
- 3)
Artikel 108, lid 3, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een garantieregeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, voor zover deze tot uitvoering is gebracht zonder dat de uit die bepaling voortvloeiende verplichtingen zijn nagekomen.
Ilešič
Prechal
Rosas
Toader
Jarašiūnas
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 21 december 2016.
De griffier
A. Calot Escobar
De president van de Tweede kamer
M. Ilešič
Conclusie 02‑06‑2016
J. Kokott
Partij(en)
Zaak C-76/151.
Paul Vervloet e.a.
[verzoek van het Grondwettelijk Hof (België) om een prejudiciële beslissing]
I — Inleiding
1.
De bestrijding van de in 2008 uitgebroken wereldwijde economische en financiële crisis heeft in de Europese Unie tot allerlei problemen geleid en telkens weer wordt het Hof van Justitie gevraagd zich over deze problemen te buigen. In de laatste jaren waren twee zaken met een constitutionele dimensie, waarin het Hof verzocht werd om de rechtmatigheid te beoordelen van een aantal maatregelen die op Europees niveau waren getroffen ter versterking van de economische en monetaire unie, beslist van zeer groot belang.2. Minder spectaculair, maar economisch, sociaal en politiek niettemin van groot belang zijn bepaalde maatregelen die de lidstaten met het oog op de stabilisering van hun nationale financiële sector en de bescherming van de spaargelden van de burgers van de Unie hebben genomen. Precies over een dergelijke maatregel gaat het onderhavige prejudiciële verzoek.
2.
In het kader van de herkapitalisatie van de Belgisch-Franse bank Dexia, die in zware moeilijkheden was geraakt, heeft de Belgische Staat een garantie verleend ten gunste van de talrijke natuurlijke personen3. die destijds aandeelhouder waren van drie financiële coöperaties van de Arco-groep4. (hierna ook: ‘financiële coöperaties van de Arco-groep’, ‘Arco-coöperaties’ of eenvoudigweg ‘Arco’). Arco was destijds een van de hoofdaandeelhouders van Dexia.
3.
De voormelde garantie voor door particulieren aangehouden aandelen van de Arco-coöperaties (hierna ook: ‘Arco-garantie’) is in tweeërlei opzicht op juridische weerstand gestuit.
4.
Ten eerste heeft de Europese Commissie zich over de Arco-garantie gebogen. Zij heeft de daaraan ten grondslag liggende regeling in het jaar 2014 bij besluit 2014/686/EU5. aangemerkt als met de interne markt onverenigbare staatssteun. De Commissie heeft het Koninkrijk België gelast de daaraan verbonden voordelen terug te vorderen en heeft deze lidstaat verboden om op basis van de Arco-garantie betalingen te verrichten. Twee beroepen tot nietigverklaring van dit besluit zijn thans aanhangig bij het Gerecht van de Europese Unie.6.
5.
Ten tweede hebben in België heel wat individuele en institutionele aandeelhouders die niet hadden belegd in aandelen van de Arco-coöperaties, maar — rechtstreeks of via holdings — in aandelen van Dexia of andere kapitaalvennootschappen en die zich benadeeld voelden omdat zij niet in aanmerking kwamen voor een garantie als de Arco-garantie, geprotesteerd tegen de toekenning van deze garantie. Zij hebben beroepen ingesteld tegen de Belgische Staat en aldus een rechtszaak gestart die inmiddels bij het Grondwettelijk Hof van het Koninkrijk België is aanbeland.
6.
Op verzoek van het Grondwettelijk Hof dient het Hof van Justitie zich thans uit te spreken over deze twee aspecten van de Arco-garantie. Het Hof van Justitie moet dus nagaan of besluit 2014/686 van de Commissie geldig is, alsook of een garantieregeling als de onderhavige Belgische regeling verenigbaar is met de in richtlijn 94/19/EG7. neergelegde Unierechtelijke voorschriften inzake depositogaranties en met het in artikel 107, lid 1, VWEU en artikel 108, lid 3, VWEU vervatte staatssteunverbod.
II — Toepasselijke bepalingen
A — Unierecht
7.
Het Unierechtelijke kader van de onderhavige zaak wordt gevormd door de artikelen 107 VWEU, 108 VWEU en 296 VWEU en de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten, alsook door richtlijn 94/198.. Hieronder vermeld ik enkel de in casu relevante voorschriften van die richtlijn.
8.
Artikel 1 van richtlijn 94/19 bevat onder meer de volgende definities voor de toepassing van deze richtlijn:
- ‘1.
deposito: een creditsaldo dat wordt gevormd door op een rekening staande gelden of dat tijdelijk uit normale banktransacties voortvloeit, en dat de kredietinstelling onder de toepasselijke wettelijke en contractuele voorwaarden dient terug te betalen, alsmede schulden belichaamd in door deze kredietinstelling uitgegeven schuldbewijzen.
Aandelen van ‘building societies’ in het Verenigd Koninkrijk en in Ierland worden als deposito's behandeld, tenzij het gaat om aandelen met een vermogenskarakter, als bedoeld in artikel 2.
[…]
[…]
- 4.
kredietinstelling: een onderneming waarvan de werkzaamheden bestaan in het van het publiek in ontvangst nemen van deposito's of van andere terugbetaalbare gelden en het verlenen van kredieten voor eigen rekening;
[…]’
9.
Artikel 3, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 94/19 luidt:
‘Iedere lidstaat ziet erop toe dat op zijn grondgebied een of meer depositogarantiestelsels worden ingevoerd en officieel worden erkend. Uitgezonderd in de omstandigheden bedoeld in de tweede alinea en in lid 4, mogen kredietinstellingen waaraan op grond van artikel 3 van richtlijn 77/780/EEG in die lidstaat vergunning is verleend, alleen deposito's aanvaarden indien zij aan een van die stelsels deelnemen.’
10.
Volledigheidshalve moet nog worden gewezen op artikel 2 van richtlijn 94/19, dat als volgt luidt:
‘Van terugbetaling door een garantiestelsel zijn uitgesloten:
- —
onverminderd artikel 8, lid 3, in eigen naam en voor eigen rekening door andere kredietinstellingen verrichte deposito's;
- —
alle instrumenten die zouden vallen onder de definitie van ‘eigen vermogen’ in artikel 2 van richtlijn 89/299/EEG […] betreffende het eigen vermogen van kredietinstellingen […];
- —
deposito's uit hoofde van transacties in verband waarmee een strafrechtelijke veroordeling is uitgesproken wegens het witwassen van geld als omschreven in artikel 1 van richtlijn 91/308/EEG […].’
B — Nationaal recht
11.
Wat het Belgische recht betreft, is ten eerste de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België (hierna: ‘wet op de Nationale Bank’) relevant.
12.
Bij koninklijk besluit van 3 maart 2011, waaraan nadien door het Belgische parlement kracht van wet is toegekend9., is met ingang van 1 april 2011 in de wet op de Nationale Bank artikel 36/24 ingevoegd. Dat artikel bepaalt, in de versie die op het hoofdgeding van toepassing is, onder meer het volgende:
- ‘§ 1.
De Koning kan, na advies van de Bank, ingeval zich een plotse crisis voordoet op de financiële markten of in geval van een ernstige dreiging van een systemische crisis, teneinde de omvang of de gevolgen hiervan te beperken:
[…]
- 2o.
in een systeem voorzien waarbij een staatswaarborg wordt verleend voor verbintenissen die zijn aangegaan door de krachtens voornoemde wetten aan toezicht onderworpen instellingen die Hij bepaalt, of de staatswaarborg toekennen aan bepaalde schuldvorderingen gehouden door dergelijke instellingen;
- 3o.
in een systeem voorzien, in voorkomend geval door middel van reglementen vastgesteld overeenkomstig 1o, van toekenning van de staatswaarborg voor de terugbetaling aan vennoten die natuurlijke personen zijn van hun deel in het kapitaal van coöperatieve vennootschappen, erkend overeenkomstig het koninklijk besluit van 8 januari 1962 tot vaststelling van de voorwaarden tot erkenning van de nationale groeperingen van coöperatieve vennootschappen en van de coöperatieve vennootschappen, die instellingen zijn onderworpen aan toezicht krachtens voornoemde wetten of waarvan minstens de helft van het vermogen is geïnvesteerd in dergelijke instellingen;
[…]
De koninklijke besluiten […] hebben geen gevolg meer indien zij niet worden bekrachtigd door de wet binnen de twaalf maanden vanaf hun datum van inwerkingtreding. De bekrachtiging werkt terug tot op de datum van inwerkingtreding van de koninklijke besluiten. De koninklijke besluiten genomen op grond van het eerste lid, 2o tot 6o, worden overlegd in de Ministerraad.
[…]’
13.
Zoals uit de verwijzingsbeslissing blijkt, werd deze bepaling — net als de voorlopers ervan10. — vastgesteld in de context van de wereldwijde economische en financiële crisis van 2008. Deze bepaling moet ervoor zorgen dat snel maatregelen kunnen worden getroffen om de omvang en de gevolgen van een plotse crisis op de financiële markten of een ernstige dreiging van een systemische crisis te beperken. Specifiek wat financiële coöperaties betreft, was de Belgische wetgever bovendien van mening dat de aandelen van die coöperaties in bepaalde gevallen alle kenmerken van een spaarproduct hadden, en dat zij dus op dezelfde manier moesten worden beschermd als bankdeposito's of bepaalde soorten levensverzekeringen.
14.
Op grond van artikel 36/24, § 1, eerste lid, 3o, van de wet op de Nationale Bank is dan het koninklijk besluit van 10 oktober 2011 uitgevaardigd, waarbij de erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, werd toegestaan om zich op vrijwillige basis aan te sluiten bij het Bijzonder Beschermingsfonds voor deposito's en levensverzekeringen, dat in 2008 in België was opgericht. Tegelijk werd dat fonds omgedoopt tot ‘Bijzonder Beschermingsfonds voor deposito's, levensverzekeringen en kapitaal van erkende coöperatieve vennootschappen’.
15.
Tot slot werd bij koninklijk besluit van 7 november 2011 de door drie erkende coöperaties van de Arco-groep — te weten Arcopar, Arcofin en Arcoplus — ingediende aanvraag tot bescherming van hun kapitaal aanvaard. Geen enkele andere coöperatieve vennootschap heeft een aanvraag tot toekenning van een dergelijke garantie ingediend.
III — Feiten en hoofdgeding
16.
De Belgische Raad van State heeft het Grondwettelijk Hof van het Koninkrijk België in drie verknochte zaken verzocht om zich uit te spreken over de grondwettigheid van artikel 36/24 van de wet op de Nationale Bank, een bepaling die de Belgische wetgever — zoals reeds vermeld — heeft vastgesteld als reactie op de wereldwijde economische en financiële crisis die in 2008 was uitgebroken.
17.
De aanleiding voor deze procedure van grondwettigheidstoetsing is het feit dat de Belgische Staat op grond van artikel 36/24, § 1, eerste lid, 3o, van de wet op de Nationale Bank de voornoemde garantieregeling heeft ingesteld voor aandelen van bepaalde erkende financiële coöperaties, voor zover deze worden aangehouden door natuurlijke personen, en dat de waarde van deze aandelen als gevolg daarvan werd beschermd ten belope van het wettelijk bepaalde niveau van 100 000 EUR per investeerder.
18.
Voordien had de regering haar voornemen om een dergelijke garantie te verlenen reeds geuit in twee regeringsmededelingen, te weten eerst in een mededeling van 10 oktober 2008 en nadien nog eens in een mededeling van 21 januari 2009.11. De Arco-groep heeft de mededeling van 21 januari 2009 diezelfde dag nog op haar website geplaatst.
19.
De Belgische Staat heeft de voornoemde garantieregeling pas op 7 november 2011 aangemeld bij de Europese Commissie, de dag waarop de financiële coöperaties van de Arco-groep bij koninklijk besluit zijn opgenomen in het Belgische depositogarantiestelsel.12.
20.
Het Grondwettelijk Hof moet nu, naar aanleiding van het verzoek van de Raad van State, verduidelijken of de in artikel 36/24, § 1, eerste lid, 3o, van de wet op de Nationale Bank neergelegde garantieregeling verenigbaar is met de fundamentele beginselen van gelijkheid en non-discriminatie, zoals zij door de artikelen 10 en 11 van de Belgische Grondwet zijn gewaarborgd. In wezen betogen de verzoekende partijen bij de Raad van State dat de in casu aan de orde zijnde garantieregeling aanleiding geeft tot discriminatie tussen enerzijds de individuele aandeelhouders van financiële coöperaties, en anderzijds verschillende aandeelhouders van andere kapitaalvennootschappen en instellingen die op de markt actief zijn.
21.
Alvorens te beoordelen of artikel 36/24 van de wet op de Nationale Bank in overeenstemming is met de Belgische Grondwet, wil de verwijzende rechter te weten komen of de Belgische Staat het Unierecht — en meer bepaald de voorschriften inzake depositogaranties en de staatssteunregels — heeft geschonden door de litigieuze garantieregeling in te stellen. Een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie is volgens hem noodzakelijk om een antwoord op deze voorafgaande vraag te kunnen krijgen.
IV — Verzoek om een prejudiciële beslissing en procedure bij het Hof
22.
Bij arrest van 5 februari 201513., ingekomen bij het Hof op 19 februari 2015, heeft de verwijzende rechter het Hof overeenkomstig artikel 267 VWEU verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Dienen de artikelen 2 en 3 van […] richtlijn 94/19/EG […], in voorkomend geval in samenhang gelezen met de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met het algemene gelijkheidsbeginsel, in die zin te worden geïnterpreteerd dat:
- a)
zij aan de lidstaten de verplichting opleggen om de aandelen van de erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, op dezelfde wijze te waarborgen als de deposito's?
- b)
zij zich ertegen verzetten dat een lidstaat aan de entiteit die gedeeltelijk belast is met de waarborg van de in die richtlijn beoogde deposito's de opdracht toevertrouwt om eveneens, ten belope van 100 000 EUR, de waarde van de aandelen van de vennoten, natuurlijke personen, van een erkende coöperatieve vennootschap die actief is in de financiële sector, te waarborgen?
- 2)
Is [besluit 2014/686/EU] verenigbaar met de artikelen 107 [VWEU] en 296 [VWEU] in zoverre het de waarborgregeling die het voorwerp van dat besluit uitmaakt, kwalificeert als nieuwe staatssteun?
- 3)
In geval van een ontkennend antwoord op de tweede vraag, dient artikel 107 [VWEU] in die zin te worden geïnterpreteerd dat een regeling van staatswaarborg toegekend aan de vennoten, natuurlijke personen, van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, in de zin van artikel 36/24, § 1, eerste lid, 3o, van de [wet op de Nationale Bank], nieuwe staatssteun vormt die bij de Europese Commissie moet worden aangemeld?
- 4)
In geval van een bevestigend antwoord op de tweede vraag, is [besluit 2014/686] verenigbaar met artikel 108, lid 3, [VWEU] indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat daarin wordt geoordeeld dat de in het geding zijnde staatssteun tot uitvoering is gebracht vóór 3 maart 2011 of 1 april 2011 of op een van beide data, of, omgekeerd, indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat daarin wordt geoordeeld dat de in het geding zijnde staatssteun op een latere datum tot uitvoering is gebracht?
- 5)
Dient artikel 108, lid 3, [VWEU] in die zin te worden geïnterpreteerd dat het een lidstaat verbiedt om een maatregel, zoals die welke is vervat in artikel 36/24, [§ 1,] eerste lid, 3o, van de [wet op de Nationale Bank], aan te nemen, indien die maatregel staatssteun tot uitvoering brengt of staatssteun vormt die reeds tot uitvoering is gebracht en die staatssteun nog niet is aangemeld bij de Europese Commissie?
- 6)
Dient artikel 108, lid 3, [VWEU] in die zin te worden geïnterpreteerd dat het een lidstaat verbiedt om, zonder voorafgaande kennisgeving aan de Europese Commissie, een maatregel, zoals die welke is vervat in artikel 36/24, [§ 1,] eerste lid, 3o, van de [wet op de Nationale Bank], aan te nemen, indien die maatregel staatssteun vormt die nog niet tot uitvoering is gebracht?’
23.
Op verzoek van het Hof van Justitie heeft de verwijzende rechter in januari 2016 overeenkomstig artikel 101 van het Reglement voor de procesvoering nader uiteengezet in welk opzicht de tweede tot en met de zesde vraag relevant zijn voor de beslechting van het hoofdgeding.
24.
De verzoekende partijen in het hoofdgeding (P. Vervloet e.a. alsook de Gemeente Schaarbeek en het Pensioenfonds Ogeo Fund), de drie Arco-coöperaties die als interveniëntes bij het hoofdgeding betrokken zijn (Arcopar, Arcofin en Arcoplus), het Koninkrijk België en de Europese Commissie hebben aan de schriftelijke procedure bij het Hof deelgenomen. Diezelfde belanghebbenden waren ook ter terechtzitting van 6 april 2016 vertegenwoordigd.
V — Beoordeling
25.
Met zijn lange reeks vragen wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de Belgische Staat het Unierecht heeft geschonden toen hij in de context van de in 2008 uitgebroken economische en financiële crisis een garantieregeling ten gunste van de individuele aandeelhouders van bepaalde financiële coöperaties in het leven riep.
A — Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing
26.
Voordat ik kan beginnen met de inhoudelijke beoordeling van de prejudiciële vragen, moet ik eerst kort de kwestie van de ontvankelijkheid van dit verzoek om een prejudiciële beslissing bespreken. Bepaalde partijen hebben immers betoogd dat de Unierechtelijke kwesties niet relevant zijn voor de beslechting van het hoofdgeding, aangezien in dit geding enkel het Belgische grondwettelijk recht van belang is, en noch richtlijn 94/19, noch de staatssteunregels — ook niet de vraag naar de selectiviteit van de steunmaatregelen — daarmee enig verband houden.
27.
In dit verband moet worden opgemerkt dat voor prejudiciële vragen over het Unierecht een vermoeden van relevantie geldt. Het Hof kan slechts weigeren op een door een nationale rechterlijke instantie gestelde prejudiciële vraag te antwoorden, wanneer de gevraagde uitlegging of toetsing van de geldigheid van een regel van Unierecht klaarblijkelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen.14.
28.
In het onderhavige geval is hiervan echter geen sprake.
29.
Het Grondwettelijk Hof is hier weliswaar verzocht de litigieuze garantieregeling, die overeenkomstig artikel 36/24, § 1, eerste lid, 3o, van de wet op de Nationale Bank is ingesteld, te toetsen vanuit het oogpunt van de fundamentele beginselen van gelijkheid en non-discriminatie, zoals deze door de artikelen 10 en 11 van de Belgische Grondwet zijn gewaarborgd, maar het is kennelijk van mening dat het die toetsing pas kan uitvoeren nadat het een antwoord heeft gekregen op de gestelde vragen van Unierecht. Dat had het reeds in zijn verwijzingsbeslissing aangegeven en heeft het nader uiteengezet in de aanvullende verduidelijkingen die het overeenkomstig artikel 101 van het Reglement voor de procesvoering heeft verstrekt. Ook ter terechtzitting van het Hof hebben partijen, in het bijzonder de Gemeente Schaarbeek en Ogeo Fund, dit duidelijk gemaakt.
30.
Zeer terecht wil het Grondwettelijk Hof eerst opheldering krijgen over de voorafgaande vraag of de litigieuze garantieregeling strookt met het Unierecht. Rekening houdend met het antwoord op die vraag, zal het dan uitmaken of sprake is van een verboden ongelijke behandeling in de zin van de Belgische Grondwet.
31.
Indien immers uit het Unierecht volgt dat de bedoelde garantieregeling geboden is krachtens het Unierecht (bijvoorbeeld omdat de Belgische Staat op grond van de voorschriften van richtlijn 94/19 inzake depositogaranties verplicht is dergelijke garanties te verlenen), zou dit ook een rechtvaardiging kunnen vormen voor een eventuele ongelijke behandeling van beleggers. Indien daarentegen zou blijken dat het Unierecht zich verzet tegen een dergelijke garantieregeling (bijvoorbeeld omdat zij is ingevoerd in strijd met richtlijn 94/19 of niet voldoet aan de vereisten van de staatssteunregels), zou deze regeling wellicht ook geen ongelijke behandeling tussen beleggers in de zin van de Belgische Grondwet kunnen rechtvaardigen.
32.
De prejudiciële vragen zijn derhalve niet kennelijk irrelevant voor de beslechting van het hoofdgeding, en over de ontvankelijkheid van het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing kan dan ook geen ernstige twijfel bestaan.
B — Inhoudelijke beoordeling van de prejudiciële vragen
33.
Inhoudelijk wordt het Hof verzocht om een garantieregeling als de Belgische ten eerste te toetsen aan de Unierechtelijke voorschriften inzake depositogaranties (eerste prejudiciële vraag; zie deel 1 hieronder) en deze ten tweede vanuit het oogpunt van het Unierechtelijke staatssteunverbod te beoordelen (tweede tot en met zesde prejudiciële vraag; zie deel 2 hieronder).
1. Unierechtelijke voorschriften inzake depositogaranties (eerste prejudiciële vraag)
34.
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een garantieregeling als die welke hier aan de orde is, strookt met de Unierechtelijke vereisten inzake depositogaranties. Daartoe vraagt hij het Hof van Justitie welke betekenis toekomt aan de artikelen 2 en 3 van richtlijn 94/19, uitgelegd in het licht van de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten en het algemene beginsel van gelijke behandeling.
35.
Arco is van mening dat de litigieuze garantieregeling, gelet op de geest en het doel van de in richtlijn 94/19 bedoelde depositogarantie, verplicht diende te worden ingesteld, terwijl de Gemeente Schaarbeek en Ogeo Fund de tegenovergestelde opvatting voorstaan. België en de Commissie stellen zich op het standpunt dat de richtlijn de instelling van een dergelijke garantieregeling noch gebiedt noch verbiedt. Vervloet en de andere particuliere verzoekers betogen dat de garantieregeling geen omzetting van richtlijn 94/19 vormt en dat het in strijd is met het betrokken stelsel om de depositogarantie uit te breiden tot aandelen van financiële coöperaties.
36.
Zoals ik hierna zal toelichten, staat richtlijn 94/19 in beginsel neutraal tegenover kwesties als de onderhavige. Deze richtlijn bevat dus geen verplichting om de depositogarantie uit te breiden tot aandelen van financiële coöperaties [zie daartoe punt a) hieronder], maar verbiedt een dergelijke uitbreiding ook niet [zie daartoe punt b) hieronder].
a) Richtlijn 94/19 verplicht de lidstaten er niet toe de depositogarantie uit te breiden tot aandelen van financiële coöperaties (eerste onderdeel van de eerste prejudiciële vraag)
37.
Eerst moet worden achterhaald of richtlijn 94/19 de verplichting bevatte om een nationaal depositogarantiestelsel als het Belgische uit te breiden tot aandelen van financiële coöperaties die in handen zijn van particulieren.
38.
Krachtens artikel 3, lid 1, van richtlijn 94/19 moeten de lidstaten erop toezien dat op hun grondgebied depositogarantiestelsels worden ingevoerd en officieel worden erkend. De draagwijdte van die verplichting moet worden vastgesteld tegen de achtergrond van de materiële en personele werkingssfeer van de richtlijn.
39.
Ratione materiae is richtlijn 94/19 van toepassing op deposito's. Volgens de definitie van artikel 1, punt 1, van deze richtlijn gaat het daarbij om creditsaldo's op rekeningen die aan de deposanten moeten worden terugbetaald, alsook om schulden die zijn belichaamd in schuldbewijzen.
40.
Volgens de informatie waarover ik beschik, voldoen de aandelen van Belgische financiële coöperaties als die van de Arco-groep aan geen van deze beide beschrijvingen. In wezen gaat het bij dergelijke aandelen immers om een deelneming in het eigen vermogen van de betrokken onderneming, terwijl het kenmerkend is voor deposito's dat zij deel uitmaken van het vreemd vermogen van een kredietinstelling.
41.
Bovendien moeten deposito's, wanneer zij opgeëist worden, worden terugbetaald ten belope van hun nominale waarde, in voorkomend geval vermeerderd met de overeengekomen rente en na aftrek van eventuele kosten en belastingen. Het bedrag dat een coöperant ontvangt wanneer hij uit de betrokken coöperatie uittreedt, weerspiegelt daarentegen de winstgevendheid van deze onderneming en kan dienovereenkomstig hoger of lager uitvallen.
42.
De verwerving van een aandeel van een coöperatie door een belegger is dus — zelfs indien dit instrument hem is aangeprezen als een spaarproduct — niet zozeer te vergelijken met het plaatsen van gelden op een bankrekening of met de verwerving van een obligatie, maar veeleer met de aankoop van een aandeel van een beursgenoteerde vennootschap, een situatie waarvoor richtlijn 94/19 niet in bescherming voorziet.
43.
De in geding zijnde aandelen van Belgische financiële coöperaties kunnen overigens evenmin worden gelijkgesteld met de in artikel 1, punt 1, tweede alinea, van richtlijn 94/19 bedoelde aandelen van ‘building societies’. Ten eerste betreft deze bijzondere uitbreiding van het begrip ‘deposito’ reeds volgens de bewoordingen ervan uitsluitend aandelen van Britse en Ierse ‘building societies’ en is in dat voorschrift geen sprake van financiële coöperaties naar Belgisch recht. Ten tweede is deze bijzondere regeling uitdrukkelijk niet van toepassing op aandelen met een vermogenskarakter. Zoals reeds is vermeld, gaat het bij de hier in geding zijnde aandelen van financiële coöperaties als die van de Arco-groep nu juist wél daarom — te weten om een deelneming in het eigen vermogen.
44.
Ratione personae is richtlijn 94/19 uitsluitend van toepassing op kredietinstellingen. Volgens de definitie van artikel 1, punt 4, van richtlijn 94/19 zijn dit ondernemingen waarvan de werkzaamheden bestaan in het van het publiek in ontvangst nemen van deposito's of van andere terugbetaalbare gelden en het verlenen van kredieten voor eigen rekening.
45.
Ook daarvan is geen sprake bij de financiële coöperaties waarvoor de litigieuze Belgische garantieregeling is bedoeld. Volgens de eensluidende verklaringen van alle partijen bij het hoofdgeding, inclusief Arco zelf, zijn financiële coöperaties zoals de Arco-coöperaties immers geenkredietinstellingen. Zij nemen geen deposito's van het publiek in ontvangst en evenmin verlenen zij op de voor banken kenmerkende wijze regelmatig kredieten voor eigen rekening.
46.
De conclusie luidt niet anders wanneer richtlijn 94/19 in het licht van het algemene Unierechtelijke beginsel van gelijke behandeling wordt uitgelegd, zoals het Belgische Grondwettelijk Hof in zijn prejudiciële vraag voorstelt.
47.
Het gelijkheidsbeginsel is een algemeen rechtsbeginsel van de Unie, dat in de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten is verankerd.15. Het kan niet op uiteenlopende wijze worden uitgelegd en toegepast al naargelang van het rechtsgebied dat aan de orde is.
48.
Volgens vaste rechtspraak vereist dit beginsel dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is.16.
49.
Zoals hierboven is uiteengezet17., onderscheiden de aan de orde zijnde aandelen in financiële coöperaties zich, gelet op het voorwerp van de Unierechtelijke depositogarantie, zeer duidelijk van klassieke deposito's bij kredietinstellingen, ook al lijken zij wellicht in heel wat opzichten — bijvoorbeeld wat de wijze betreft waarop zij worden belast en door de staat worden gereglementeerd en wat hun populariteit bij het publiek betreft — op klassieke spaarproducten. Dienovereenkomstig legt het Unierecht geenszins de verplichting op om een nationaal depositogarantiestelsel als het Belgische krachtens het beginsel van gelijke behandeling ook te laten gelden voor aandelen van financiële coöperaties.
50.
Bijgevolg was België noch krachtens richtlijn 94/19 noch krachtens het algemene beginsel van gelijke behandeling Unierechtelijk verplicht om zijn nationale depositogarantiestelsel uit te breiden tot deze vorm van geldbeleggingen.
b) Richtlijn 94/19 verbiedt de lidstaten niet om de depositogarantie uit te breiden tot aandelen van financiële coöperaties (tweede onderdeel van de eerste prejudiciële vraag)
51.
Voorts moet de vraag worden behandeld of richtlijn 94/19 het verbod bevatte om een nationaal depositogarantiestelsel als het Belgische uit te breiden tot aandelen van financiële coöperaties die in handen zijn van particulieren.
52.
Ter beantwoording van deze vraag moet in de eerste plaats acht worden geslagen op het tweede streepje van artikel 2 van richtlijn 94/19. Overeenkomstig die bepaling zijn alle instrumenten die vallen onder de definitie van eigen vermogen in artikel 2 van richtlijn 89/299, waartoe met name het ‘gestort kapitaal’ behoort, uitgesloten van terugbetaling door een depositogarantiestelsel.
53.
Op het eerste gezicht lijkt die uitsluitingsgrond hier effectief van toepassing te zijn. Zoals hierboven reeds is uiteengezet, zijn de aan de orde zijnde aandelen van financiële coöperaties immers instrumenten waarmee de belegger, net als bij de aankoop van aandelen van beursgenoteerde vennootschappen, een deelneming verwerft in het eigen vermogen van de betrokken onderneming.18.
54.
Bij nadere beschouwing blijkt evenwel dat de in artikel 2, tweede streepje, van richtlijn 94/19 bedoelde uitsluitingsgrond enkel geldt voor het eigen vermogen van kredietinstellingen. In die bepaling wordt immers uitdrukkelijk gesproken over ‘eigen vermogen’ dat ‘[zou] vallen onder de definitie van […] artikel 2 van [richtlijn 89/299] betreffende het eigen vermogen van kredietinstellingen’. Zoals hierboven reeds is vermeld19., kunnen de erkende financiële coöperaties naar Belgisch recht echter juist niet worden aangemerkt als dergelijke kredietinstellingen.
55.
Derhalve verzet artikel 2, tweede streepje, van richtlijn 94/19 zich er in beginsel niet tegen dat de toepassing van een nationaal depositogarantiestelsel wordt verruimd tot aandelen van financiële coöperaties die worden aangehouden door particulieren.
56.
Meer nog: het feit dat de richtlijn op het gebied van depositogaranties slechts een minimale harmonisatie tot stand brengt20., schraagt de stelling dat de lidstaten een zekere speelruimte hebben om ook andere, Unierechtelijk niet voorgeschreven gevallen binnen de werkingssfeer van hun nationale depositogarantiestelsels te brengen.
57.
Evenwel staat het de lidstaten niet volledig vrij om hun nationale depositogarantiestelsels naar believen ook van toepassing te verklaren op andere instrumenten dan die waarvoor krachtens richtlijn 94/19 in een garantie dient te worden voorzien, te weten de deposito's bij kredietinstellingen. In dit opzicht hoeven zij weliswaar het Unierechtelijke beginsel van gelijke behandeling niet in acht te nemen, waaraan de nationale instanties immers enkel gebonden zijn wanneer zij het Unierecht ten uitvoer brengen (zie artikel 51, lid 1, van het Handvest van de grondrechten), maar zij mogen de nuttige werking van het depositogarantiestelsel niet ondergraven, zoals het krachtens richtlijn 94/19 in de hele interne markt moet worden verwezenlijkt.
58.
Zoals de Commissie in deze context terecht benadrukt, zou aan de nuttige werking van de depositogarantie effectief worden afgedaan indien een lidstaat zijn nationaal depositogarantiestelsel op grotere schaal risico's zou laten dragen die niet rechtstreeks in verband staan met het doel van dit stelsel. Hoe groter de te verzekeren risico's zijn, des te meer de depositogarantie verwaterd raakt en des te minder het depositogarantiestelsel — bij in beginsel onveranderd gebleven middelen — kan bijdragen tot de verwezenlijking van het doel van richtlijn 94/19, een harmonische ontwikkeling van de werkzaamheden van de kredietinstellingen te bevorderen, de stabiliteit van het bankwezen te versterken en de spaarders te beschermen.21.
59.
Het staat aan de nationale rechterlijke instanties om te beoordelen of de litigieuze garantieregeling concreet afdoet aan de nuttige werking van het Belgische depositogarantiestelsel. In het kader van die beoordeling moeten zij rekening houden met het feit dat een garantie als de Arco-garantie een groot aantal kleine beleggers binnen de werkingssfeer van het depositogarantiestelsel brengt, dat de financiële coöperaties in het verleden niets hebben bijgedragen aan de financiering van het stelsel22. en dat zij zelfs maar kort vóór het plaatsvinden van het feit dat het garantiestelsel in werking deed treden — namelijk ongeveer een maand vóór het besluit om over te gaan tot vrijwillige vereffening — in dat stelsel zijn opgenomen. Bijgevolg ontvangen zij uit het nationale depositogarantiestelsel een duidelijk voordeligere tegenprestatie dan andere ondernemingen die reeds langere tijd aangesloten zijn bij en bijdragen aan het stelsel.
60.
Vanzelfsprekend mag evenmin inbreuk worden gemaakt op andere Unierechtelijke voorschriften — in het bijzonder de vereisten van de in de artikelen 107 VWEU en 108 VWEU neergelegde staatssteunregels23..
c) Tussenconclusie
61.
Gelet op een en ander moet richtlijn 94/19 aldus worden uitgelegd dat zij de lidstaten niet verplicht maar ook niet verbiedt om hun nationale depositogarantiestelsel ook te laten gelden voor de aandelen die natuurlijke personen aanhouden in erkende financiële coöperaties, voor zover daardoor niet wordt afgedaan aan de nuttige werking van de depositogarantie en geen inbreuk wordt gemaakt op andere Unierechtelijke voorschriften.
2. Unierechtelijke vereisten die voortvloeien uit de staatssteunregels (tweede tot en met zesde prejudiciële vraag)
62.
Met zijn tweede tot en met zesde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of een garantieregeling als die welke hier in het geding is, strijdig is met de Unierechtelijke vereisten die voortvloeien uit de staatssteunregels. In wezen wenst het Grondwettelijk Hof verduidelijkt te zien of deze garantieregeling nieuwe staatssteun in de zin van artikel 108, lid 3, VWEU oplevert, die bij de Commissie moest worden aangemeld en die niet ten uitvoer mocht worden gelegd voordat zij door de Commissie was goedgekeurd. Deze problematiek loopt als een rode draad door de laatste vijf prejudiciële vragen.
63.
De vraag of de garantieregeling, in het bijzonder in het licht van artikel 107, lid 3, onder b), VWEU, verenigbaar is met de interne markt, waarover verschillende partijen voor het Hof hun mening te kennen hebben gegeven, maakt daarentegen niet het voorwerp uit van het door het Grondwettelijk Hof ingediende verzoek om een prejudiciële beslissing.
a) Geldigheid van besluit 2014/686 van de Commissie (tweede vraag)
64.
Met zijn tweede vraag verzoekt de verwijzende rechter het Hof allereerst om besluit 2014/686 te evalueren en meer bepaald de geldigheid ervan te beoordelen. Zolang de Unierechter dit besluit niet naar aanleiding van een beroep nietig heeft verklaard of naar aanleiding van een verzoek om een prejudiciële beslissing ongeldig heeft verklaard, blijft het Grondwettelijk Hof namelijk gebonden aan de daarin vervatte beoordeling van de Commissie24., volgens welke de Arco-garantie nieuwe staatssteun oplevert die op onrechtmatige wijze ten uitvoer is gelegd, moet worden teruggevorderd en niet de basis kan vormen van enige betaling.
65.
Zoals uit de verwijzingsbeslissing blijkt, betwisten de drie financiële coöperaties van de Arco-groep de geldigheid van besluit 2014/686 in het hoofdgeding bij de Belgische rechterlijke instanties (het Grondwettelijk Hof en de Raad van State) in wezen op grond van dezelfde argumenten als die welke zij hebben aangevoerd tot staving van hun beroep tot nietigverklaring van dat besluit bij het Gerecht van de Europese Unie.25. Uiteindelijk zal het Hof van Justitie met zijn oordeel over de geldigheid van dit besluit dus niet alleen een belangrijk richtsnoer bieden aan de nationale rechter voor het verdere verloop van de procedure, maar ook het geding dat in eerste aanleg voor de Unierechter aanhangig is26. in zekere mate sturen.
66.
De door Arco tegen besluit 2014/686 aangevoerde grieven, zoals zij in de verwijzingsbeslissing zijn samengevat, betreffen ten eerste het in artikel 107, lid 1, VWEU bedoelde begrip staatssteun en ten tweede de motiveringsplicht die krachtens artikel 296, tweede alinea, VWEU op de Commissie rust. Thans zal ik achtereenvolgens deze beide aspecten bespreken.
i) Begrip staatssteun
67.
Volgens artikel 107, lid 1, VWEU ‘[zijn, behoudens] de afwijkingen waarin de Verdragen voorzien, […] steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt’.
68.
Een maatregel kan slechts als ‘steunmaatregel’ in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU worden aangemerkt indien hij voldoet aan alle in deze bepaling vermelde voorwaarden.27.
69.
In de eerste plaats moet het gaan om een maatregel die uitgaat van de staat of die met staatsmiddelen is bekostigd. In de tweede plaats moet deze maatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden. In de derde plaats moet de maatregel de begunstigde een voordeel verschaffen. Ten vierde moet deze maatregel de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen.28.
70.
Bij de beoordeling of aan deze voorwaarden is voldaan, moet volgens vaste rechtspraak worden gekeken naar de gevolgen van de betrokken maatregel en niet naar de subjectieve doelstellingen van de nationale instanties (de litigieuze garantieregeling berust ongetwijfeld op het lovenswaardige voornemen om particulieren te behoeden voor het verlies van hun spaargeld en tevens bij te dragen tot de stabilisering van het nationale financiële stelsel).29.
71.
In het onderhavige geval bestaat onenigheid over de vraag of de Belgische garantieregeling een selectief voordeel oplevert voor de Arco-coöperaties (derde voorwaarde om van steun te kunnen spreken) alsook over de vraag of deze regeling de handel tussen de lidstaten ongunstig kan beïnvloeden en de mededinging op de interne markt kan vervalsen (tweede en vierde voorwaarde om van steun te kunnen spreken).30.
— De Arco-coöperaties als begunstigden van de garantieregeling
72.
Om te beginnen zet de Commissie in de overwegingen 80 tot en met 84 van besluit 2014/686 uiteen dat Arco ‘de enige reële begunstigde van de garantieregeling’ was.
73.
Arco repliceert daarop dat de echte begunstigden van de garantieregeling ten eerste de individuele aandeelhouders van de Arco-coöperaties waren, aangezien hun uitdrukkelijk de terugbetaling van hun kapitaal ten belope van 100 000 EUR werd gewaarborgd, en ten tweede de bank Dexia, omdat de bedoelde garantieregeling moest bijdragen aan de redding van die bank.
74.
Die repliek treft echter geen doel. Het loutere feit dat andere betrokkenen — de individuele aandeelhouders van de financiële coöperaties en de bank Dexia — voordeel konden puren uit de litigieuze garantieregeling sluit immers geenszins uit dat Arco diende te worden aangemerkt als begunstigde, of zelfs als de hoofdbegunstigde, van deze regeling (of, om het met de woorden van de Commissie te zeggen, als ‘de enige reële begunstigde’).
75.
In het bijzonder gaat Arco in dit verband voorbij aan het feit dat alle maatregelen — in welke vorm ook — die ondernemingen rechtstreeks of indirect kunnen bevoordelen, aan te merken zijn als steunmaatregelen in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU.31. De Belgische garantieregeling verleende aan Arco, als onderneming die actief was in de financiële sector, zonder twijfel minstens een indirect voordeel. Eerst door deze garantieregeling werd de Arco-groep immers beschermd tegen een dreigende uittocht van de individuele beleggers uit de drie financiële coöperaties van de groep32., en werd het haar mogelijk gemaakt om als hoofdaandeelhouder mee te werken aan de toen geplande herkapitalisatie van de bank Dexia. Voor het overige moet eraan worden herinnerd dat de financiële coöperaties van de Arco-groep — in tegenstelling tot alle andere financiële coöperaties — zelf een aanvraag hebben ingediend om onder de garantieregeling te vallen. Zij zouden een dergelijke aanvraag waarschijnlijk niet hebben ingediend indien zij niet de verwachting koesterden daaraan een concreet economisch voordeel te kunnen ontlenen.
76.
Ook Arco's tegenargument dat een uitstroom van eigen vermogen niet noodzakelijk nadelige gevolgen zou hebben gehad voor de drie financiële coöperaties van de Arco-groep, overtuigt niet. Wanneer het eigen vermogen van een onderneming afneemt, verhoogt immers haar schuldgraad en verslechtert haar kredietwaardigheid, zodat zij vanaf dan enkel nog tegen weinig gunstige voorwaarden nieuw kapitaal kan ophalen. Zeker in een situatie als die van Arco, die toen een belangrijk economisch engagement was aangegaan door mee te werken aan de pogingen tot redding van de bank Dexia, mag dat perspectief niet worden veronachtzaamd.
— Selectiviteit van het voordeel
77.
Artikel 107, lid 1, VWEU verbiedt steunmaatregelen die ‘bepaalde ondernemingen of bepaalde producties [begunstigen]’, dat wil zeggen selectieve steunmaatregelen.33. Van een selectief voordeel is volgens de rechtspraak sprake wanneer bepaalde ondernemingen of producties worden begunstigd ten opzichte van andere die zich uit het oogpunt van de doelstelling van de betrokken regeling in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden.34.
78.
In de overwegingen 100 tot en met 107 van besluit 2014/686 verklaart de Commissie dat de litigieuze garantieregeling Arco een voordeel verschaft dat ‘duidelijk selectief’ is.35.
79.
Arco bestrijdt echter dat haar een dergelijk selectief voordeel is verleend. Volgens Arco bevinden haar financiële coöperaties zich in een situatie die feitelijk en juridisch vergelijkbaar is met die van aanbieders van klassieke spaarproducten, zodat het in overeenstemming was met het Belgische depositogarantiestelsel om de Belgische depositogarantie uit te breiden tot de aandeelhouders van zulke financiële coöperaties.
80.
Dit argument overtuigt evenwel niet. Zoals ik hierboven in verband met richtlijn 94/19 reeds heb toegelicht, zijn aandelen van financiële coöperaties als die van de Arco-groep — gelet op de doelstellingen van de depositogarantie — niet zozeer te vergelijken met klassieke deposito's die worden aangehouden bij kredietinstellingen, maar wel met aandelen van beursgenoteerde vennootschappen.36. Bovendien verklaren de bedoelde financiële coöperaties zelf dat zij geen kredietinstellingen zijn.37.
81.
Bijgevolg bevonden financiële coöperaties als die van de Arco-groep zich — gelet op de doelstellingen van de depositogarantie — niet in een situatie die vergelijkbaar was met die van kredietinstellingen, waarin zij als vanzelf via de litigieuze garantieregeling onder het Belgische depositogarantiestelsel zouden kunnen vallen. Hun situatie was daarentegen eerder vergelijkbaar met die van ondernemingen die het publiek de mogelijkheid bieden om door de aankoop van aandelen een participatie te verwerven en dit publiek daarmee een soort kapitaalbelegging ter beschikking stellen waarvoor in beginsel geen depositogarantie geldt.
82.
Het door Arco en België aangevoerde arrest Paint Graphos38. leidt niet tot een andere conclusie.
83.
In dat arrest heeft het Hof in een belastingrechtelijke context onderzocht onder welke voorwaarden een door een lidstaat toegekend voordeel selectief is en dus staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU kan opleveren. Kort gezegd is volgens dat arrest sprake van selectiviteit indien de betrokken maatregel van de algemene regeling afwijkt voor zover zij differentiaties invoert tussen marktdeelnemers die zich, gelet op het doel van het belastingstelsel van de betrokken lidstaat, in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden.39.
84.
Volgens de ‘algemene regeling’ waar het in het onderhavige geval om gaat, geldt voor geldbeleggingen in beginsel geen depositogarantie. Een dergelijke garantie geldt alleen voor deposito's bij kredietinstellingen, terwijl investeringen in de vorm van participaties in ondernemingen, waarvan de waarde afhangt van de winstgevendheid van deze onderneming, in beginsel niet onder deze garantie kunnen vallen.
85.
Wanneer België bepaalde vormen van participaties in ondernemingen — in casu de door particulieren aangehouden aandelen in het kapitaal van erkende financiële coöperaties — niettemin onder de depositogarantie laat vallen, voert het — om het met de woorden van het arrest Paint Graphos te zeggen — ‘differentiaties [in] tussen marktdeelnemers’.
86.
Het maakt dan namelijk een onderscheid tussen financiële coöperaties enerzijds en andere coöperaties of vennootschappen anderzijds, met andere woorden tussen marktdeelnemers die zich — ondanks het feit dat zij als gevolg van hun rechtsvorm een aantal specifieke kenmerken kunnen hebben40. — in een vergelijkbare feitelijke en juridische situatie bevinden, in ieder geval vanuit het oogpunt van de doelstellingen van de depositogarantie. Al deze ondernemingen kunnen individuele beleggers immers de mogelijkheid bieden te participeren in hun kapitaal. Toch vallen enkel participaties in het kapitaal van de eerstbedoelde vennootschappen — financiële coöperaties — onder de depositogarantie.
87.
Bijgevolg is ook volgens het criterium dat het Hof in het arrest Paint Graphos en in een aantal andere arresten41. heeft geformuleerd, sprake van een selectieve bevoordeling van de financiële coöperaties.
88.
De Commissie heeft in besluit 2014/686 dus geheel terecht aangenomen dat bij de litigieuze garantieregeling een selectief voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU is verleend aan de financiële coöperaties van de Arco-groep.
— Vervalsing van de mededinging en ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer tussen de lidstaten
89.
Voorts bekritiseert Arco de in de overwegingen 108 en 109 van besluit 2014/686 door de Commissie gedane vaststelling dat de litigieuze garantieregeling ‘de mededinging [verstoort]’ en dat zij ‘wel degelijk het handelsverkeer binnen de Unie [beïnvloedt]’.
90.
Het grootste deel van de door Arco in dit verband aangevoerde argumenten, zoals deze in de verwijzingsbeslissing zijn samengevat, is evenwel opnieuw gebaseerd op de vermeende gelijkenissen tussen aandelen van financiële coöperaties en klassieke spaardeposito's. Dat die argumenten geen steek houden, heb ik hierboven reeds in een andere context uiteengezet.42.
91.
Daarnaast is het vaste rechtspraak dat, om een nationale maatregel als staatssteun te kunnen aanmerken, niet hoeft te worden bewezen dat hij de handel tussen de lidstaten daadwerkelijk beïnvloedt en de mededinging daadwerkelijk vervalst, maar enkel dat deze maatregel dit handelsverkeer ongunstig kan beïnvloeden en de mededinging kan vervalsen.43.
92.
Wat om te beginnen een eventuele vervalsing van de mededinging betreft, heeft de Commissie overtuigend uiteengezet44. dat de litigieuze garantieregeling de financiële coöperaties van de Arco-groep wapende tegen een kapitaaluitstroom of een dergelijke uitstroom minstens afzwakte en vertraagde. Het is duidelijk dat dit een voordeel opleverde in het kader van de mededinging met andere ondernemingen uit de financiële sector, zeker in een tijd waarin als gevolg van een wereldwijde economische en financiële crisis grote onrust heerste op de markten en in het bijzonder de banken veel moeite hadden om vers kapitaal op te halen, en waarin alom het gevaar bestond dat vooral kleine beleggers hun geld zouden verliezen.
93.
Wat vervolgens de ongunstige beïnvloeding van de handel tussen de lidstaten betreft, moet worden opgemerkt dat van een dergelijke beïnvloeding reeds sprake is wanneer de betrokken nationale maatregel de positie van een onderneming ten opzichte van concurrerende ondernemingen versterkt. De begunstigde onderneming hoeft daarvoor niet zelf aan het handelsverkeer tussen de lidstaten deel te nemen. Het feit dat een economische sector als die van de financiële diensten sterk is geliberaliseerd op het niveau van de Unie, waardoor de mededinging is versterkt, kan reeds voldoende zijn om te besluiten dat staatssteun de handel tussen de lidstaten daadwerkelijk of potentieel beïnvloedt.45.
94.
Arco's argument dat de participaties van de individuele aandeelhouders van de Arco-coöperaties elk slechts een gering bedrag vertegenwoordigen, overtuigt in dit verband niet. Ten eerste moet bij de beoordeling van de impact van de litigieuze garantieregeling op de mededinging en op de handel tussen de lidstaten worden gekeken naar het geheel van de aandelen van de financiële coöperaties die onder deze regeling vallen en niet naar het beschermde kapitaal van een afzonderlijke individuele belegger. Ten tweede sluit noch het feit dat de steun relatief beperkt is in omvang, noch het feit dat de begunstigde onderneming relatief klein is, a priori uit dat sprake kan zijn van mededingingsvervalsing of ongunstige beïnvloeding van de handel tussen de lidstaten.46.
95.
De conclusie van de Commissie dat de litigieuze garantieregeling de mededinging vervalst en de handel tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt, kan derhalve — in ieder geval op grond van de in de verwijzingsbeslissing weergegeven grieven — niet worden bekritiseerd.47.
ii) Motiveringsplicht
96.
Ten slotte wenst de verwijzende rechter in het kader van deze tweede prejudiciële vraag verduidelijkt te zien of besluit 2014/686 ontoereikend is gemotiveerd.
97.
De plicht tot motivering van een Uniehandeling vloeit voort uit artikel 296, tweede alinea, VWEU en is bovendien als onderdeel van het recht op behoorlijk bestuur verankerd in artikel 41, lid 2, onder c), van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
98.
Aangezien een maatregel, zoals hierboven reeds is vermeld, slechts als ‘staatssteun’ in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU kan worden aangemerkt indien is voldaan aan elk van de vier in die bepaling gestelde voorwaarden48., moet de Commissie in een besluit waarin zij concludeert dat staatssteun is verleend, afdoende motiveren dat aan elk van deze vier voorwaarden is voldaan49..
99.
Dit is voor besluit 2014/686 het geval. In de overwegingen van dit besluit50. heeft de Commissie immers gedetailleerd uiteengezet waarom er volgens haar in het onderhavige geval sprake is van staatssteun. Meer bepaald heeft zij voor elk van de vier voorwaarden van artikel 107, lid 1, VWEU naar behoren en voldoende grondig onderzocht of zij was vervuld.
100.
Arco betoogt evenwel dat de motivering van besluit 2014/686 onvoldoende gedetailleerd is, inzonderheid tegen de achtergrond van het feit dat dit besluit ‘niet strookt met de vaste beslissingspraktijk’.
101.
Deze stelling kan niet worden aanvaard, vooral omdat de in de verwijzingsbeslissing en in de stukken van Arco vermelde grieven gebaseerd zijn op uiterst vage en algemene verwijten en niet concreet aangeven in hoeverre de door de Commissie geformuleerde toelichtingen onbegrijpelijk zijn en met betrekking tot welke aspecten van de zaak de verstrekte informatie niet uitvoerig genoeg is.
102.
Voorts moet de motivering van een Uniehandeling volgens vaste rechtspraak de redenering van de instelling van de Unie die de handeling heeft vastgesteld, duidelijk en ondubbelzinnig tot uiting doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen.51.
103.
In deze motivering behoeven echter niet alle feitelijk of juridisch relevante aspecten te worden gespecificeerd, aangezien bij de beantwoording van de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 296, tweede alinea, VWEU voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen.52.
104.
In casu blijkt uit de toelichtingen die de Commissie in de overwegingen van besluit 2014/686 heeft gegeven, voldoende duidelijk waarom volgens haar was voldaan aan elk van de in artikel 107, lid 1, VWEU genoemde voorwaarden om van staatssteun te kunnen spreken. Bovendien was in het bijzonder Arco voldoende op de hoogte van de context waarin besluit 2014/686 is vastgesteld, aangezien zij de belangrijkste speler was in de voorafgaande administratieve procedure.53.
105.
Tot slot kan Arco's kritiek op de in besluit 2014/686 — en meer bepaald in voetnoot 65 ervan — aangehaalde rechtspraak54. evenmin overtuigen. Anders dan Arco lijkt aan te nemen, beweert de Commissie immers geenszins dat de door haar aangevoerde arresten betrekking hebben op precies dezelfde problematiek als die welke in het onderhavige geval aan de orde is. De Commissie wil integendeel enkel een parallel trekken met deze arresten, hetgeen uit de motivering van het besluit55. ook voldoende duidelijk blijkt. Of de conclusies die de Commissie uit die rechtspraak heeft getrokken inhoudelijk gezien ook steek houden, is een materieelrechtelijke kwestie, die niets te maken heeft met de nakoming van de motiveringsplicht als formeel vereiste.56.
iii) Tussenconclusie
106.
Gelet op een en ander is bij het onderzoek van de prejudiciële vragen in het licht van het begrip staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU en de motiveringsplicht van artikel 296, tweede alinea, VWEU niet gebleken van feiten of omstandigheden die afbreuk zouden kunnen doen aan de geldigheid van besluit 2014/686.
107.
Indien het Hof zich bij deze mening aansluit, is zijn oordeel op dit punt formeel gezien weliswaar niet bindend voor het Gerecht van de Europese Unie ten aanzien van de aldaar aanhangige zaken T-664/14 en T-711/14, maar het zal de facto beslist een niet te veronachtzamen precedent vormen voor de beslechting van die zaken. Het Gerecht behoudt dan evenwel nog steeds de mogelijkheid om besluit 2014/686 nietig te verklaren op andere, in de onderhavige prejudiciële procedure niet behandelde gronden.
b) Bestaan van nieuwe staatssteun (derde vraag)
108.
De derde vraag van de verwijzende rechter betreft, net als de tweede, het begrip nieuwe staatssteun in de zin van de artikelen 107, lid 1, VWEU en 108, lid 3, VWEU. De verwijzende rechter heeft deze vraag gesteld voor het geval dat de tweede vraag ontkennend zou worden beantwoord.
109.
Indien de tweede vraag op de door mij voorgestelde wijze57. wordt beantwoord, moet het Grondwettelijk Hof besluit 2014/686 als geldig beschouwen en dient de Arco-garantie, zoals de Commissie heeft aangegeven, als nieuwe staatssteun te worden behandeld. De derde vraag hoeft in dat geval dus niet te worden beantwoord.
c) Plichten die overeenkomstig artikel 108, lid 3, VWEU op de lidstaten rusten (vierde tot en met zesde vraag)
110.
Met zijn vierde, zijn vijfde en zijn zesde vraag, die samen kunnen worden behandeld, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een garantieregeling als die welke hier aan de orde is, in strijd is met artikel 108, lid 3, VWEU.
i) Plichten van de nationale instanties in het licht van de chronologie van de feiten
111.
De verwijzende rechter verzoekt met elk van deze vragen om de feiten van het hoofdgeding te onderzoeken vanuit een verschillend tijdsperspectief en zich met name te plaatsen op de verschillende tijdstippen waarop de nationale instanties bepaalde handelingen ter verwezenlijking van de litigieuze garantieregeling hebben verricht, gaande van de loutere aankondiging over de wettelijke machtiging bij artikel 36/24, § 1, eerste lid, 3o, van de wet op de Nationale Bank tot de concrete uitvoering bij koninklijk besluit. Uiteindelijk komt het er echter in elk van de drie betrokken vragen op aan of de Belgische Staat bij de uitvoering van deze garantieregeling artikel 108, lid 3, VWEU heeft geschonden.
112.
Artikel 108, lid 3, VWEU legt een dubbele verplichting op aan lidstaten die nieuwe staatssteun verlenen. Ten eerste zijn zij verplicht de Commissie tijdig op de hoogte te brengen van elk voornemen tot invoering of wijziging van staatssteun, opdat deze instelling haar opmerkingen zou kunnen maken (aanmeldingsplicht; zie artikel 108, lid 3, eerste volzin, VWEU). Ten tweede mogen zij de voorgenomen maatregelen niet tot uitvoering brengen voordat de Commissie een eindbeslissing heeft gegeven (uitvoeringsverbod of standstillverplichting; zie artikel 108, lid 3, derde volzin, VWEU). Beide verplichtingen vormen een concrete uitdrukking van de voorafgaande toetsing van nieuwe staatssteun door de Commissie, die van wezenlijk belang is om te kunnen garanderen dat de interne markt goed functioneert.58.
113.
In casu staat vast dat de litigieuze garantieregeling pas op 7 november 2011 bij de Commissie is aangemeld, met andere woorden op de dag waarop de drie financiële coöperaties van de Arco-groep bij koninklijk besluit formeel in het Belgische depositogarantiestelsel zijn opgenomen.
114.
Anders dan België meent, kan een zo late kennisgeving in geen geval worden aangemerkt als tijdig in de zin van artikel 108, lid 3, eerste volzin, VWEU.
115.
Het is best mogelijk dat het Belgische depositobeschermingsfonds tot op vandaag nog geen enkele effectieve betaling heeft verricht aan individuele aandeelhouders van erkende financiële coöperaties. Zoals de Commissie terecht benadrukt, wordt staatssteun niet pas geacht te zijn ‘ingevoerd’ of ‘tot uitvoering’ te zijn ‘gebracht’ en derhalve te zijn verleend in de zin van artikel 108, lid 3, VWEU, wanneer er daadwerkelijk staatsmiddelen of aan de staat toerekenbare middelen zijn uitgekeerd, maar is het voldoende dat de steun de mededinging op de interne markt vervalst of dreigt te vervalsen in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. Het uitvoeringsverbod beoogt immers te garanderen dat de effecten van een steunregeling niet intreden voordat de Commissie deze regeling — binnen een redelijke termijn — heeft kunnen toetsen en er een beslissing over heeft kunnen nemen.59.
116.
Wanneer een dergelijke mededingingsvervalsing in het onderhavige geval precies is ingetreden of dreigde in te treden, kan zonder grondig onderzoek niet worden vastgesteld. Gelet op de informatie die in de verwijzingsbeslissing aan het Hof is verstrekt, zijn er heel wat aanwijzingen — en valt hoe dan ook geenszins uit te sluiten — dat de Belgische Staat de voorgenomen steunmaatregel in zijn eerste regeringsmededeling van 10 oktober 2008 reeds voldoende concreet heeft aangekondigd en alleen reeds daardoor de mededingingsverhoudingen zeer aanzienlijk heeft beïnvloed.60. Gezien de onrust die op de markten heerste toen de in 2008 uitgebroken economische en financiële crisis op haar hoogtepunt was, zijn er heel wat redenen om aan te nemen dat deze regeringsmededeling tot doel had de aandeelhouders van financiële coöperaties als die van de Arco-groep gerust te stellen, en aldus de concurrentiepositie van deze ondernemingen versterkte, zoals de Commissie overigens in besluit 2014/686 heeft vastgesteld.61. Gelet op de impact die deze regeringsmededeling had op de markt, vertoonde zij dus gelijkenis met een garantie — hoewel zij uiteraard een andere rechtsvorm had.62.
117.
In het kader van de onderhavige procedure hoeft uiteindelijk niet te worden uitgemaakt of de staatssteun reeds is verleend bij de eerste bekendmaking ervan bij de regeringsmededeling van 10 oktober 2008, dan wel pas bij het koninklijk besluit van 7 november 2011 of op een van de door de verwijzende rechter genoemde dagen tussen die twee data. Zoals de Commissie in besluit 2014/686 terecht heeft beklemtoond63., moeten de aankondiging van de garantieregeling en de verschillende juridische stappen ter realisatie ervan immers als een eenheid worden beschouwd64.. Ten laatste bij het koninklijk besluit van 7 november 2011 hebben de begunstigden van de litigieuze garantieregeling het recht verworven om in het nationale depositogarantiestelsel te worden opgenomen, zodat de staatssteun zich dan niet meer in een ontwerpstadium bevond65., maar moest worden aangemerkt als toegekend66. en derhalve als ‘ingevoerd’ of ‘tot uitvoering gebracht’ in de zin van artikel 108, lid 3, VWEU.
118.
De kennisgeving van de garantieregeling aan de Commissie, die precies op diezelfde dag (7 november 2011) is gebeurd, kwam dus in ieder geval te laat. Zij vond immers niet lang genoeg vóór de geplande invoering van de garantieregeling plaats, maar in het beste geval gelijktijdig met deze invoering, zodat het beginsel van de voorafgaande toetsing door de Commissie niet in acht is genomen.67. Zelfs indien wordt aangenomen dat bepaalde maatregelen ter beheersing van de economische en financiële crisis van 2008 zeer urgent waren, dan nog was er tussen 2008 en 2011 zonder twijfel voldoende gelegenheid om het steunvoornemen tijdig bij de Commissie aan te melden.
119.
Door pas op 7 november 2011 kennis te geven van de litigieuze garantieregeling, is België uiteindelijk dus niet alleen tekortgeschoten in de krachtens artikel 108, lid 3, eerste volzin, VWEU op hem rustende aanmeldingsplicht, maar heeft het ook het uitvoeringsverbod van artikel 108, lid 3, derde volzin, VWEU geschonden. Bijgevolg heeft het onrechtmatige staatssteun verleend.
ii) Specifieke toetsing van de geldigheid van besluit 2014/686 aan artikel 108, lid 3, VWEU (vierde prejudiciële vraag)
120.
Volledigheidshalve moet in verband met artikel 108, lid 3, VWEU nog een ander aspect worden belicht dat de verwijzende rechter met zijn vierde vraag aan de orde stelt: het Hof wordt verzocht te verduidelijken of de Commissie zich in haar besluit 2014/686 heeft vergist wat het tijdstip betreft waarop de bij de litigieuze garantieregeling verleende staatssteun tot uitvoering is gebracht.
121.
Deze vraag wordt slechts gesteld voor het geval dat de tweede vraag bevestigend zou worden beantwoord. Indien het Hof de tweede vraag beantwoordt zoals ik voorstel68., namelijk in die zin dat besluit 2014/686 niet in strijd is met artikel 107, lid 1, VWEU of artikel 296, tweede alinea, VWEU, moet het in het kader van de vierde vraag de geldigheid van besluit 2014/686 toetsen aan artikel 108, lid 3, VWEU.
122.
Het Grondwettelijk Hof stelt deze vraag blijkbaar omdat het van oordeel is dat uit besluit 2014/686, waarin de Commissie uitdrukkelijk vaststelt dat België artikel 108, lid 3, VWEU heeft geschonden69., niet geheel duidelijk blijkt welk tijdstip de Commissie in aanmerking heeft genomen als moment van tenuitvoerlegging van de staatssteun. Het Grondwettelijk Hof lijkt zich af te vragen of de staatssteun volgens de Commissie vóór dan wel ná de vaststelling van artikel 36/24 van de wet op de Nationale Bank tot uitvoering is gebracht. De twee data die het Grondwettelijk Hof in de vierde vraag vermeldt, hebben immers precies daarop betrekking: op 3 maart 2011 is artikel 36/24 bij koninklijk besluit ingevoegd in de wet op de Nationale Bank, en op 1 april 2011 is dat nieuwe voorschrift in werking getreden.
123.
In overweging 110, derde volzin, van besluit 2014/686 zet de Commissie uiteen dat alle criteria om van staatssteun te kunnen spreken ‘ten laatste aanwezig [waren] wanneer het koninklijk besluit van 10 oktober 2011 [werd] aangenomen’. Zij voegt eraan toe: ‘[H]et voordeel gecreëerd door de maatregel bestond [echter] al op het ogenblik dat de Belgische regering op 10 oktober 2008 aankondigde dat de maatregel gecreëerd zou worden.’
124.
Het is juist dat uit deze formulering op zich niet eenduidig blijkt of de litigieuze garantieregeling volgens de Commissie reeds op 10 oktober 2008 dan wel pas op 10 oktober 2011 moest worden geacht te zijn ‘ingevoerd’ of ‘tot uitvoering’ te zijn ‘gebracht’ in de zin van artikel 108, lid 3, VWEU. De formulering van besluit 2014/686 blinkt op dat punt niet uit in duidelijkheid, al doet de verwijzing naar een sinds de eerste aankondiging bestaand ‘voordeel’ veeleer vermoeden dat de Commissie de vroegste van de twee data — te weten 10 oktober 2008 — als basis neemt.
125.
In het kader van de onderhavige prejudiciële procedure hoeft evenwel geen antwoord te worden gegeven op de vraag of de Commissie in haar besluit de vroegere dan wel de latere datum als referentiepunt beschouwde. De door de Commissie in overweging 143 van besluit 2014/686 gedane vaststelling dat ‘België [de litigieuze garantieregeling] in strijd met artikel 108, lid 3, [VWEU] onrechtmatig ten uitvoer heeft gelegd’ is immers hoe dan ook correct, ongeacht of de staatssteun vroeger dan wel later moest worden geacht te zijn ‘ingevoerd’ of ‘tot uitvoering’ te zijn ‘gebracht’ in de zin van artikel 108, lid 3, VWEU. Van doorslaggevend belang is dat de steun hoe dan ook reeds ten uitvoer was gelegd op het ogenblik waarop hij bij de Commissie werd aangemeld (7 november 2011), zodat deze aanmelding geenszins als tijdig kon worden aangemerkt en de staatssteun reeds om die reden onrechtmatig moet worden geacht.
126.
Bijgevolg zijn ook bij het onderzoek van de vierde prejudiciële vraag geen feiten of omstandigheden aan het licht gekomen die erop wijzen dat de Commissie blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de toepassing van artikel 108, lid 3, VWEU, en die aldus afbreuk kunnen doen aan de geldigheid van besluit 2014/686.
iii) Tussenconclusie
127.
Gelet op het bovenstaande moet op de tweede tot en met de zesde prejudiciële vraag worden geantwoord dat een garantieregeling als de litigieuze Belgische regeling nieuwe staatssteun vormt. Indien een dergelijke maatregel niet voldoende lang voordat de daarmee gepaard gaande vervalsing van de mededinging op de interne markt intreedt of dreigt in te treden, bij de Commissie wordt aangemeld, moet hij worden geacht onrechtmatig tot uitvoering te zijn gebracht in de zin van artikel 108, lid 3, VWEU.
VI — Conclusie
128.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van het Belgische Grondwettelijk Hof als volgt te beantwoorden:
- ‘1)
Richtlijn 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels moet aldus worden uitgelegd dat zij de lidstaten niet verplicht maar ook niet verbiedt om hun nationale depositogarantiestelsel ook te laten gelden voor de aandelen die natuurlijke personen aanhouden in erkende financiële coöperaties als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, voor zover daardoor niet wordt afgedaan aan de nuttige werking van de depositogarantie en geen inbreuk wordt gemaakt op andere Unierechtelijke voorschriften.
- 2)
Bij het onderzoek van de prejudiciële vragen is niet gebleken van feiten of omstandigheden die afbreuk zouden kunnen doen aan de geldigheid van besluit 2014/686/EU van de Commissie van 3 juli 2014 betreffende steunmaatregel SA.33927 (12/C) (ex 11/NN), door België ten uitvoer gelegd — Garantieregeling ter bescherming van de aandelen van individuele leden van financiële coöperaties.
- 3)
Een garantieregeling als die welke krachtens artikel 36/24, § 1, eerste lid, 3o, van de Belgische wet op de Nationale Bank mag worden ingesteld, levert nieuwe staatssteun op. Indien een dergelijke garantieregeling niet voldoende lang voordat de daarmee gepaard gaande vervalsing van de mededinging op de interne markt intreedt of dreigt in te treden, bij de Commissie wordt aangemeld, moet zij worden geacht onrechtmatig tot uitvoering te zijn gebracht in de zin van artikel 108, lid 3, VWEU.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 02‑06‑2016
Arresten Pringle (C-370/12, EU:C:2012:756) en Gauweiler e.a. (C-62/14, EU:C:2015:400).
Hierna worden — in aansluiting op de terminologie die de Europese Commissie in deze zaak heeft gebezigd — ook de termen ‘particulieren’ en ‘individuele aandeelhouders’ gebruikt.
De Arco-groep bestaat uit verschillende coöperaties, die in de jaren dertig van de twintigste eeuw zijn ontstaan in de schoot van de Belgische christelijke werknemersbeweging en meer bepaald van het Algemeen Christelijk Werknemersverbond (ACW) en de Mouvement Ouvrier Chrétien (MOC). Uit de informatie die Arco aan het Hof van Justitie heeft verstrekt, blijkt dat vandaag ongeveer 7 % van de Belgische bevolking aandeelhouder is van een financiële coöperatie van de Arco-groep en dat de aandelen van deze coöperaties voor 99 % in handen zijn van particulieren. In dezelfde zin geeft de verwijzende rechter aan dat er ongeveer 800 000 natuurlijke personen bij deze kwestie betrokken zijn. Sinds eind 2011 zijn de drie financiële coöperaties van de Arco-groep, te weten Arcopar, Arcofin en Arcoplus, in vereffening.
Besluit van de Commissie van 3 juli 2014 betreffende steunmaatregel SA.33927 (12/C) (ex 11/NN), door België ten uitvoer gelegd — Garantieregeling ter bescherming van de aandelen van individuele leden van financiële coöperaties [Kennisgeving geschied onder nummer C(2014) 1021] (PB 2014, L 284, blz. 53).
Zaken België/Commissie (T-664/14) en Arcofin e.a./Commissie (T-711/14).
Richtlijn 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels (PB 1994, L 135, blz. 5).
Richtlijn 94/19 is inmiddels ingetrokken en vervangen door een nieuwe, herschikte tekst, die evenwel pas op 4 juli 2019 in werking zal treden (zie artikel 21 van richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake de depositogarantiestelsels; PB 2014, L 173, blz. 149). Bijgevolg is op het onderhavige geval nog steeds enkel richtlijn 94/19 van toepassing.
Artikel 36/24 van de wet op de Nationale Bank is ingevoegd bij artikel 195 van het voornoemde koninklijk besluit. Dit koninklijk besluit heeft kracht van wet, aangezien het door artikel 298 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles is bekrachtigd, en wel met terugwerkende kracht tot op de datum waarop het in werking is getreden.
Een inhoudelijk in wezen identieke voorloper van sommige van de aangehaalde bepalingen van artikel 36/24, § 1, van de wet op de Nationale Bank bestond al sinds 2009. Deze regels waren oorspronkelijk neergelegd in artikel 117bis van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, en nadien in artikel 105 van diezelfde wet.
Het ging meer bepaald om een persmededeling van de minister van Financiën van 10 oktober 2008 en om een persmededeling van de eerste minister en de minister van Financiën van 21 januari 2009.
Overweging 1 van besluit 2014/686.
Arrest nr. 15/2015, te raadplegen op de website van het Belgische Grondwettelijk Hof: http://www.const-court.be/nl/common/home.html (laatst bezocht op 22 maart 2016).
Arrest Gauweiler e.a. (C-62/14, EU:C:2015:400, punt 25); zie ook arresten British American Tobacco (Investments) en Imperial Tobacco (C-491/01, EU:C:2002:741, punten 34 en 35), Afton Chemical (C-343/09, EU:C:2010:419, punten 13 en 14) en Association Kokopelli (C-59/11, EU:C:2012:447, punten 28 en 29); zie, wat het vermoeden van relevantie betreft, ook reeds arrest Beck en Bergdorf (C-355/97, EU:C:1999:391, punt 22).
Arresten Akzo Nobel Chemicals en Akcros Chemicals/Commissie (C-550/07 P, EU:C:2010:512, punt 54) en Sky Italia (C-234/12, EU:C:2013:496, punt 15); zie in dezelfde zin reeds arrest Ruckdeschel e.a. (117/76 en 16/77, EU:C:1977:160, punt 7).
Arresten Arcelor Atlantique et Lorraine e.a. (C-127/07, EU:C:2008:728, punt 23), S.P.C.M. e.a. (C-558/07, EU:C:2009:430, punt 74), Akzo Nobel Chemicals en Akcros Chemicals/Commissie (C-550/07 P, EU:C:2010:512, punt 55), Sky Italia (C-234/12, EU:C:2013:496, punt 15) en P en S (C-579/13, EU:C:2015:369, punt 41).
Zie in het bijzonder de punten 40–42 en 45 van deze conclusie.
Zie de punten 40–42 van deze conclusie.
Zie punt 45 van deze conclusie.
Zie in die zin de achtste, de zestiende en de zeventiende overweging van richtlijn 94/19.
Zie de eerste overweging van richtlijn 94/19.
Zoals uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt, was de deelname van de financiële coöperaties aan het depositogarantiestelsel vrijwillig, en kwamen enkel houders van aandelen die waren uitgegeven vóór 2011 — dus vóór de opneming ervan in het garantiestelsel — in aanmerking voor de bescherming.
Zie in dat verband mijn toelichting betreffende de tweede tot en met de zesde prejudiciële vraag in de punten 62–127 van deze conclusie.
Zie met betrekking tot de gebondenheid van de nationale rechterlijke instanties aan de besluiten van de Commissie op het gebied van staatssteunregels arrest Deutsche Lufthansa (C-284/12, EU:C:2013:755, in het bijzonder punt 41, laatste volzin) en beschikking Flughafen Lübeck (C-27/13, EU:C:2014:240, in het bijzonder punt 24, laatste volzin); zie in dezelfde zin arrest Masterfoods en HB (C-344/98, EU:C:2000:689, punten 49–52), waar deze kwestie werd bekeken vanuit het oogpunt van het kartelrecht van de Unie (thans de artikelen 101 VWEU en 102 VWEU).
Aanhangige zaak Arcofin e.a./Commissie (T-711/14); zie ook de aanhangige zaak België/Commissie (T-664/14).
Om die reden heeft de Zesde kamer van het Gerecht in oktober 2015 besloten de behandeling van de zaken T-664/14 en T-711/14 te schorsen totdat het Hof in de onderhavige zaak een beslissing heeft genomen.
Arresten Altmark Trans en Regierungspräsidium Magdeburg (C-280/00, EU:C:2003:415, punt 74), Commissie/Deutsche Post (C-399/08 P, EU:C:2010:481, punt 38), Libert e.a. (C-197/11 en C-203/11, EU:C:2013:288, punt 74), Banco Privado Português en Massa Insolvente do Banco Privado Português (C-667/13, EU:C:2015:151, punt 45) en BVVG (C-39/14, EU:C:2015:470, punt 23).
Arresten Altmark Trans en Regierungspräsidium Magdeburg (C-280/00, EU:C:2003:415, punt 75), Libert e.a. (C-197/11 en C-203/11, EU:C:2013:288, punt 74), BVVG (C-39/14, EU:C:2015:470, punt 24) en EasyPay en Finance Engineering (C-185/14, EU:C:2015:716, punt 35).
Arresten Heiser (C-172/03, EU:C:2005:130, punt 46), France Télécom/Commissie (C-81/10 P, EU:C:2011:811, punt 17) en BVVG (C-39/14, EU:C:2015:470, punt 52); zie ook arrest Bouygues en Bouygues Télécom/Commissie (C-399/10 P en C-401/10 P, EU:C:2013:175, punt 102).
Volgens de verwijzingsbeslissing wordt in het hoofdgeding daarentegen niet betwist dat de litigieuze garantieregeling toe te rekenen is aan de staat en een inzet van staatsmiddelen impliceert (eerste voorwaarde van artikel 107, lid 1, VWEU).
Arresten Altmark Trans en Regierungspräsidium Magdeburg (C-280/00, EU:C:2003:415, punt 84), Libert e.a. (C-197/11 en C-203/11, EU:C:2013:288, punt 83) en Frankrijk/Commissie (C-559/12 P, EU:C:2014:217, punt 94); zie in dezelfde zin reeds arrest Costa/ENEL (6/64, EU:C:1964:66, blz. 1221).
Zie in dit verband ook overweging 100 van besluit 2014/686 (‘[…] In het geval van deze maatregel [werd Arco] daarmee geholpen om [haar] bestaande kapitaal te behouden en bestaande vennoten van de coöperatieve vennootschap te overtuigen niet uit die financiële coöperaties te treden […], hetgeen een bijzonder belangrijk voordeel was in een nerveuze markt, die zo kenmerkend was voor de periode kort na het faillissement van Lehman Brothers. […]’). Ik voeg hier nog aan toe dat de naar Belgisch recht bestaande mogelijkheid de uittreding van coöperanten te beperken (namelijk tot jaarlijks 10 % van het kapitaal van de coöperatie) niet afdoet aan de vaststelling dat Arco door de garantieregeling is bevoordeeld; hoogstens wordt hierdoor de omvang van het door Arco ontvangen voordeel begrensd.
Arrest Eventech (C-518/13, EU:C:2015:9, punt 54).
Arresten Heiser (C-172/03, EU:C:2005:130, punt 40) en Eventech (C-518/13, EU:C:2015:9, punt 55); zie in dezelfde zin reeds arrest Adria-Wien Pipeline en Wietersdorfer & Peggauer Zementwerke (C-143/99, EU:C:2001:598, punt 41).
Zie inzonderheid overweging 101, eerste volzin, van besluit 2014/686.
Zie hierboven, in het bijzonder de punten 40–42 van deze conclusie.
Zie punt 45 van deze conclusie.
Arrest Paint Graphos (C-78/08–C-80/08, EU:C:2011:550).
Arrest Paint Graphos (C-78/08–C-80/08, EU:C:2011:550, inzonderheid punt 49; zie ook punt 65); in de rechtspraak van het Hof zijn daarnaast nog zeer veel soortgelijke uitspraken te vinden: zie bijvoorbeeld arresten Adria-Wien Pipeline en Wietersdorfer & Peggauer Zementwerke (C-143/99, EU:C:2001:598, punten 41 en 42), Portugal/Commissie (C-88/03, EU:C:2006:511, punten 54 en 56), Commissie/Government of Gibraltar en Verenigd Koninkrijk (C-106/09 P en C-107/09 P, EU:C:2011:732, punten 73 en 75) en P (C-6/12, EU:C:2013:525, punt 22).
Ook het Hof heeft in het arrest Paint Graphos (C-78/08–C-80/08, EU:C:2011:550, punt 61) ten volle erkend dat coöperatieve vennootschappen ‘specifieke kenmerken’ hebben. Anders dan Arco stelt, mag die opmerking echter niet aldus worden opgevat dat coöperatieve vennootschappen zich altijd, zonder uitzondering, in een andere situatie bevinden dan handelsvennootschappen. Doorslaggevend is namelijk steeds of de marktdeelnemers ‘zich, gelet op het doel van de betrokken maatregel, in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden’ (zie in dit verband nogmaals de in voetnoot 39 aangehaalde rechtspraak).
Zie in dit verband nogmaals de hierboven in voetnoot 39 aangehaalde rechtspraak.
Zie in het bijzonder de punten 40–42, 45, 80 en 84–88 van deze conclusie.
Arresten Cassa di Risparmio di Firenze e.a. (C-222/04, EU:C:2006:8, punt 140), Libert e.a. (C-197/11 en C-203/11, EU:C:2013:288, punt 76), Eventech (C-518/13, EU:C:2015:9, punt 65) en Banco Privado Português en Massa Insolvente do Banco Privado Português (C-667/13, EU:C:2015:151, punten 46 en 49).
Zie overweging 108 van besluit 2014/686.
Arresten Cassa di Risparmio di Firenze e.a. (C-222/04, EU:C:2006:8, punten 141–143), Libert e.a. (C-197/11 en C-203/11, EU:C:2013:288, punten 77 en 78) en Banco Privado Português en Massa Insolvente do Banco Privado Português (C-667/13, EU:C:2015:151, punt 51).
Zie in die zin — specifiek inzake de ongunste beïnvloeding van de handel tussen de lidstaten — arresten België/Commissie (C-142/87, EU:C:1990:125, punt 43), Altmark Trans en Regierungspräsidium Magdeburg (C-280/00, EU:C:2003:415, punt 81) en Eventech (C-518/13, EU:C:2015:9, punt 81).
Zie overweging 110 van besluit 2014/686.
Zie met betrekking tot deze vier voorwaarden de punten 68 en 69 van deze conclusie.
Arrest Banco Privado Português en Massa Insolvente do Banco Privado Português (C-667/13, EU:C:2015:151, punt 45).
Zie de overwegingen 91–110 van besluit 2014/686.
Arresten Commissie/Sytraval en Brink's France (C-367/95 P, EU:C:1998:154, punt 63), Italië/Commissie (C-66/02, EU:C:2005:768, punt 26), Banco Privado Português en Massa Insolvente do Banco Privado Português (C-667/13, EU:C:2015:151, punt 44) en Dole Food en Dole Fresh Fruit Europe/Commissie (C-286/13 P, EU:C:2015:184, punten 93 en 94).
Arresten Commissie/Sytraval en Brink's France (C-367/95 P, EU:C:1998:154, punt 63), Italië/Commissie (C-66/02, EU:C:2005:768, punt 26) en Dole Food en Dole Fresh Fruit Europe/Commissie (C-286/13 P, EU:C:2015:184, punten 93 en 94).
Zie in dit verband de overwegingen 55–57 van besluit 2014/686.
Arresten Duitsland/Commissie (C-156/98, EU:C:2000:467), Nederland/Commissie (C-382/99, EU:C:2002:363) en Associazione italiana del risparmio gestito en Fineco Asset Management/Commissie (T-445/05, EU:T:2009:50).
Zie in dit verband overweging 100 van besluit 2014/686.
Arresten Italië/Commissie (C-66/02, EU:C:2005:768, punten 26 en 55), Régie Networks (C-333/07, EU:C:2008:764, punt 71), Commissie/Italië en Wam (C-494/06 P, EU:C:2009:272, punt 33), Gascogne Sack Deutschland/Commissie (C-40/12 P, EU:C:2013:768, punt 46) en Total/Commissie (C-597/13 P, EU:C:2015:613, punt 18).
Zie in dit verband punt 106 van deze conclusie.
Arresten Frankrijk/Commissie (C-301/87, EU:C:1990:67, punt 17), Centre d'exportation du livre français (C-199/06, EU:C:2008:79, punten 36 en 37), Deutsche Lufthansa (C-284/12, EU:C:2013:755, punten 25 en 26) en Klausner Holz Niedersachsen (C-505/14, EU:C:2015:742, punten 18 en 19).
Arresten Frankrijk/Commissie (C-301/87, EU:C:1990:67, punt 17), Centre d'exportation du livre français (C-199/06, EU:C:2008:79, punt 36) en Banco Privado Português en Massa Insolvente do Banco Privado Português (C-667/13, EU:C:2015:151, punt 57).
Dat persmededelingen of zelfs mondelinge verklaringen van autoriteiten en overheidsinstanties van erg groot belang kunnen zijn voor de ontwikkelingen op de financiële markten, heeft het Hof in andere contexten reeds kunnen vaststellen; zie bijvoorbeeld arresten Bouygues en Bouygues Télécom/Commissie (C-399/10 P en C-401/10 P, EU:C:2013:175, inzonderheid de punten 131 en 132) en Gauweiler e.a. (C-62/14, EU:C:2015:400).
Zie de overwegingen 100 en 108 van besluit 2014/686.
Zie met betrekking tot de kwalificatie van een garantie als voordeel in de zin van de staatssteunregels arresten Residex Capital IV (C-275/10, EU:C:2011:814, punt 39) en Frankrijk/Commissie (C-559/12 P, EU:C:2014:217, punt 96).
Zie de overwegingen 85–90 van besluit 2014/686.
Zie met betrekking tot de mogelijkheid om verschillende opeenvolgende maatregelen van de staat als één enkele maatregel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU te beschouwen, arrest Bouygues en Bouygues Télécom/Commissie (C-399/10 P en C-401/10 P, EU:C:2013:175, punten 103 en 104).
Zie in dit verband arresten Waterleiding Maatschappij/Commissie (T-188/95, EU:T:1998:217, punt 118) en ThyssenKrupp Acciai Speciali Terni/Commissie (T-62/08, EU:T:2010:268, punt 235).
Zie in die zin arresten Magdeburger Mühlenwerke (C-129/12, EU:C:2013:200, punt 40) en Diputación Foral de Álava e.a./Commissie (T-227/01–T-229/01, T-265/01, T-266/01 en T-270/01, EU:T:2009:315, punt 172).
Zie in die zin arrest Commissie/Italië (169/82, EU:C:1984:126, punt 11), waarin het Hof heeft vastgesteld dat de Italiaanse Republiek was tekortgeschoten in de verplichtingen die krachtens artikel 93, lid 3, EEG-Verdrag (thans artikel 108, lid 3, VWEU) op haar rustten, aangezien zij de in die zaak aan de orde zijnde wetten pas ter kennis van de Commissie had gebracht toen deze reeds waren vastgesteld. Zie ook arrest ThyssenKrupp Acciai Speciali Terni/Commissie (T-62/08, EU:T:2010:268, punten 235 en 236).
Zie in dit verband mijn uiteenzetting betreffende de tweede vraag in de punten 64–106 van deze conclusie.
Zie overweging 143 van besluit 2014/686.