Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/4.6.3
4.6.3 Beoordeling sfeerovergangen
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS455350:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Nader rapport Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. B, blz. 9-10 en de nota naar aanleiding van het verslag Tweede Kamer. Kamerstuknr. 24 761, nr. 7, blz. 13.
Nader rapport Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. B, blz. 8-9.
Voor schuldvorderingen die tot een aanmerkelijk belang gaan behoren, gaat deze 'compensa-tie'-redenering in elk geval niet op. aangezien de reguliere rente belast blijft op grond van de bron 'inkomsten uit vermogen' naar het tabeltarief van maximaal 60%. Belastingheffing over het vervreemdingsvoordeel van aanmerkelijkbelangschuldvorderingen komt hier dan als extra belastingdruk bij.
Schematisch kan de afbakening tussen de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' en de bron 'inkomsten uit vermogen' in het nieuwe systeem als volgt worden weergegeven:
geen aanmerkelijk belang
aanmerkelijk belang
geen aanmerkelijk belang
hist.verkr.prijs max. w.e.v.
fictieve vervreemding doorschuif (fictief a.b.)
Uit bovenvermeld schema blijkt dat op het moment dat aan de criteria voor een aanmerkelijk belang wordt voldaan, de historische kostprijs van de reeds in bezit zijnde aandelen en winstbewijzen wordt aangemerkt als verkrijgingsprijs. Waardestijgingen die hebben plaatsgevonden vóórdat sprake was van een aanmerkelijk belang - en tot die tijd nog onbelast konden worden gerealiseerd - raken aldus in één klap beclaimd. In de memorie van toelichting wordt dit gemotiveerd vanuit de gedachte dat, zou de waarde in het economische verkeer van de aandelen op het moment dat de aandelen tot een aanmerkelijk belang gaan behoren als verkrijgingsprijs in aanmerking worden genomen, de dividendclaim van de fiscus onmiddellijk zou zijn verdwenen.1 Totdat sprake is van een aanmerkelijk belang zijn de winstreserves in de vennootschap op grond van het objectieve systeem immers beclaimd met maximaal 60% inkomstenbelasting. Voorts wordt deze belastingheffing over winsten uit de periode waarin nog geen sprake was van een aanmerkelijk belang met een soort 'compen-satie'-theorie gemotiveerd door erop te wijzen dat vóórdat sprake is van een aanmerkelijk belang de dividenden weliswaar beclaimd zijn met maximaal 60%> inkomstenbelasting, maar daar staat tegenover dat de vermogenswinsten onbelast blijven. Nadat de aandelen tot een aanmerkelijk belang zijn gaan behoren, zijn zowel de dividenden als de vermogenswinsten beclaimd met 25% inkomstenbelasting.2 Zoals gezegd, geldt dit dus ook voor de dividenden die materieel zijn toe te rekenen aan de periode waarin de aandelen en winstbewijzen (nog) niet tot een aanmerkelijk belang behoorden en dus met maximaal 60% inkomstenbelasting waren beclaimd. Dit verlies aan belastingclaim over de dividenden wordt dan gecompenseerd met belastingheffing over de (latente) winsten die zijn ontstaan toen (nog) geen sprake was van een aanmerkelijk belang. Het ene nadeel - belastingheffing over de vermogenswinsten ^- heft het andere nadeel - een inkomstenbelastingclaim van maximaal 60%n over de dividenden - weer op.3
Kan voor deze opvatting nog begrip worden opgebracht, zodat aldus terecht niet wordt uitgegaan van de waarde in het economische verkeer van de aandelen op het moment dat de aandelen tot een aanmerkelijk belang gaan behoren, kennelijk is deze opvatting niet langer valide zodra geen sprake meer is van een aanmerkelijk belang. Op het moment waarop niet langer aan de aan-merkelijkbelangkwalificaties wordt voldaan, dient de latente aanmerkelijkbe-langclaim immers te worden afgerekend op basis van art. 20a, zesde lid, onderdeel h, Wet IB. Weliswaar kan de daadwerkelijke afrekening op grond van art. 20e Wet IB worden doorgeschoven naar het moment van daadwerkelijke vervreemding van de ex-aanmerkelijkbelangaandelen en -winstbewijzen, maar ooit zal deze (latente) aanmerkelijkbelangwinst moeten worden afgerekend (tenzij de aanmerkelijkbelangaandelen en -winstbewijzen nadien in waarde dalen tot (minder dan de) verkrijgingsprijs). De vraag rijst waarom, gelet op hetgeen op goede gronden geldt als de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen tot een aanmerkelijk belang gaan behoren, deze zelfde 'compensatie'-redenering niet langer opgaat als de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen niet langer tot een aanmerkelijk belang behoren. Als de aanmerkelijkbelangaandelen niet langer tot een aanmerkelijk belang behoren, dan wordt toch ook de 25%-heffing over zowel de dividenduitkeringen als de vermogenswinsten ingeruild voor een maximale 60%-heffing over de dividenduitkeringen en geen belastingheffing over de vermogenswinsten. Ook nu wordt het ene nadeel, t.w. heffing van maximaal 60% over de dividenduitkeringen, gecompenseerd door opheffing van het andere nadeel, t.w. belastingheffing over vermogenswinsten. Als dit bij binnenkomst in de aanmerkelijkbelangregeling een valide argument is om voor de vaststelling van de verkrijgingsprijs niet uit te gaan van de waarde in het economische verkeer van de aandelen maar van de historische kostprijs, waarom geldt dit argument dan niet langer als de aanmerkelijkbelangregeling wordt verlaten? Het systeem zoals dat er nu ligt, werkt eenzijdig in het voordeel van de fiscus uit:
• bij binnenkomst in de aanmerkelijkbelangregeling worden alle latente aan-merkelijkbelangwinsten onmiddellijk met 25% inkomstenbelasting beclaimd;
• bij het verlaten van de aanmerkelijkbelangregeling moeten alle latente aan-merkelijkbelangwinsten in beginsel worden afgerekend; doorschuiving van deze claim is mogelijk, maar leidt nimmer tot afstel van belastingheffing.
Voorts leidt de verplichte afrekening bij het verlaten van de aanmerkelijkbelangregeling tot dubbele belastingheffing, waarvoor in het nieuwe regime geen enkele anticumulatie wordt geboden. Worden immers na de aanmerkelijkbe-langperiode dividenden uitgekeerd die stammen uit de periode waarin nog sprake was van een aanmerkelijk belang, dan zijn deze dividenden op de gebruikelijke wijze tegen het normale tabeltarief belast. De winstreserves waaruit deze dividenduitkeringen stammen, zijn echter ook reeds verwerkt in de waarde in het economische verkeer (overdrachtsprijs) van de aandelen en winstbewijzen op basis waarvan de afrekening van de aanmerkelijkbelangclaim is vastgesteld (art. 20a, zesde lid, onderdeel h, Wet IB). Weliswaar daalt door een dividenduitkering in beginsel deze vastgestelde latente aanmerkelijkbelangwinst, maar deze daling van de aanmerkelijkbelangwinst kan nadien weer worden ingelopen door nieuwe winsten behaald door de vennootschap, welke winsten nu juist uit een periode stammen waarin geen sprake is van een aanmerkelijk belang en dus onbelast behoren te blijven. Dubbele belastingheffing is het gevolg, waarvoor geen adequate tegemoetkoming wordt geboden.
De kritiek op de wettelijke regeling van de sfeerovergangen wordt nog versterkt als de regeling inzake de (latente) aanmerkelijkbelangverliezen in ogenschouw wordt genomen. Deze sfeerovergangsregeling in geval van aanmerkelijkbelangverliezen ziet er als volgt uit:
• bij binnenkomst in de aanmerkelijkbelangregeling kunnen eventuele latente aanmerkelijkbelangverliezen niet (tegen 25%) in mindering op het inkomen worden gebracht. Tot het bedrag van de (historische) verkrijgingsprijs wordt ook geen winst uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen (art. 20c, vijfde lid, eerste volzin, Wet IB);
• bij het verlaten van de aanmerkelijkbelangregeling is onduidelijk of eventuele (latente) aanmerkelijkbelangverliezen door de werking van art. 20c, zesde lid, Wet IB steeds en in alle gevallen in mindering op het inkomen kunnen worden gebracht.
Dit betekent dat op het moment waarop de aandelen tot een aanmerkelijk belang gaan behoren dan wel hun aanmerkelijkbelangkwalificatie verliezen, aanwezige latente aanmerkelijkbelangverliezen nimmer ten laste van het inkomen kunnen worden gebracht dan wel is dit vooralsnog onduidelijk. Omgekeerd echter moeten op beide momenten bestaande latente aanmerkelijkbelangwin-sten wel ooit tot het inkomen worden gerekend.
Het geheel overziende lijkt mij het nieuwe per 1 januari 1997 geldende systeem onvoldoende evenwichtig uitgewerkt. Het is van tweeën één: óf er wordt uitgegaan van de waarde in het economische verkeer bij binnenkomst van de aanmerkelijkbelangregeling met daaraan gekoppeld een fictieve afrekening bij het verlaten van het aanmerkelijk belang, óf er wordt niet uitgegaan van de waarde in het economische verkeer bij binnenkomst in de aanmerkelijkbelangregeling maar dan ook geen fictieve afrekening bij het verlaten van het aanmerkelijk belang. Voorts dient de regeling inzake aanmerkelijkbelangverliezen evenwichtiger te worden uitgewerkt. Het nu tot stand gebrachte systeem is mijns inziens onevenwichtig en werkt eenzijdig uit ten gunste van de fiscus (zie uitgebreider hoofdstuk 14, onderdeel 14.2.2).