Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/2.3.2
2.3.2 De zelfstandigheidsgedachte
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS298358:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Nj. Polak, ‘Winstbelasting van naamlooze vennootschappen en daarmede in verband staande vraagstukken’, Bijlage tot de NV van februari 1940, p. 2/3.
M.L.M. van Kempen, Rechtspersoonlijkheid en belastingplicht van vennootschappen, Deventer: W.Ej. Tjeenk Willink 1999, p. 80/81.
In deze zin J.E.A.M. van Dijck, ‘Algemene belastingherziening’, TVVS 1962, p. 289.
Nj. Polak, ‘Winstbelasting van naamlooze vennootschappen en daarmede in verband staande vraagstukken’, Bijlage tot de NV van februari 1940, p. 2/3.
Hj. Hofstra, WFR, 1962/4594, p. 173.
D.A.M. Meeles, ‘Moet de vennootschapsbelasting worden afgeschaft?’, in: Quod licet Jovi (Brüll-bundel), Deventer: Uitgeverij Fed b.v. 1983, p. 34.
J.E.A.M. van Dijck, ‘Algemene belastingherziening’, TVVS 1962, p. 289.
In zijn Inleiding tot het Nederlands belastingrecht verdedigde Hofstra de niet-aftrekbaarheid van primair dividend vervolgens met het argument dat de vennootschapsbelasting erover kan worden afgewenteld. Hj. Hofstra, Inleiding tot het Nederlands belastingrecht, Fiscale Hand- en Studieboeken nr. 1, Deventer: Kluwer 1992, p. 134 (zevende druk). In de achtste druk neemt bewerker Niessen echter afstand van de stellingname van Hofstra: Hj. Hofstra, R.E.C.M. Niessen, Inleiding tot het Nederlands belastingrecht, Fiscale Hand- en Studieboeken nr. 1, Deventer: Kluwer 2002, p. 118.
J. Verburg, Vennootschapsbelasting, Deventer: Kluwer 2000, p. 9 (tweede geheel herziene druk).
P. A. Harris, Corporate/Shareholder Income Taxation, Amsterdam: IBFD Publications 2000, p. 118/119.
Vergelijk D. Brüll, Objectieve en subjectieve aspecten van het fiscale winstbegrip (diss. UvA), Amsterdam: N.V. Uitgeverij Fed 1964, p. 261.
Polak zag de economische zelfstandigheid van de NV reeds in 1939 als rechtsgrond van de vennootschapsbelasting: ‘De naamloze vennootschap bestaat meer en meer om zichzelfs wil, voor eigen instandhouding en voor eigen expansie, vrij van haar aandeelhouders, die meer en meer de eigenschappen van geldschieters aannemen. (...) Deze economische zelfstandigheid, deze emancipatie van de naamloze vennootschap (...) leidt ertoe, haar ook als zelfstandig belastingsubject te beschouwen en haar winst te zien als van en voor haarzelf, ter voldoening aan haar eigen behouds- en expansiedrang, en niet als door haar voorlopig beheerd ten behoeve van haar winstgerechtigden.’1
Van Kempen stelt hier tegenover dat het vennootschappelijk belang, zelfs bij volledig open kapitaalvennootschappen, uiteindelijk steeds is te herleiden tot het gezamenlijk belang van natuurlijke personen: ‘Dat een kapitaalvennootschap zelfstandig drager van rechten en plichten is en dat de aandeelhoudersbelangen tegengesteld kunnen zijn aan het vennootschappelijk belang, betekent niet dat het vennootschappelijk belang volledig losstaat van dat van de aandeelhouders. Het vennootschappelijk belang is de resultante van de belangen van alle bij de vennootschap betrokken personen, waaronder die van de aandeelhouders, zoals die belangen worden gevormd vanuit hun relatie tot het vennootschapsverband.’2
Bovendien kan de zelfstandigheidsgedachte geen rechtsgrond opleveren voor de grote groep van besloten vennootschappen met een beperkt aantal aandeelhouders. Deze besloten vennootschappen zijn niet te vergelijken met de geëmancipeerde NV’s die model staan bij Polak en als verlengstuk van hun aandeelhouders kunnen worden gezien.3
De zelfstandigheidsgedachte is derhalve omstreden; wordt zij echter als rechtsgrond geaccepteerd, dan vloeit daaruit voort dat het dividend in aftrek op de winst van de vennootschap behoort te komen. In de woorden van Polak: ‘Het dividend der aandeelhouders verschijnt dan even goed als een last als de obligatierente.’4
Deze gevolgtrekking is overigens niet geheel onomstreden. In 1962 schreef Hofstra: ‘Erkennen wij eenmaal de gewijzigde positie van de naamloze vennootschappen, die zelfstandige en een eigen leven leidende lichamen zijn geworden, dan is de vennootschapsbelasting evenmin een ongerechtvaardigde dubbele heffing als de inkomstenbelasting die mijn kruidenier moet betalen over de winst, die hij maakte op de aan mij geleverde kruidenierswaren, omdat ik die betaalde uit mijn inkomen, dat reeds de tol van mijn inkomstenbelasting passeerde; de uitdeling van dividend is dan nl. voor de N.V. een besteding van inkomen (winst), evenals mijn aankopen bij de kruidenier.’5
Deze vergelijking kwam hem te staan op een scherpe reactie van Meeles: ‘Het is onverklaarbaar dat (zelfs) Hofstra niet inziet, dat van inkomensbesteding zeker geen sprake is als een vennootschap dividend moet betalen, omdat haar aandeelhouders zo ver van haar af zijn komen te staan, dat de vennootschap als verzelfstandigd moet worden beschouwd en de aandeelhouders niet meer zijn dan postconcurrente crediteuren. Een zakelijk bepaalde vergoeding voor vermogensverschaffing is een vergoeding voor de produktiefactor vermogen, dus een element van inkomensvorming en niet van inkomensbesteding.’6 En ook Van Dijck verbaasde zich: ‘Waarom zou de arbeidsbeloning wel een kostenfactor vormen en de beloning voor het beschikbaar stellen van kapitaal niet?’7, 8
Verburg is van mening dat een normale aan de aandeelhouders ten goede komende kapitaalsbeloning aftrekbaar moet zijn, indien de vennootschapsbelasting gestoeld wordt op de zelfstandigheidsgedachte: ‘Zolang voor deze aftrek geen plaats is ingeruimd, is de verzelfstandigingsgedachte niet ten einde gebracht, anders gezegd: ontbreekt het aan een consistente uitwerking. Er wordt immers met twee maten gemeten als enerzijds wordt gewezen op de groter wordende afstand tussen de vennootschap en haar aandeelhouders, ten betoge dat de vennootschap een eigen identiteit heeft verkregen en anderzijds de nadruk wordt gelegd op de nauwe betrokkenheid der aandeelhouders bij de vennootschap, ten betoge dat van gelijkstelling met vreemde geldschieters geen sprake kan zijn.’9 Wat opvalt, is dat Verburg kennelijk niet zover wil gaan dat hij alle dividenden als aftrekbare ondernemingskosten aanmerkt. Aftrekbaar is slechts de normale aan de aandeelhouders ten goede komende kapitaalsbeloning; het meerdere, de overwinst, behoudt de vennootschap kennelijk voor zichzelf.
Harris gaat nog een stap verder en trekt uit de zelfstandigheidgedachte de conclusie dat alle dividenden aftrekbare ondernemingskosten vormen. ‘Viewing corporations as separate entities, dividends are clearly a cost of any business corporations are engaged in. (...). By definition, income is equivalent to consumption and increased savings during a given period. The distribution of dividends is clearly not corporate savings. Accordingly, the distribution of dividends must be either an expense of doing business and, therefore, deductible or a form of corporate consumption. (...). On the other hand, it is generally accepted that only individuals are capable of consumption. Hence, if corporations cannot be considered to consume dividends and dividends are not corporate savings, they are not (by definition) corporate income and should be deductible for corporation tax purposes.’10 De opvatting van Harris dat uit de zelfstandigheidsgedachte volgt dat al het dividend aftrekbaar zou moeten zijn, vloeit voort uit zijn observatie dat een vennootschap niet zelf kan consumeren. Dit roept de vraag op wat dan de gevolgen zijn van een liquidatie. Uiteindelijk zal bij de liquidatie van een vennootschap immers alle winst aan de aandeelhouders worden uitgekeerd en blijft er bezien over de gehele levensduur van de vennootschap niets te belasten over.
Wie de zelfstandigheidsgedachte overeind wil houden zonder daaraan het gevolg te verbinden dat alle dividenduitkeringen aftrekbaar moeten zijn, zal, naar het mij voorkomt, op zijn minst aannemelijk moeten maken dat een vennootschap voor haar zelf inkomen kan behalen, niet alleen voor eigen behoud en expansiedrang, maar ook voor eigen consumptie. Dat zou een (te) groot voorstellingsvermogen vereisen: de vennootschap is immers een fictie waaraan geen menselijke eigenschappen kunnen worden toegedicht.11