De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen
Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/4.7:4.7 Afronding
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/4.7
4.7 Afronding
Documentgegevens:
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS390601:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Timmerman 2000, p. 424.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Toen Kraakman in 1999 zijn verhaal over ‘The End of History’ in Nederland presenteerde, zullen weinigen van de aanwezigen het idee hebben gehad dat de inhoud van zijn betoog enige directe betekenis zou hebben voor het Nederlandse ondernemingsrecht. Weliswaar zou Timmerman kort daarna in een artikel de ‘hegemonie’ van het Amerikaanse effecten- en ondernemingsrecht aanstippen, maar hij tekende daarbij meteen aan dat het zijns inziens lopende proces van receptie van ideeën uit de Verenigde Staten iets anders was dan de door Kraakman en anderen voorspelde convergentie van rechtssystemen.1 Toch begonnen in dezelfde periode al veel van de uitgangspunten van het door Kraakman verkondigde aandeelhoudergeoriënteerde model van corporate governance ook in de Nederlandse kringen van beleidsmakers (zie §5.2.1 hierna) en ondernemingsrechtjuristen aan aantrekkingskracht te winnen. Deze aantrekkingskracht had geen ideologische lading. Bij velen zal vermoedelijk het overheersende sentiment zijn geweest dat het klassieke model van het Nederlandse ondernemingsrecht voor beursvennootschappen niet meer aan de eisen van de toenmalige tijd voldeed. Een verschuiving van het traditionele Rijnlandse model naar een meer op de Engelse en Amerikaanse leest geschoeid model van corporate governance, inclusief de bijbehorende oriëntatie op ‘shareholder value’, zal voor velen niet zozeer als een vrijwillige keuze, dan wel een door de wereldomstandigheden gedicteerde noodzaak zijn gepercipieerd. In zoverre was Kraakman’s betoog over een wereldwijde convergentie van corporate governance naar een aandeelhoudersgeoriënteerd model in de toenmalige tijd intuïtief gezien niet onbegrijpelijk.
In dit hoofdstuk heb ik willen aantonen wat er achter de door Kraakman verkondigde ideeën uit de hoek van law & economics schuilging. Uit deze reconstructie blijkt dat de invloed van ideeën in het beste geval moeilijk meetbaar is en in het slechtste geval zelfs volstrekt ongrijpbaar. Wat wel duidelijk is, is dat het rechtseconomisch raamwerk van het ondernemingsrecht zoals opgezet door Easterbrook en Fischel in feite onder de oppervlakte op de nodige abstracties, aannames en zelfs arbitraire keuzes berust. Hoewel de rechtseconomische stroming in het ondernemingsrecht pretendeert ideologisch neutraal te zijn, draagt zij in verschillende opzichten de ideologische signatuur van de Chicago School. In de stroming van law & economics gaat men er prat op dat de theorie door empirisch onderzoek wordt bewezen, maar in feite bouwen de verschillende auteurs telkens voort op de conclusies van eerder werk uit het verleden zonder dat die conclusies opnieuw in het heden aan een empirische toets worden onderworpen. Friedman verkondigde in de jaren ’50 dat het waarheidsgehalte van de aannames van een model er niet toe deden, zolang het model maar de best beschikbare benadering gaf van meetbare resultaten. Bijna vijftig jaar later waren er in het rechtseconomisch bouwwerk van Hansmann en Kraakman echter zoveel aannames, veronderstellingen, tentatief aanvaarde hypothesen en ideologische vooronderstellingen op elkaar gestapeld dat het niet meer mogelijk was om te onderscheiden welk deel van het bouwwerk bestond uit feitelijke observaties (what is) en welk deel uit normatieve opvattingen (what should be), laat staan dat de herkomst van de normatieve onderdelen nog kon worden achterhaald. Zoals in de volgende hoofdstukken nog uiteen zou worden gezet, zou juist dit gegeven later voor problemen zorgen.