De klachten en de toelichting daarbij (die hierna onder A-C is opgenomen) dienen in onderlinge samenhang te worden beschouwd.
HR, 13-10-2023, nr. 22/01900
ECLI:NL:HR:2023:1433
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13-10-2023
- Zaaknummer
22/01900
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 13‑10‑2023
ECLI:NL:HR:2023:1433, Uitspraak, Hoge Raad, 13‑10‑2023; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2022:658
- Vindplaatsen
NDFR Nieuws 2023/1443
V-N 2023/47.18 met annotatie van Redactie
NTFR 2023/1828 met annotatie van Mr. M.B. Weijers
NLF 2023/2395 met annotatie van Yola Geradts
Sdu Nieuws Belastingzaken 2023/1015
FED 2023/119 met annotatie van W.A.P. VAN ROIJ
JB 2023/211
BNB 2024/3 met annotatie van E.B. PECHLER
Viditax (FutD) 2023101312
FutD 2023-2653
Beroepschrift 13‑10‑2023
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Datum: 7 juli 2022
Motivering beroep in cassatie
van mr. R.T. Wiegerink
inzake het cassatieberoep van:
[X].
woonachtig te [Z], belanghebbende,
advocaat: mr. R.T. Wiegerink
tegen
STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
verweerder in cassatie,
Motivering van het beroep in cassatie van belanghebbende, [X], zoals ingesteld bij pro forma beroepschrift in cassatie d.d. 23 mei 2022 tegen de uitspraak van het gerechtshof Den Haag (‘het Hof’) van 12 april 2022 met kenmerk BK-21/00383 (‘de uitspraak’).
Middel van cassatie
Belanghebbende voert tegen de onderhavige uitspraak van het Hof het navolgende middel van cassatie aan, houdende schending van het recht, doordat het Hof heeft geoordeeld als vermeld in rov. 5.5-5.6, 5.9, 5.10. 5.14 en 6 van zijn uitspraak en in zijn beslissing, zulks ten onrechte, althans op gronden die die oordelen niet kunnen dragen, op grond van de navolgende, mede in onderling verband en samenhang in aanmerking te nemen redenen:
I. Inleiding
1.
Deze zaak betreft de aanslag inkomstenbelasting 2014 van belanghebbende. De Belastingdienst heeft de hoogte van de aanslag aanvankelijk ter behoud van rechten bepaald en heeft de hoogte van de aanslag in de bezwaarfase naar beneden bijgesteld naar aanleiding van de uitkomsten van een boekenonderzoek.
2.
Het Hof oordeelt voor het onderhavige jaar (2014) dat sprake is van een bron van inkomen omdat de resultaten van de eenmanszaak vanaf 2008 tot en met 2013 positief waren. Dat de resultaten in 2014 negatief zijn, doet hier volgens het Hof niet aan af. De Inspecteur heeft de omzetcorrectie volgens het Hof aannemelijk gemaakt. De stelling van belanghebbende dat deze inkomsten eigenlijk huurinkomsten uit Irak betreffen, acht het Hof niet aannemelijk.
3.
In cassatie betoogt belanghebbende kort gezegd:
- (i)
dat het Hof belanghebbende in de gelegenheid had moeten stellen Nederlandse vertalingen van de door hem in het Arabisch overgelegde stukken in het geding te brengen; en,
- (ii)
dat de beslissingen van het Hof over de herkomst van de contante stortingen in het licht van de door belanghebbende (ter zitting) ingenomen (gemotiveerde) stellingen onvoldoende (begrijpelijk) zijn gemotiveerd.
4.
Belanghebbende hecht eraan te benadrukken dat de feitelijke gang van zaken zoals die in cassatie als vaststaand heeft te gelden (te weten het doen van contante stortingen op een zakelijke bankrekening), zonder twijfel steun biedt aan het scenario dat belanghebbende schetst, althans in ieder geval geen steun aan het door de Belastingdienst ingenomen standpunt dat het zou gaan om omzet van de eenmanszaak. Wie zou er immers contante omzet die hij niet opneemt in zijn belastingaangifte op zijn zakelijke bankrekening storten? Belanghebbende verzoekt uw Raad dit voor ogen te houden bij de beoordeling van dit cassatieberoep.
II. Toelichting op het middel
Beslissing dat contante stortingen tot omzet behoren onjuist althans onbegrijpelijk
Bestreden overwegingen Hof
Het Hof heeft in rov. 5.9 en 5.10 beslist:
‘5.9.
In beginsel rust de bewijslast voor de stelling dat de contante stortingen tot de omzet van de eenmanszaak behoren op de Inspecteur. Naar het oordeel van het Hofheeft de Inspecteur op grond van de constateringen van het boekenonderzoek (zie 2.6), die niet zijn bestreden, aannemelijk gemaakt dat het bedrag aan contante stortingen dat op de zakeiijke rekening van de eenmanszaak is gestort, tot de omzet van de eenmanszaak behoort.
5.10.
Het is vervolgens aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat deze stortingen geen omzet betreffen, maar huurinkomsten zijn. Daarin is hij niet geslaagd. Het Hofoverweegt daartoe het volgende. Terzake van de door belanghebbende overgelegde in het Arabisch opgestelde stukken en het in het Arabisch opgestelde Excel-overzichtgeldt dat niet beoordeeld kan worden wat in deze stukken staat; zodat deze niet als bewijs kunnen dienen. Terzake van de ter zitting overgelegde (in het Nederlands vertaalde) Excel-overzichten geldt dat geen aansluiting te maken is tussen de in deze overzichten vermelde bedragen (in nieuwe Iraakse Dinars) en de in de gedingstukken gestelde bedragen aan huurinkomsten en evenmin met het bedrag van de contante stortingen (€ 15.110). De stelling van belanghebbende dat de huurinkomsten door een advocaat en een koerier naar Nederland zijn gebracht, is niet onderbouwd met objectieve bewijsstukken (zoals verklaringen van deze personen).’
Klachten1.
1.1.
Het onderdeel is gericht tegen deze overwegingen van het Hof, in het bijzonder tegen rov. 5.10. Het Hof heeft in rov. 5.9 terecht in aanmerking genomen dat de bewijslast voor de stelling dat de contante stortingen tot de omzet van de eenmanszaak behoren, in beginsel op de Inspecteur rust. Ten onrechte heeft het Hof in rov. 5.10 beslist dat de in het Arabisch opgestelde stukken en het in het Arabisch opgestelde Exceloverzicht niet als bewijs kunnen dienen omdat niet kan worden beoordeeld wat in deze stukken staat. Het Hof heeft miskend dat alvorens tot de beslissing te komen dat de voormelde stukken niet als bewijs kunnen dienen, belanghebbende in de gelegenheid had moeten worden gesteld een vertaling aan te leveren van de in de Arabische taal gestelde stukken en 's Hofs andersluidende opvatting is strijdig met de eisen van een goede procesorde. Uit het proces-verbaal van de zitting van het Hof en de overige gedingstukken blijkt niet dat die gelegenheid door het Hof is geboden, zodat in cassatie als vaststaand heeft te gelden dat die gelegenheid niet is geboden. Het gaat hier onder meer om het eigendomsbewijs van de woning in Irak2. waarvan belanghebbende heeft gesteld gedeeltelijk eigenaar te zijn en die dus zijn (essentiële) stelling onderbouwt dat de contante stortingen van € 15.110 — die door de Belastingdienst als omzet zijn aangemerkt — huurinkomsten uit die woning zijn.3.
1.2.
Voor zover het Hof (impliciet) zou hebben beslist dat de eisen van de goede procesorde zich verzetten tegen het in de gelegenheid stellen van belanghebbende om alsnog een Nederlandse vertaling in het geding te brengen van de hiervoor bedoelde stukken, is die beslissing onjuist, althans onbegrijpelijk, omdat die in het geheel niet is gemotiveerd en omdat uit niets blijkt dat de Belastingdienst zich daartegen heeft verzet.
1.3.
De beslissing van het Hof in rov. 5.10, dat geen aansluiting is te maken tussen de in de ter zitting overgelegde (Nederlandstalige) overzichten vermelde bedragen (in nieuwe Iraakse Dinars) en de in de gedingstukken gestelde bedragen aan huurinkomsten en evenmin met het bedrag van de contante stortingen (€ 15.110), is, zonder nadere motivering, onbegrijpelijk in het licht van de stellingen van belanghebbende ter zitting van het Hof (i) dat de bedragen van de huurinkomsten variëren (omdat woningen soms leegstonden of werden gerenoveerd)4. en (ii) dat er ook een bedrag op de andere (niet-zakelijke) bankrekening is gestort van belanghebbende en dat (mede) daarin de verklaring kan worden gevonden voor het niet kunnen maken van de aansluiting.5.
1.4.
De beslissing van het Hof in rov. 5.10, dat de verklaring van belanghebbende dat de huurinkomsten door een advocaat en een koerier naar Nederland zijn gebracht, niet is onderbouwd met objectieve bewijsstukken (zoals verklaringen van deze personen), is zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof gewezen op het feit dat de naam van de advocaat in Bagdad onder wiens leiding de gelden naar Nederland zijn gebracht, op de overzichten is vermeld en dat ook de naam van de geldkoerier is doorgegeven6., maar het Hof besteedt aan die stellingen geen kenbare aandacht bij diens beslissing en het heeft belanghebbende ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van diens stellingen.
1.5.
Het slagen van (een van) de hiervoor vermelde subonderdelen vitieert tevens de beslissing van het Hof in rov. 5.6 dat de activiteiten van de eenmanszaak in het onderhavige jaar een bron van inkomen vormen. Als immers (na verwijzing) zou komen vast te staan dat de omzet in 2014 substantieel lager was dan waarvan nu door het Hof is uitgegaan als gevolg van het ten onrechte meenemen van de contante ontvangsten, kan dat immers invloed hebben op de beantwoording van de vraag of er wel sprake was van een onderneming.
Het slagen van (een van) de hiervoor vermelde subonderdelen vitieert voorts de beslissing van het Hof in rov. 6 dat het Hof geen aanleiding ziet voor een veroordeling in de proceskosten.
Toelichting
A.
Ter toelichting op deze klacht wijst belanghebbende erop dat uw Raad in een civiele procedure heeft beslist dat een partij die in de buitenlandse taal gestelde producties heeft ingediend waarvan geen vertaling is bijgevoegd, — kort gezegd — in de gelegenheid moet worden gesteld alsnog een vertaling in te dienen, tenzij de eisen van de goede procesorde zich daartegen verzetten:
‘3.3
Middel 1 klaagt onder meer dat het hoften onrechte de door [eisers] overgelegde bewijsstukken die in de Duitse taal zijn gesteld en waarvan geen Nederlandse vertaling is overgelegd, buiten beschouwing heeft gelaten (rov. 4.3 van het tussenarrest).
3.4.4
Bij de beoordeling van het geschil dient acht te worden geslagen op behoorlijk in het geding gebrachte producties die in een vreemde taalzijn gesteld en waarop door een partij een beroep is gedaan, als de rechter en de wederpartij een vertaling niet nodig hebben voor een goede beoordeling van de inhoud van die producties. Het overleggen van een vertaling van een productie is in beginsel niet noodzakelijk als die productie is gesteld in de Engelse, Duitse of Franse taal. De rechter kan echter een vertaling verlangen als hij dat nodig of wenselijk acht voor de behandeling van de zaak, mede gelet op de belangen van de wederpartij. Een vertaling is in beginsel wel noodzakelijk als een productie is gesteld in een andere vreemde taal.
3.4.5
In gevallen waarin een vertaling ontbreekt, maar deze naar het — ambtshalve ofop verzoek van de wederpartij gegeven — oordeel van de rechter noodzakelijk of wenselijk is, behoort de partij die de productie heeft overgelegd, gelegenheid te krijgen een vertaling daarvan in het geding te brengen, tenzij de eisen van een goede procesorde zich daartegen verzetten. De rechter kan bepalen dat die vertaling door een beëdigd vertaler moet zijn opgemaakt en ondertekend.
3.5
In het licht van het voorgaande heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de als productie 2 bij memorie van grieven overgelegde verklaring in de Duitse taal buiten beschouwing te laten zonder te beoordelen of een vertaling in de omstandigheden van het geval noodzakelijk of wenselijk is, en door andere producties zonder meer buiten beschouwing te laten op de grond dat die niet in het Nederlands zijn gesteld en niet zijn voorzien van een vertaling. De hiervoor in 3.3 weergegeven klacht slaagt.’
B.
Advocaat-Generaal Ijzerman is terecht van mening dat de hiervoor vermelde rechtsregel niet slechts in civiele procedures, maar ook in belastingprocedures als de onderhavige zou moeten gelden. Hij betoogt in zijn conclusie van 25 maart 2021, ECLI:NL:PHR:2021:291, in par. 4.7:
‘Bij arrest van 15 januari 2016 heeft de Hoge Raad, burgerlijke kamer, geoordeeld dat het overleggen van een vertaling van een productie in beginsel niet noodzakelijk is als die productie is gesteld in de Engelse, Duitse of Franse taal. De rechter kan echter een vertaling verlangen als hij dat nodig of wenselijk acht voor de behandeling van de zaak, mede gelet op de belangen van de wederpartij. 12 Het lijkt mij te overwegen dat de overige kamers van de Hoge Raad zich daarbij aansluiten om zo ‘unisono’ naar buiten te treden.’
C.
Belanghebbende trekt voorts een parallel met de regel dat als een bezwaar- of beroepschrift in de buitenlandse taal is opgesteld, op grond van art. 6:5 lid 3 Awb jo. 6:6 Awb de gelegenheid moet worden geboden een vertaling van dat processtuk in te dienen als dat voor een goede behandeling van de zaak noodzakelijk is. Toepassing naar analogie van die regel op de onderhavige zaak brengt (ook) mee dat belanghebbende in de gelegenheid had moeten worden gesteld Nederlandse vertalingen van de stukken in het geding te brengen.
2. Conclusie
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van het Hof met zodanige verdere beslissing als uw Raad zal vermenen te behoren; kosten rechtens.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 13‑10‑2023
Zoals in ieder geval bijgevoegd bij het verslag van het hoorgesprek (dat als bijlage 8 is gevoegd bij het verweerschrift bij de rechtbank van de inspecteur).
Zie onder meer rov. 5.8 van de uitspraak van het Hof.
Proces-verbaal vande zitting van het Hof, p. 2.
Proces-verbaal vande zitting van het Hof, p. 3.
Proces-verbaal vande zitting van het Hof, p. 2.
Uitspraak 13‑10‑2023
Inhoudsindicatie
Stukken in een vreemde taal; gelegenheid bieden tot vertaling daarvan.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/01900
Datum 13 oktober 2023
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 12 april 2022, nr. BK-21/003831., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 20/3654) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2014 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door R.T. Wiegerink, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Belanghebbende drijft sinds 1 oktober 2008 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak.
2.2
Op 19 juli 2017 heeft belanghebbende een herziene aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2014 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 7.158 negatief, onder meer bestaande uit een verlies uit onderneming van € 8.323.
2.3
De Inspecteur heeft op grond van de bevindingen van een boekenonderzoek geconcludeerd dat contante stortingen op de zakelijke bankrekening van belanghebbende van in totaal € 15.110 niet zijn meegenomen bij het bepalen van de omzet voor het jaar 2014. De Inspecteur heeft dit bedrag gecorrigeerd voor omzetbelasting en heeft € 12.488 (100/121 x € 15.110) aangemerkt als omzet van de eenmanszaak.
3. Procedure voor het Hof
3.1
Voor het Hof was onder meer in geschil of het door de Inspecteur gecorrigeerde bedrag van de contante stortingen tot de omzet, en daarmee tot de winst van de onderneming van belanghebbende behoort.
3.2
Belanghebbende heeft zich bij het Hof op het standpunt gesteld dat de contante stortingen geen omzet van de eenmanszaak vormen, maar huurinkomsten ter zake van grond en huizen in Irak waarvan hij in privé gedeeltelijk eigenaar is. Het bedrag van de contante stortingen behoort daarom naar zijn mening niet tot zijn winst uit onderneming.
3.3
Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur op grond van de constateringen van het boekenonderzoek aannemelijk heeft gemaakt dat het bedrag aan contante stortingen dat op de zakelijke rekening van belanghebbende is gestort, tot de omzet van de eenmanszaak behoort.
3.4
Het Hof heeft voorts – in cassatie onbestreden – geoordeeld dat het vervolgens aan belanghebbende is om aannemelijk te maken dat deze stortingen geen omzet betreffen, maar huurinkomsten zijn. Het heeft vervolgens geoordeeld dat belanghebbende daarin niet is geslaagd. Daartoe heeft het Hof redengevend geacht dat a) de door belanghebbende overgelegde, in de Arabische taal opgestelde stukken niet als bewijs kunnen dienen omdat niet kan worden beoordeeld wat in die stukken staat, b) geen aansluiting is te maken tussen de bedragen die zijn vermeld in het eveneens door belanghebbende overgelegde, in de Arabische taal opgestelde Excel-overzicht waarvan ter zitting een vertaling is overgelegd, en de in de gedingstukken gestelde bedragen aan huurinkomsten, en evenmin met het bedrag van de contante stortingen, en c) de stelling van belanghebbende dat de huurinkomsten door een advocaat en een koerier naar Nederland zijn gebracht, niet is onderbouwd met objectieve bewijsstukken.
4. Beoordeling van het middel
4.1
Het middel betoogt in de eerste plaats dat het Hof belanghebbende in de gelegenheid had moeten stellen een vertaling van de hiervoor in 3.4 onder a) bedoelde stukken in te dienen. Het middel stelt dat het onder meer gaat om het eigendomsbewijs van de woning in Irak waarvan belanghebbende eigenaar is, en dus zijn essentiële stelling onderbouwt dat de contante stortingen van € 15.110 huurinkomsten uit die woning zijn.
4.2.1
Bij de beoordeling van dit betoog moet worden vooropgesteld dat, anders dan voor het indienen van een beroepschrift in een vreemde taal, waarover artikel 6:5, lid 3, Awb gaat, de wetgever niet heeft voorzien in een wettelijke regeling die de indiening van andere stukken in een vreemde taal regelt voor de procedure bij de bestuursrechter. De vraag in hoeverre de rechter acht dient te slaan op zulke stukken dient bij gebreke van een wettelijke regeling te worden beantwoord aan de hand van de eisen van een behoorlijke rechtspleging. Daarbij gelden de volgende uitgangspunten.
4.2.2
Bij de beoordeling van het geschil dient de bestuursrechter acht te slaan op behoorlijk in het geding gebrachte stukken die in een vreemde taal zijn gesteld en waarop door een partij een beroep is gedaan, als de rechter en de wederpartij een vertaling niet nodig hebben voor een goede beoordeling van de inhoud van die stukken. In gevallen waarin een vertaling ontbreekt, maar deze naar het oordeel van de bestuursrechter noodzakelijk of wenselijk is, behoort de partij die het stuk heeft overgelegd gelegenheid te krijgen een vertaling daarvan over te leggen, tenzij de eisen van een goede procesorde zich daartegen verzetten.2.
4.3
Het Hof heeft dit met zijn hiervoor in 3.4 onder a) weergegeven oordeel miskend. Het heeft immers de door belanghebbende als bewijs in het geding gebrachte, in de Arabische taal opgestelde stukken buiten beschouwing gelaten met het argument dat niet kan worden beoordeeld wat er in die stukken staat, zonder belanghebbende in de gelegenheid te stellen een vertaling daarvan in het geding te brengen, en ook zonder zich erover uit te laten of de eisen van een goede procesorde zich ertegen verzetten dat belanghebbende die gelegenheid krijgt.
4.4.1
Het middel is dus in zoverre terecht voorgesteld. Het kan echter niet tot cassatie leiden vanwege het volgende.
4.4.2
Uit de gedingstukken kan niet iets anders worden afgeleid dan dat de in hoger beroep overgelegde, in de Arabische taal opgestelde stukken, beperkt zijn gebleven tot het hiervoor in 3.4 bedoelde Excel-overzicht waarvan belanghebbende ter zitting een vertaling heeft overgelegd en een in de Arabisch taal opgesteld stuk waarvan belanghebbende stelt dat dit het eigendomsbewijs is van de woning in Irak. Belanghebbende heeft het eigendomsbewijs in het geding gebracht, kennelijk om aannemelijk te maken dat hij eigenaar is van de woning in Irak ter zake waarvan hij stelde huurinkomsten te hebben genoten die overeenkomen met de in het Excel-overzicht vermelde bedragen.
4.4.3
Ook indien ervan wordt uitgegaan dat dit in de Arabische taal opgestelde, onvertaald gebleven stuk inderdaad het eigendomsbewijs van de woning in Irak is, zoals belanghebbende stelt, had een vertaling daarvan niet kunnen leiden tot een ander oordeel van het Hof. Het Hof heeft immers zijn oordeel dat belanghebbende niet erin is geslaagd aannemelijk te maken dat de contante stortingen afkomstig zijn uit zulke huurinkomsten, gebaseerd op de hiervoor in 3.4 onder b) en c) weergegeven vaststellingen. Voor deze vaststellingen hoefde het Hof niet te beoordelen of belanghebbende al dan niet eigenaar was van de woning in Irak ter zake waarvan hij stelde huurinkomsten te hebben genoten. Ook al zou de stelling van belanghebbende over de eigendom van de woning in Irak juist zijn, wil dat immers nog niet zeggen dat de in het Excel-overzicht vermelde bedragen de uit de woning genoten huurinkomsten zijn. De hiervoor in 3.4 onder b) en c) weergegeven vaststellingen worden ook voor het overige tevergeefs door het middel bestreden. Die vaststellingen zijn van feitelijke aard, zijn naar behoren gemotiveerd en kunnen in cassatie verder niet op juistheid worden getoetst. Deze vaststellingen kunnen het oordeel van het Hof dat belanghebbende niet erin is geslaagd aannemelijk te maken dat de contante stortingen afkomstig zijn uit huurinkomsten, zelfstandig dragen. Daarom kan het middel ook niet tot cassatie leiden voor zover het zich richt tegen het hiervoor in 3.4 onder a) weergegeven oordeel van het Hof.
4.5
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten van het middel beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten evenmin kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.T. Boerlage als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2023.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 13‑10‑2023
Vgl. HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:65, rechtsoverwegingen 3.4.2-3.4.5.