AB 2025/251
Gelijkheidsbeginsel. Ongelijke behandeling van Caribische advocaten ten opzichte van Europees-Nederlandse advocaten geen discriminatie.
HR 04-04-2025, ECLI:NL:HR:2025:518, m.nt. A.B. van Rijn & J.C. de Wit
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
4 april 2025
- Magistraten
Mrs. M.J. Kroeze, C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock, G.C. Makkink
- Zaaknummer
24/00037
- Noot
A.B. van Rijn & J.C. de Wit
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD25089:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Staatsrecht / Grondrechten
Verbintenissenrecht / Onrechtmatige daad
Juridische beroepen / Advocaat
Staatsrecht / Staatsinrichting
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:518, Uitspraak, Hoge Raad, 04‑04‑2025
ECLI:NL:PHR:2024:1328, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 06‑12‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 02‑01‑2024
- Wetingang
Essentie
De onmogelijkheid voor Caribische advocaten om cassatieadvocaat te worden is niet discriminerend. De verschillen in de organisatie van de advocatuur en rechterlijke macht vormen een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling.
Samenvatting
Zoals hiervoor in 3.2–3.5 is overwogen, zou het ook voor advocaten uit het Caribische deel van het Koninkrijk mogelijk moeten zijn om toegelaten te worden als advocaat bij de Hoge Raad in burgerlijke zaken. De Staat heeft naar voren gebracht dat daartoe in overleg met diverse partijen het stelsel van kwaliteits- en toezichtsnormen in het Caribische deel van het Koninkrijk nader moet worden uitgewerkt. ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.