Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/6.7.5
6.7.5 Vrijwillige financiering van de kosten van het onderzoek
mr. P.H.M. Broere , datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652276:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
OK 10 december 2019 (r.o. 3.20), JOR 2020/144, m.nt. D.J.F.F.M. Duynstee (Estro).
OK 15 februari 2013 (r.o. 11.4), JOR 2013/102, m.nt. D.A.M.H.W. Strik (Van der Moolen).
OK 5 juli 2010 (r.o. 3.12), JOR 2010/231, m.nt. P.G.F.A. Geerts (KPNQwest), vernietigd in HR 17 december 2010, NJ 2011/213, m.nt. W.J.M. van Veen; JOR 2011/42, m.nt. J.M. Blanco Fernández (KPNQwest).
Conclusie A-G Timmerman (nr. 2.16) voor HR 17 december 2010, NJ 2011/213, m.nt. W.J.M. van Veen; JOR 2011/42, m.nt. J.M. Blanco Fernández (KPNQwest).
OK 30 maart 2011 (r.o. 2.4 e.v.), JOR 2011/177, m.nt. F. Veenstra (KPNQwest).
OK 2 november 2015 (r.o. 4.10; 15.4-15.5), JOR 2016/61, m.nt. P. van Schilfgaarde (Meavita), vernietigd in HR 18 november 2016, NJ 2017/202, m.nt. H.B. Krans & P. van Schilfgaarde; JOR 2017/30, m.nt. A. Hammerstein (Meavita). De Ondernemingskamer bracht de kosten van het onderzoek hier overigens ten laste van de moedervennootschap, maar de curatoren financierden deze kosten als boedelschuld ‘kennelijk op grond van onderlinge afspraak, ten laste van Meavita Nederland, Meavitagroep en Thuiszorg Groningen (…) aldus dat elk van deze rechtspersonen een derde van de kosten heeft gedragen.’ Zie ook OK 30 mei 2011, JOR 2011/219, m.nt. S.M. Bartman (Meavita).
OK 21 juli 2014 (r.o. 1.5), ARO 2014/188 (VOC Detachering). Uit OK 7 januari 2015 (r.o. 1.6), ARO 2015/74 (VOC Detachering) lijkt overigens te volgen dat de curator de volledige kosten van het onderzoek heeft voldaan.
OK 15 december 2011 (r.o. 4.7), JOR 2012/77, m.nt. J.F. Ouwehand (Landis).
OK 15 september 2016, ARO 2017/11 (Celebration).
OK 28 februari 2017, ARO 2017/77 (Celebration).
OK 2 april 2015 (r.o. 3.9), ARO 2015/112 (Ekopron).
OK 2 oktober 2015, ARO 2015/221 (Triple E).
OK 16 september 2015, ARO 2015/194 (Depron); OK 10 november 2020, ARO 2021/20 (Apotheek Schiemond).
OK 17 februari 2006, ARO 2006/42 (Decidewise). Betwijfeld kan worden of daarmee ook de enquêteprocedure is geëindigd, zie Winters & Ploeger 2007, p. 34.
OK 9 november 2020, ARO 2021/5 (Hello Amsterdam); OK 24 november 2020, ARO 2021/6 (Hello Amsterdam).
OK 6 januari 1994 (r.o. 3.3), NJ 1995/119 (Text Lite).
OK 2 november 1995 (r.o. 1.3; 4.15), JOR 1996/000, m.nt. F.J.P. van den Ingh (Text Lite).
Dulack 2013, p. 57. Zie ook Schreurs (onder 8, sub b) in zijn annotatie bij OK 25 september 2020, JOR 2021/36 (Exodus). Vgl. ook KPNQwest, waarin de curatoren gebruikmaakten van indirecte financiering bij wijze van een boedelkrediet ter financiering van een procedure in de Verenigde Staten, zie OK 9 januari 2006 (r.o. 2.7), JOR 2006/45, m.nt. J.J.M. van Mierlo (KPNQwest); Spigt & Edixhoven 2017, p. 323, voetnoot 98; Pool & Peeters 2019, p. 327. Vgl. buiten een enquêtecontext voorts het tweede faillissementsverslag Royal Imtech NV, 9 december 2015, p. 5, alsmede het tussentijds financieel verslag, 5 december 2018, te raadplegen via www.insolventies.rechtspraak.nl; FD 9 april 2021, waaruit blijkt dat de VEB het onderzoek van de curatoren naar Imtech mede financierde.
Uit de jurisprudentie zijn enkele gevallen bekend van vrijwillige financiering van (een deel van) de kosten van het onderzoek als boedelschuld door de curator. Mij zijn geen gevallen bekend waarin de curator de beloning van OK-functionarissen vrijwillig als boedelschuld financierde. De Ondernemingskamer benoemde ook nog nooit een OK-functionaris bij een failliete rechtspersoon.
Slechts in één geval financierde de curator de kosten van het onderzoek als enquêteverzoeker op de voet van art. 2:346 lid 3 BW, in Estro (par. 6.7.2.3).1 Gebruikelijker is dat de curator in een lopende enquêteprocedure bereid is (een deel van) de kosten van het onderzoek te financieren als belanghebbende, of namens de geënquêteerde rechtspersoon als verweerder. Dit laatste gebeurde bijvoorbeeld in Van der Moolen, waarin de curatoren een bedrag van € 366.354,67 voor de kosten van het onderzoek uit de boedel financierden.2
In KPNQwest toonden de curatoren – die door de Ondernemingskamer werden aangemerkt als belanghebbenden – zich bereid, toen een verhoging van het onderzoeksbudget met € 250.000 nodig bleek, dit bedrag uit de boedel te financieren.3 Dit was reeds tussen de onderzoekers en curatoren afgestemd voordat de onderzoekers een verhoging van het onderzoeksbudget verzochten, en geschiedde met goedkeuring van de rechter-commissaris.4 Na beëindiging van de enquêteprocedure bleef de bijdrage van de curatoren beperkt tot € 147.506.5
In Meavita financierden de curatoren een bedrag van € 950.000 aan de kosten van het onderzoek uit de boedel; de enquêteverzoeker financierde een bedrag van € 50.000.6 Ook in VOC Detachering was de curator bereid een deel van de kosten van het onderzoek te financieren. Een belanghebbende financierde hier een ander deel van de kosten van het onderzoek.7 In Landis waren de curatoren bereid tot financiering van de kosten van het onderzoek, ter hoogte van € 45.000. De curatoren maakten daartoe afspraken met enquêteverzoeker VEB, die eerder een beperkt voorschot ter beschikking stelde aan de onderzoeker.8 Zie hierover ook par. 6.4.6.6. In Celebration gelastte de Ondernemingskamer een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Celebration Panden BV en Celebration Benelux BV, en bepaalde dat de kosten hiervan – en overigens ook de beloning van OK-functionarissen – hoofdelijk ten laste komen van beide vennootschappen.9 Wanneer de onderzoeker een verhoging van het onderzoeksbudget verzoekt, verkeert Celebration Benelux BV inmiddels in staat van faillissement. De curator toont zich dan namens Celebration Benelux BV niet bereid (de helft van) de verruiming van de kosten van het onderzoek als boedelschuld te voldoen. Voor het aanvankelijk bepaalde onderzoeksbudget is dan al wel 50% aan de onderzoeker voldaan als boedelschuld.10
Uit de jurisprudentie zijn ook voorbeelden bekend van gevallen waarin de curator financiering van de kosten van de enquêteprocedure uitdrukkelijk afwees. Zo voerde de curator in Ekopron aan dat zich een boedeltekort voordeed, zodat de kosten van het onderzoek niet door (de boedel van) de rechtspersoon konden worden voldaan. Omdat de enquêteverzoeker zich wel bereid toonde de kosten van het onderzoek te financieren, kon de enquête toch doorgang vinden.11
In Triple E liet de curator weten het niet opportuun te vinden middelen ter beschikking te stellen teneinde financiering van de kosten van het onderzoek en de beloning van een eerder benoemde OK-beheerder mogelijk te maken. De Ondernemingskamer beëindigde mede hierom de enquêteprocedure.12 Ook in Depron en Apotheek Schiemond viel verdere financiering na het faillissement van de rechtspersoon niet te verwachten, en beëindigde de Ondernemingskamer de enquêteprocedure.13 In Decidewise beëindigde de Ondernemingskamer om dezelfde reden de benoeming van de onderzoeker.14 In Hello Amsterdam failleerde de geënquêteerde rechtspersoon en berichtte de curator de Ondernemingskamer dat de kosten van het onderzoek niet uit de boedel kunnen en zullen worden gefinancierd. De toestand van de rechtspersoon vergde volgens de Ondernemingskamer vanwege zijn faillissement niet langer dat de door de Ondernemingskamer getroffen onmiddellijke voorzieningen voortduren; zij overwoog ook dat geen van partijen belang heeft bij handhaving van de getroffen onmiddellijke voorzieningen. De Ondernemingskamer beëindigde deze voorzieningen hierom. De Ondernemingskamer stelde andere partijen nog in de gelegenheid zorg te dragen voor de financiering van de kosten van het onderzoek. Omdat geen van deze partijen gebruikmaakte van die gelegenheid, beëindigde de Ondernemingskamer het onderzoek.15
De curator kan ook optreden als directe financier van de kosten van het onderzoek met behulp van de gebruikmaking van een indirecte financier. Zo stelden de VEB en VEH ieder f 25.000 in de vorm van een achtergestelde lening beschikbaar aan de curator in Text Lite, ter financiering van de kosten van het onderzoek. De curator droeg ook f 25.000 bij uit de boedel.16 De curator trad op als directe financier, en verzocht later ook verhaal van de kosten van het onderzoek op de voet van art. 2:354 BW.17 In de literatuur is daarnaast gewezen op de mogelijkheid van indirecte financiering van de kosten van het onderzoek in de enquêteprocedure door een van de crediteuren in het faillissement.18