Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/6.5.1
6.5.1 Wel of geen opheffingskortgeding
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS498267:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vijfentwintig gevallen uit negenentwintig vraaggesprekken.
De hier besproken resultaten zijn ook weer gebaseerd op negenentwintig telefonische vraaggesprekken.
Het betreft andere zaken dan die welke waarover met advocaten van beslagleggers werd gesproken.
Door acht respondenten genoemd, meer antwoorden mogelijk.
Door zeven respondenten genoemd, meer antwoorden mogelijk.
Door zes respondenten genoemd, meer antwoorden mogelijk.
Achttien uit negenentwintig respondenten.
De reden hiervoor wil ik u niet onthouden: het kantoorbeleid is dat niet voor onaannemelijke vorderingen beslag wordt gelegd.
Eén respondent merkte op dat een actieve voorzieningenrechter hierin een belangrijke rol kan spelen.
Hetgeen wordt toegejuicht.
En als variant hierop: om aan te tonen dat een vordering summierlijk ondeugdelijk is moet men van goeden huize komen.
En een variant hierop: ‘Er zit veel tussen de summierlijke deugdelijkheid en de summierlijke ondeugdelijkheid van een vordering.’
Hierbij wordt met name HR 14 juni 1996, LJN ZC2149, NJ 1997, 481, m.nt. H.J. Snijders (De Ruiterij/MBO-Ruiters) genoemd.
Uit de reacties van de advocaten van beslagleggers bleek dat zij zich weinig zorgen maakten, omdat in een grote meerderheid van de gevallen1 de kansen van de wederpartij op een opheffing van het beslag als zeer laag tot non-existent werden geschat. De hiervoor genoemde reden was vrijwel steeds dat de vordering die aan het beslag ten grondslag lag als deugdelijk werd beschouwd. Andere genoemde redenen waren: geen (serieuze) reactie op het beslag, beslag niet knellend, deel vordering is al betaald, zaak is te complex voor de voorzieningenrechter en vordering werd niet betwist. Indien een opheffingskortgeding niet (geheel) uitgesloten werd geacht, was de reden hiervoor twijfel of de vordering deugdelijk zou worden bevonden of knellendheid van het beslag. In één geval was inmiddels een opheffingskortgeding geëntameerd en werd het beslag opgeheven tegen zekerheidstelling. Aan de advocaten van beslagenen2 werd vervolgens de vraag voorgelegd of in de zaak naar aanleiding waarvan een vraaggesprek plaatsvond al dan niet een opheffingskortgeding was geëntameerd en de redenen hiervoor dan wel resultaten hiervan.3 De meest genoemde redenen waarom deze advocaten de cliënt adviseerden om geen opheffingskortgeding in te stellen waren een kosten-batenafweging (dit kan zijn in relatie tot het geringe financiële belang waarvoor het beslag heeft gekleefd of in relatie tot de slagingskans dan wel de kosten op zichzelf),4 het gebrek aan knellendheid/hinder van het beslag5 en de terechtheid van de vordering6 en daarmee van het beslag. Andere genoemde redenen waren: er lopen al meer procedures, geen voorrang bij behandeling van een opheffingskortgeding, beslag treft geen doel, opheffing wordt reeds gevorderd in de hoofdzaak, er is een reconventionele vordering en hierover wordt in kort geding niet eenvoudig beslist, zaak inhoudelijk te complex en te veel overmacht. In twee gevallen kwam het tot een opheffingskortgeding, waarbij het beslag werd opgeheven respectievelijk een regeling werd getroffen en op andere wijze zekerheid gesteld.
Tevens werd aan zowel advocaten van beslagleggers als advocaten van beslagenen de algemene vraag gesteld hoe groot zij de kans op basis van praktijkervaringen schatten dat een beslag tijdens een opheffingskortgeding wordt opgeheven. Een groot aantal respondenten uit beide groepen maakte bij de beantwoording een onderscheid tussen een vordering gebaseerd op de opheffingsgrond ‘zekerheidstelling’ en overige opheffingsgronden, waarbij opheffing tegen zekerheidstelling wordt getypeerd als een grond met ‘een goede kans van slagen’. Dit ligt overwegend anders voor de overige situaties. Een ruime meerderheid van de respondenten binnen de groep advocaten van beslagleggers achtte de kans op opheffing ‘gering’ en noemt daarbij percentages tussen de 5-10%.7 Twee advocaten typeerden de kans als ‘redelijk’ en noemden daarbij een percentage tussen de 40-50%. Drie advocaten noemden de kans ‘groot’, twee ‘nihil’. Eén respondent maakte een onderscheid tussen zaken met een zakelijk belang en die met een persoonlijk belang, waarbij in het eerste geval de kans op opheffing niet groot is, in tegenstelling tot de tweede situatie. De overige advocaten vonden het moeilijk om een schatting te maken en in één geval had de advocaat geen ervaring met opheffingskortgedingen.8 Vrijwel alle advocaten van partijen die met een beslag werden geconfronteerd typeerden de kans op opheffing (zeer) klein tot niet groot. Twee van de negenentwintig respondenten achtten de kans groot. Uit toelichting bij deze vraag werd duidelijk dat naar schatting van beide groepen respondenten de ‘feitelijke omstandigheden van het geval’ een factor vormt die van grote invloed is op de kansen in een opheffingskortgeding. Daar waar de kansen redelijk tot goed werden beoordeeld, gaven de advocaten van beslagleggers aan dat dit moet worden toegeschreven aan de mogelijkheid van zekerheidstelling,9 omdat toetsing van de vordering plaatsvindt als ware sprake van een bodemzaak,10 en door een combinatie van een geringe toetsing van het rekest en een goede voorbereiding van de zaak door de advocaat van de beslagen partij. Advocaten van beslagenen schatten de kansen als goed, indien sprake is van een duidelijk aantoonbaar summiere ondeugdelijke vordering dan wel onnodig of vexatoir beslag. Talrijker waren de toelichtingen waarom de kansen als minder goed worden beoordeeld. In dit opzicht bestaat geen onderscheid in de respons van advocaten uit beide groepen; zij worden derhalve gezamenlijk besproken. De kansen werden gering geacht omdat het beslag niet wordt opgeheven indien enigszins sprake is van een hoofdvordering of als hier maar enige twijfel over bestaat,11 een vordering snel summierlijk is aangetoond,12 omdat er (te) weinig wordt gekeken naar het verlof zelf, ten gevolge van de complexiteit van de zaak, door de wettelijke regeling en jurisprudentie op dit gebied13 dan wel omdat het om een voorlopig oordeel gaat.