NJB 2026/652:Het ‘aanwezig hebben’ van hennep, art. 2 aanhef en onder C en art. 3 aanhef en onder C Opiumwet: daarvan is sprake als de verdachte feitelijke macht over de verdovende middelen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. De verdovende middelen hoeven zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. Evenmin is daartoe vereist dat de verdovende middelen aan de verdachte toebehoren of dat sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid over de verdovende middelen. In casu heeft het hof bewezenverklaard dat de verdachte opzettelijk een hoeveelheid van 28,7 kilogram hennep aanwezig heeft gehad erop gelet dat het niet anders kan dan dat de verdachte zich bewust is geweest van de grote hoeveelheid sterk ruikende hennep die in de kelder van de woonboot van een betrokkene is aangetroffen en dus in haar nabije omgeving aanwezig was, dat het binnenbrengen van meerdere zakken van deze hennep met het nodige lawaai gepaard moet zijn gegaan en dat de verklaring van de verdachte dat zij lag te slapen, ongeloofwaardig is. Deze omstandigheden zijn niet zonder meer voldoende om aan te nemen dat de verdachte – als pleger – de hennep opzettelijk aanwezig heeft gehad.