Rb. Amsterdam, 26-04-2024, nr. 9537271 CV EXPL 21-16160
ECLI:NL:RBAMS:2024:2644
- Instantie
Rechtbank Amsterdam
- Datum
26-04-2024
- Zaaknummer
9537271 CV EXPL 21-16160
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBAMS:2024:2644, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 26‑04‑2024; (Eerste aanleg - enkelvoudig, Verzet)
ECLI:NL:RBAMS:2022:8265, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 30‑08‑2022; (Eerste aanleg - enkelvoudig, Tussenuitspraak)
Uitspraak 26‑04‑2024
Inhoudsindicatie
vervolg op tussenvonnis na prejudiciële vragen aan de Hoge Raad, verzet niet tijdig, opposant niet-ontvankelijk, ook niet op grond van artikel 6 EVRM, verstekvonnis heeft kracht van gewijsde ondanks dat in die procedure de huurovereenkomst niet ambtshalve is getoetst aan de richtlijn oneerlijke bedingen, opposant kan wel worden ontvangen in zijn tegeneis
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 9537271 CV EXPL 21-16160
vonnis van: 26 april 2024
fno.: 515
vonnis van de kantonrechter
I n z a k e
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser in oppositie,
nader te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. W. Albers,
t e g e n
de stichting WOONSTICHTING ROCHDALE,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde in oppositie,
nader te noemen: Rochdale,
gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders B.V.
VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Op 3 maart 2023 is een tussenvonnis gewezen. Op 31 maart 2023 heeft Rochdale nog een akte ingediend.
Ter uitvoering van het tussenvonnis heeft de Hoge Raad op 24 november 2023 arrest gewezen.
Bij rolmededeling van 8 december 2023 is vervolgens een mondelinge behandeling bepaald, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich hierover en de voortgang uit te laten.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 februari 2024. Namens [eiser] is de gemachtigde verschenen. Namens Rochdale is als gemachtigde [naam 1] verschenen, vergezeld van [naam 2] en [naam 3] . Partijen hebben een nadere toelichting gegeven en vragen van de kantonrechter beantwoord. Namens [eiser] is nog een aanvulling op de eis in reconventie ingediend.
Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.
GRONDEN VAN DE BESLISSING
Beoordeling
Bij vonnis van 3 maart 2023 zijn prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 24 november 2023 de vraag of de jurisprudentie van het Europese Hof in de arresten van 17 mei 2022 (ECLI:EU:C:2022:394, 395, 396 en 397) ertoe leiden dat in verzetzaken tussen een handelaar en een consument de wettelijke termijn van verzet ambtshalve buiten toepassing zou moeten blijven indien uit het verstekvonnis niet blijkt van ambtshalve toetsing op oneerlijkheid van bedingen die aan de vordering ten grondslag zijn gelegd, c.q. kunnen worden gelegd, ontkennend beantwoord.
Dat betekent dat [eiser] niet ontvankelijk is in het (niet tijdig) ingestelde verzet, tenzij hem een beroep op artikel 6 van het Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) toekomt.
Bij deze beoordeling geldt tot uitgangspunt dat onverkorte toepassing van de regeling van de verzettermijn achterwege dient te blijven indien die tot een resultaat leidt dat niet voldoet aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM en wel in het bijzonder in een situatie waarin een bij verstek veroordeelde pas in het stadium van tenuitvoerlegging met het veroordelend vonnis bekend raakt (HR 16 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2341). Hetzelfde geldt als hij na de tenuitvoerlegging met het vonnis bekend raakt.
Een dergelijk beroep op artikel 6 EVRM komt [eiser] onder de gegeven omstandigheden niet toe. Vaststaat dat de woning van [eiser] is ontruimd in 2014, hij bij die ontruiming niet aanwezig was en dat [eiser] in 2016 is teruggekomen in Nederland en op dat moment wist dat hij niet meer de beschikking had over zijn woning. Voorts staat vast dat de huurschuld op basis waarvan de ontruiming is uitgesproken sedert april 2018 door [eiser] in termijnen is afbetaald. Dat betekent dat [eiser] in ieder geval op dat moment met de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis bekend was. Tegen die achtergrond is het instellen van verzet bij dagvaarding van 4 november 2021 ver buiten de termijn waarbinnen hem een beroep op artikel 6 EVRM zou kunnen toekomen. Dat de gemachtigde van [eiser] het verstekvonnis zelf pas op 7 oktober 2021 heeft ontvangen maakt dit niet anders.
Het vorenstaande leidt ertoe dat [eiser] niet tijdig in verzet is gekomen en hij niet ontvankelijk is.
[eiser] wordt veroordeeld in de kosten van de verzetprocedure, waarbij voor de waarde van de vordering aansluiting wordt gezocht bij de verstekvordering en het aantal punten wordt bepaald op drie.
De vorderingen van [eiser]
8. De niet-ontvankelijkheid in het verzet wegens termijnoverschrijding brengt niet mee dat de door [eiser] ingestelde vorderingen niet kunnen worden beoordeeld (zie Hoge Raad 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:585). Indien de betrokken partij te kennen geeft ingeval van niet-ontvankelijkheid in het verzet toch beoordeling van haar vordering te wensen, kan het exploot worden aangemerkt als een gewone dagvaarding, die een nieuwe procedure inluidt. Uit de stellingname van de gemachtigde van [eiser] bij gelegenheid van de comparitie van 12 februari 2024 wordt dit aangenomen, nu de gemachtigde een vordering tot betaling van buitengerechtelijke kosten heeft ingesteld en heeft verklaard dat hij de vordering tot het ter beschikking stellen van de woning, althans een andere woning niet kan intrekken, omdat hij geen contact heeft gehad met [eiser] .
9. Voor zover Rochdale ten tijde van de laatste mondelinge behandeling heeft betoogd dat de wijziging van eis inzake de buitengerechtelijke incassokosten in strijd is met de goede procesorde, wordt zij daarin niet gevolgd. In het tussenvonnis van 20 januari 2023 was zij reeds op deze mogelijkheid gewezen, het betreft een relatief overzichtelijke vordering en zij is in de gelegenheid geweest tijdens de mondelinge behandeling hierop te reageren zodat zij hierdoor niet onevenredig in haar belang is geschaad.
De vordering ten aanzien van de woning
10. Tussen partijen staat vast dat de woning van [eiser] op basis van het verstekvonnis van3 maart 2014 in verband met een huurachterstand is ontruimd. Dit vonnis heeft ten aanzien van deze ontruiming kracht van gewijsde gekregen. Daarmee is het vonnis, ondanks dat niet ambtshalve is getoetst op het bestaan van oneerlijke bedingen, onherroepelijk en kan daar in een latere procedure niet meer op worden terug gekomen. Zoals in rechtsoverweging 11 van het tussenvonnis van 20 januari 2023 is overwogen, had ambtshalve toetsing ten aanzien van de huurprijs en de ontruiming niet tot een ander oordeel geleid. Dat brengt mee dat voor het ter beschikking stellen van deze woning, of een andere woning, geen rechtsgrond is, zodat dit deel van de vordering wordt afgewezen.
De vordering tot terugbetaling van de buitengerechtelijke kosten.
11. Ook ten aanzien van deze vordering geldt dat [eiser] bij verstekvonnis van 3 maart 2014 is veroordeeld tot betaling van deze kosten. Zoals in het tussenvonnis van 20 januari 2023 reeds is overwogen in rechtsoverweging 10 en 12 is het incassokostenbeding van Rochdale oneerlijk en had moeten worden geoordeeld dat [eiser] deze kosten niet was verschuldigd. Daarmee is sprake van een onjuist vonnis. Het rechtszekerheidsbeginsel staat er echter aan in de weg dat in deze procedure dit vonnis op dit punt nog kan worden opengebroken. Dit vonnis heeft, zoals hiervoor overwogen, kracht van gewijsde gekregen. De uitzondering dat vanwege inachtneming van het doeltreffendheidsbeginsel de nationale procedureregels buiten toepassing moet worden gelaten om zo een schending van een bepaling van Richtlijn 93/13 alsnog op te heffen, is ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 24 november 2023 dan ook niet aan de orde. De omstandigheid dat in dit verstekvonnis geen overweging is opgenomen over ambtshalve toetsing van oneerlijke bedingen en die toetsing ook niet heeft plaatsgevonden, maakt dit niet anders. Vastgesteld kan worden dat aan [eiser] daarmee weliswaar geen effectieve rechterlijke bescherming is geboden voor zijn uit genoemde richtlijn voortvloeiende rechten, maar dit kan niet leiden tot toewijzing van zijn vordering jegens Rochdale.
11. Wel wordt daarin aanleiding gezien de kosten in de tegeneis te compenseren.
BESLISSING
De kantonrechter:
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde verzet tegen het op3 maart 2014 door de kantonrechter te Amsterdam gewezen vonnis onder rolnummer 2767409 CV EXPL 14-3889;
veroordeelt [eiser] in de kosten van de verzetprocedure, tot deze uitspraak aan de zijde van Rochdale begroot op € 612,00 aan salaris gemachtigde, voor zover van toepassing, inclusief btw;
veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 68,00 aan salaris gemachtigde, voor zover van toepassing inclusief btw;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
In de zelfstandige vorderingen van [eiser]
wijst de vorderingen van [eiser] af;
compenseert de proceskosten tussen partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.
Uitspraak 30‑08‑2022
Inhoudsindicatie
Ontvankelijk na verlopen van de verzettermijn? wel of geen gezag van gewijsde, ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen, Ibercaja Banco-arrest (ECLI:EU:C:2022:394), zitting bepaald zodat partijen zich kunnen uitlaten.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 9537271 CV EXPL 21-16160
vonnis van: 30 augustus 2022
fno.: 561
vonnis van de kantonrechter
I n z a k e
[eiser]
wonende te [woonplaats]
eiser in oppositie
nader te noemen: [eiser]
gemachtigde: mr. W. Albers
t e g e n
Woonstichting Rochdale
gevestigd te Amsterdam
gedaagde in oppositie
nader te noemen: Rochdale
gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders B.V.
VERLOOP VAN DE PROCEDURE
De kantonrechter is uitgegaan van de volgende processtukken en proceshandelingen:
oorspronkelijke dagvaarding van 3 februari 2014,
verstekvonnis van 3 maart 2014 (CV 14-3889);
dagvaarding in verzet van 4 november 2021, met producties;
instructievonnis;
‘conclusie tot niet-ontvankelijkheid’, tevens conclusie van antwoord in oppositie, tevens akte aanpassing vordering, met producties;
repliek in oppositie;
dagbepaling vonnis.
GRONDEN VAN DE BESLISSING
Feiten
1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast.
1.1.
[eiser] heeft met Rochdale een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de woning aan het adres [adres] . De huurprijs bedroeg laatstelijk € 478,43 per maand en was bij vooruitbetaling verschuldigd.
1.2.
[eiser] heeft een huurachterstand laten ontstaan.
1.3.
Op 3 februari 2014 heeft Rochdale [eiser] gedagvaard in verband met de huurachterstand en heeft zij ontbinding en ontruiming gevorderd en betaling van de huurachterstand. De dagvaarding is aan [eiser] uitgebracht op het adres van het gehuurde, waarbij het afschrift van het exploot is achtergelaten in een gesloten envelop omdat de deurwaarder op het adres niemand aantrof aan wie rechtsgeldig afschrift kon worden gelaten.
1.4.
Bij verstekvonnis van 3 maart 2014 is de huurovereenkomst ontbonden en is [eiser] veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde. Voorts is [eiser] veroordeeld tot betaling aan Rochdale van € 478,43 per maand voor iedere maand dat [eiser] na 28 februari 2014 in het genot blijft van het gehuurde, en tot betaling van€ 2.042,58 aan huurachterstand, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke kosten, en de proceskosten.
1.5.
Het vonnis is op 12 maart 2014 aan [eiser] betekend door achterlating van het exploot in een gesloten envelop aan het adres van het gehuurde. Daarbij is aangekondigd dat indien geen gehoor wordt gegeven aan het in dat exploot gedane bevelen tot ontruiming en betaling zal worden overgegaan tot de tenuitvoerlegging van het vonnis, onder andere door gerechtelijke ontruiming van het gehuurde op 8 april 2014.
1.6.
Op 8 april 2014 heeft de aangekondigde ontruiming van het gehuurde plaatsgevonden.
1.7.
Op 21 juli 2014 heeft Rochdale executoriaal derdenbeslag gelegd onder de Belastingdienst, dienst Toeslagen, op de huurtoeslag van [eiser] . Het exploot van beslaglegging is niet aan [eiser] of openbaar overbetekend. In de periode augustus 2014 tot en met november 2014 heeft Rochdale vier inhoudingen van in totaal € 872,00 ontvangen als gevolg van dit beslag.
1.8.
Bij brief van 21 februari 2018 heeft de gemachtigde van Rochdale, Syncasso, aan [eiser] een ‘aankondiging beslaglegging’ gestuurd. Daarin is vermeld dat [eiser] in de zaak van Woningstichting Rochdale niet (alles) betaald heeft, ondanks exploot van de deurwaarder. Syncasso kondigt aan dat er nu beslag zal worden gelegd op [eiser] ’s inboedel en/of inkomen. De brief is gericht aan het nieuwe adres van [eiser] in Amsterdam.
1.9.
Naar aanleiding van de hiervoor bedoelde brief heeft [eiser] met Syncasso een betalingsregeling getroffen. Vanaf 26 april 2018 heeft [eiser] maandelijks€ 25,00 aan Syncasso betaald. Vanaf 28 januari 2019 betaalde [eiser] € 75,00 per maand aan Syncasso.
1.10.
Op 7 oktober 2021 heeft de gemachtigde van [eiser] het verstekvonnis van Syncasso ontvangen. De gemachtigde heeft het vonnis op 12 oktober 2021 met [eiser] besproken.
Het geschil
2. In deze verzetprocedure vordert [eiser] vernietiging van het verstekvonnis van 3 maart 2014 en niet-ontvankelijkverklaring van Rochdale in haar vordering, dan wel deze aan haar te ontzeggen of te matigen zodat [eiser] weer het genot van de huurovereenkomst moet worden verschaft, dit alles met veroordeling van Rochdale in zowel de verstek- als de verzetprocedure.
3. [eiser] meent dat hij ontvankelijk is in zijn verzet. Toepassing van artikel 143 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet in dit geval op grond van artikel 6 EVRM achterwege worden gelaten. [eiser] is namelijk niet eerder dan op 12 oktober 2021 met het vonnis en de inhoud daarvan bekend geraakt. Van 2012 tot 2016 verbleef hij noodgedwongen in het buitenland. Bij terugkeer in Nederland was hij getraumatiseerd. Hij was niet goed op de hoogte van het Nederlandse rechtssysteem. Er kon niet van hem verwacht worden dat hij zich realiseerde dat hij zijn huis was kwijtgeraakt op basis van een gerechtelijk vonnis en dat hij daartegen in verzet kon komen.
4. Verder voert [eiser] aan dat hij de huurachterstand van zo’n € 2.300,00 door middel van een betalingsregeling inmiddels heeft ingelopen. Er is nu dus geen sprake van een huurachterstand. Hij betwist dat de schadevergoeding met betrekking tot de ontruiming voor zijn rekening komt en dat de overeenkomst mocht worden ontbonden. In een normaal geval was dat misschien wel zo, maar in zijn geval waren de omstandigheden zo bijzondere dat ontbinding niet gerechtvaardigd was. Bovendien waren de gevolgen te groot. De tekortkoming was [eiser] ook niet toe te rekenen. Ook was hij niet in verzuim, omdat de ingebrekestelling hem nooit heeft bereikt.
5. Rochdale voert in de eerste plaats aan dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn verzet, omdat dat hoe dan ook te laat is ingesteld: hetzij omdat de termijn van artikel 143 lid 3 juncto 144 sub b Rv is verstreken, hetzij omdat de termijn van artikel 143 lid 3 juncto 144 sub d Rv is verstreken, hetzij omdat Rochdale inmiddels ervan uit mocht gaan dat [eiser] in het vonnis berustte. [eiser] wist immers al sinds 2016 dat hij niet meer in zijn huis kon en hij wist sinds 2018 van het vonnis en het als gevolg daarvan gelegde beslag. Toch heeft hij pas in 2021 verzet ingesteld.
6. Voorts voert Rochdale aan dat [eiser] de huurachterstand zoals die bestond inmiddels weliswaar nagenoeg heeft afbetaald, maar dat dit er niet toe kan leiden dat Rochdale hem het huurgenot weer teruggeeft. Daarvoor is geen rechtsgrond. Rochdale heeft niet onrechtmatig ontruimd. Rochdale wijst er nog op dat huur een brengschuld is met een fatale termijn, zodat ingebrekestelling niet nodig is. Naar aanleiding van ontvangen betalingen en enkele onvolkomenheden in eerdere specificaties wijzigt Rochdale haar vordering nog iets ten opzichte van hetgeen in het verstekvonnis is toegewezen. De vordering bedraagt thans, inclusief alle proces- en executiekosten, € 2.002,59, aldus Rochdale.
De beoordeling
7. Partijen hebben hun pijlen in de eerste plaats gericht op de vraag het door [eiser] ingestelde verzet tijdig is, gelet op de termijnen voor het instellen van verzet als bepaald in de artikelen 143 en verder Rv, en, eventueel, het bepaalde in 6 EVRM.
8. Indien de kantonrechter tot het oordeel zou komen dat het verzet niet tijdig is ingesteld, dient [eiser] niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn verzet en wordt aan een inhoudelijke beoordeling van de oorspronkelijke vordering van Rochdale niet meer toegekomen. Het verstekvonnis heeft dan gezag van gewijsde.
9. Het is echter maar de vraag of de kantonrechter aan een beoordeling van die vraag toekomt. Ter toelichting dient het volgende.
10. Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) moet de nationale rechter ambtshalve – dus ook indien geen verweer is gevoerd – toetsen of een contractueel beding dat binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 valt, oneerlijk is.
11. In zijn arrest van 17 mei 2022 (Ibercaja Banco, C-600/19, ECLI: EU:C:2022:394) heeft het Hof geoordeeld dat een doeltreffende controle van de mogelijke oneerlijkheid van contractuele bedingen, zoals vereist door richtlijn 93/13, niet kan worden gewaarborgd indien het gezag van gewijsde ook geldt voor rechterlijke beslissingen waarin van een dergelijke toetsing geen gewag wordt gemaakt.
12. De kantonrechter stelt vast dat in het verstekvonnis van 3 maart 2014, waartegen [eiser] verzet heeft ingesteld, in ieder geval geen gewag is gemaakt van enige ambtshalve toetsing als hiervoor bedoeld in r.o. 11. Er is niet vermeld dat ambtshalve toetsing door de kantonrechter heeft plaatsgevonden, de toetsing is – zo die al heeft plaatsgevonden – niet gemotiveerd, en ook is niet vermeld waar die toetsing toe heeft geleid.
13. Gelet op het hiervoor bedoelde arrest van het Hof van 17 mei 2022 zou dit kunnen betekenen dat aan het verstekvonnis geen gezag van gewijsde toekomt, ook als geoordeeld zou worden dat het verzet niet tijdig is ingesteld.
14. De kantonrechter ziet in dit alles aanleiding om een comparitie van partijen te bepalen. Daarbij kunnen partijen zich uitlaten over de vraag tot welke gevolgen het arrest van het Hof in de onderhavige procedure moet leiden, zowel in formele als in praktische zin. Voor het geval de kantonrechter (alsnog of opnieuw) tot ambtshalve toetsing moet overgaan, dient Rochdale ook een kopie van de huurovereenkomst met de daarbij behorende algemene voorwaarden in het geding te brengen, zoals die golden ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst tussen partijen.
15. Op de rolzitting van vrijdag over 14 dagen zal een datum worden bepaald voor de comparitie, nadat partijen in de gelegenheid zijn geweest om tot uiterlijk 3 werkdagen voor die zitting hun verhinderdata over een periode van vijf maanden, ingaande vier weken na heden, schriftelijk op te geven aan het Bureau Teamplanner per post (postbus 70515, 1007 KM Amsterdam) of per e-mail (teamplannerD.kanton.rb.amsterdam@rechtspraak.nl). Bij de opgave van de verhinderdata moeten kenmerk van de zaak en de datum van de rolzitting vermeld worden. Op deze rolzitting hoeven partijen dus nog niet te verschijnen. Na afloop van de rolzitting krijgen partijen schriftelijk bericht van de datum waarop de bijeenkomst van partijen zal plaatsvinden.
16. Partijen kunnen maximaal 20 dagdelen als verhindering opgeven. Indien toch meer dan 20 dagdelen als verhindering worden opgegeven, zal daar niet in alle gevallen rekening mee kunnen worden gehouden. Indien een partij binnen genoemde termijn geen verhinderdata opgeeft, zal het tijdstip van de bijeenkomst van partijen worden vastgesteld zonder verhinderingen van die partij in de planning te betrekken.
17. Na vaststelling van de datum van de bijeenkomst van partijen wordt geen uitstel van die datum verleend. Eventueel ter gelegenheid van de bijeenkomst over te leggen stukken dienen uiterlijk zeven werkdagen voor de datum van de bijeenkomst ter griffie te zijn ingediend, waarbij uit veiligheidsoverwegingen geen gebruik kan worden gemaakt van eerder genoemd e-mailadres, onder gelijktijdige verzending van een afschrift aan (de gemachtigde van) de wederpartij. Partijen wordt verzocht in hun toezendbrief expliciet aan te geven dat deze verzending daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.
18. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
BESLISSING
De kantonrechter:
gelast partijen, [eiser] in persoon en Rochdale deugdelijk vertegenwoordigd, te verschijnen ter zitting van de kantonrechter in het gerechtsgebouw aan het adres Parnassusweg 280 te Amsterdam op een nog vast te stellen datum;
bepaalt dat de zaak eerst zal dienen ter rolzitting van vrijdag 16 september 2022 te 10.00 uur voor het vaststellen van de datum voor de verschijning van partijen;
bepaalt dat verhinderdata kunnen worden opgegeven als hiervoor vermeld;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2022 in tegenwoordigheid van de griffier.