HR, 02-12-2025, nr. 24/03509 B
ECLI:NL:HR:2025:1717
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
02-12-2025
- Zaaknummer
24/03509 B
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1717, Uitspraak, Hoge Raad, 02‑12‑2025; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:865
ECLI:NL:PHR:2025:865, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 26‑08‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1717
Beroepschrift, Hoge Raad, 30‑10‑2024
- Vindplaatsen
Uitspraak 02‑12‑2025
Inhoudsindicatie
OM-cassatie. Beschikking op vordering OvJ ex art. 552f Sv tot onttrekking aan het verkeer van mobiele telefoon met kinderporno en dierenporno. Kon Rb vordering afwijzen en teruggave van telefoon gelasten? Rb heeft (op de grond dat op telefoon ‘kinderporno’ en ‘dierenporno’ zijn aangetroffen) overwogen dat ongecontroleerd bezit van telefoon in strijd is met wet en algemeen belang en dat vordering tot onttrekking aan het verkeer daarom in beginsel voor toewijzing vatbaar is. Rb heeft vervolgens geoordeeld dat onttrekking aan het verkeer van telefoon ‘disproportioneel’ zou zijn omdat het gaat om ‘zeer gering aantal bestanden, die bovendien al zijn geïdentificeerd door politie’, dat uit niets is gebleken dat het technisch onmogelijk is telefoon te ontdoen van aangetroffen bestanden, dat telefoon aanzienlijke waarde heeft en dat door onttrekking aan het verkeer persoonlijke bestanden verloren zouden gaan die van waarde zijn voor belanghebbende. Op grond daarvan heeft Rb vordering van OvJ afgewezen en teruggave van telefoon aan belanghebbende gelast. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2023:471, inhoudende dat procedure van art. 36b.1.4 Sr jo. 552f.2 Sv er niet in voorziet dat rechter, als hij oordeelt dat vordering moet worden afgewezen, teruggave van inbeslaggenomen voorwerp gelast. Daarom is in bestreden beschikking besloten liggend oordeel van Rb dat wet voorziet in beslissing als door Rb genomen, onjuist. Afwijzing van vordering tot onttrekking aan het verkeer is ook niet begrijpelijk. Gronden die Rb daarvoor heeft aangedragen, kunnen (gelet op vaststelling van Rb dat op telefoon ‘kinderporno’ en ‘dierenporno’ zijn aangetroffen) afwijzing niet dragen. HR merkt op dat rechter die onttrekking aan het verkeer oplegt, o.g.v. art. 33c.2 jo. 36b.2 Sr geldelijke tegemoetkoming kan toekennen als dat nodig is om te voorkomen dat degene aan wie voorwerpen toebehoren, door onttrekking onevenredig zou worden getroffen (vgl. HR:2018:1156) en dat wettelijk stelsel zich er niet tegen verzet dat (zoals uiteengezet in HR:2025:1716) rechter die onttrekking aan het verkeer oplegt, na verzoek van verdediging dat voldoet aan de in dat arrest gestelde eisen, kan gelasten dat aan verdachte (kopie van) één of meer bestanden die zich op gegevensdrager bevinden, wordt (of worden) verstrekt. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/03509 B
Datum 2 december 2025
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Den Haag van 13 juni 2023, nummer RK 23/008708, op een vordering als bedoeld in artikel 552f lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, in de zaak
van
[belanghebbende] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
hierna: de belanghebbende.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De raadsvrouw van de belanghebbende, L.E.G. van der Hut, heeft het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Den Haag, teneinde de bestaande vordering opnieuw te beoordelen en af te doen.
2. Beoordeling van de cassatiemiddelen
2.1
Het eerste cassatiemiddel klaagt over de afwijzing door de rechtbank van de vordering tot onttrekking aan het verkeer van een mobiele telefoon. Het tweede cassatiemiddel klaagt dat de rechtbank de teruggave van die telefoon heeft gelast. De cassatiemiddelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
2.2.1
De officier van justitie heeft een vordering als bedoeld in artikel 552f lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) ingediend die strekt tot onttrekking aan het verkeer van een mobiele telefoon omdat daarop foto- en videobestanden als bedoeld in artikel 240b (oud) en 254a (oud) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) – kort gezegd: ‘kinderporno’ en ‘dierenporno’ – zijn aangetroffen.
2.2.2
De beschikking van de rechtbank houdt onder meer in:
“Het oordeel van de rechtbank
In raadkamer is aannemelijk geworden dat de telefoon op 14 januari 2022 onder de belanghebbende in beslag is genomen. Het voorwerp is inbeslaggenomen bij gelegenheid van een onderzoek naar een gepleegd misdrijf, te weten bezit kinderporno (art. 240b Wetboek van Strafrecht (Sr)) en bezit dierenporno (art. 254a Sr).
Het ongecontroleerde bezit van de telefoon is in strijd met de wet en het algemeen belang. De vordering van de officier van justitie is derhalve op de wet gegrond en in beginsel voor toewijzing vatbaar. De rechtbank zal echter toch de teruggave gelasten aan de veroordeelde van de mobiele telefoon. Het gaat in dit geval om een zeer gering aantal bestanden, die bovendien al zijn geïdentificeerd door de politie. Daar komt bij dat de telefoon een aanzienlijke waarde heeft en dat met de onttrekking aan het verkeer bovendien persoonlijke bestanden verloren zouden gaan die van waarde zijn voor de belanghebbende. Uit niets is gebleken dat het technisch onmogelijk is de telefoon te ontdoen van de aangetroffen bestanden. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het in dit geval disproportioneel zou zijn om de telefoon te onttrekken aan het verkeer. De rechtbank gelast dan ook de teruggave van de telefoon aan de belanghebbende.
Beslissing
De rechtbank:
wijst af de vordering tot onttrekking aan het verkeer en gelast de teruggave van een Samsung telefoon (met goednummer PL1500-2022013476-2708954) aan de belanghebbende.”
2.3
De rechtbank heeft – op de grond dat op de inbeslaggenomen telefoon ‘kinderporno’ en ‘dierenporno’ zijn aangetroffen – overwogen dat het ongecontroleerde bezit van de telefoon in strijd is met de wet en het algemeen belang en dat de vordering tot onttrekking aan het verkeer van de telefoon daarom in beginsel voor toewijzing vatbaar is. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat de onttrekking aan het verkeer van de telefoon “disproportioneel” zou zijn. Daartoe heeft zij overwogen dat het gaat om “een zeer gering aantal bestanden, die bovendien al zijn geïdentificeerd door de politie”, dat uit niets is gebleken dat het technisch onmogelijk is de telefoon te ontdoen van de aangetroffen bestanden, de telefoon een aanzienlijke waarde heeft en dat door de onttrekking aan het verkeer persoonlijke bestanden verloren zouden gaan die van waarde zijn voor de belanghebbende. Op grond daarvan heeft de rechtbank de vordering van de officier van justitie afgewezen en de teruggave van de telefoon aan de belanghebbende gelast.
2.4
In artikel 36b lid 1, aanhef en onder 4º, Sr is de mogelijkheid geopend om voorwerpen bij afzonderlijke rechterlijke beschikking aan het verkeer te onttrekken, op een vordering als bedoeld in artikel 552f lid 2 Sv. Die procedure voorziet er niet in dat de rechter, als hij oordeelt dat de vordering moet worden afgewezen, de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelast. (Vgl. HR 18 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:471.) Daarom is het in de bestreden beschikking besloten liggende oordeel van de rechtbank dat de wet voorziet in een beslissing als door de rechtbank genomen, onjuist.
2.5
De afwijzing van de vordering tot onttrekking aan het verkeer is ook niet begrijpelijk. De gronden die de rechtbank daarvoor heeft aangedragen, kunnen – gelet op de vaststelling van de rechtbank dat op de telefoon ‘kinderporno’ en ‘dierenporno’ zijn aangetroffen – die afwijzing niet dragen.
2.6
Opmerking verdient dat de rechter die de onttrekking aan het verkeer van een inbeslaggenomen voorwerp oplegt, op grond van artikel 33c lid 2 in samenhang met artikel 36b lid 2 Sr een geldelijke tegemoetkoming kan toekennen als dat nodig is om te voorkomen dat degene aan wie de onttrokken voorwerpen toebehoren, door die onttrekking onevenredig zou worden getroffen (vgl. HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1156). Verder verdient opmerking dat het wettelijk stelsel zich er niet tegen verzet dat – zoals de Hoge Raad heeft uiteengezet in het vandaag in de zaak 24/00675 uitgesproken arrest ECLI:NL:HR:2025:1716 – de rechter die de onttrekking aan het verkeer oplegt, na een verzoek van de verdediging dat voldoet aan de in dat arrest gestelde eisen, kan gelasten dat aan de verdachte (een kopie van) één of meer bestanden die zich op de gegevensdrager bevinden, wordt (of worden) verstrekt.
2.7
De cassatiemiddelen slagen.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 december 2025.
Conclusie 26‑08‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie A-G. OM-cassatie. OahV van een telefoon waarop kinder- en dierenporno is aangetroffen. Het eerste middel, inhoudende dat de door de rechtbank gemaakte belangenafweging, die ten grondslag is gelegd aan de afwijzing van de vordering ex art. 552f Sv, geen steun vindt in het recht, slaagt. Het tweede middel, inhoudende dat de wet geen mogelijkheid kent om in de procedure waarin een vordering OahV o.g.v. art. 552f Sv wordt afgewezen, de teruggave van dat voorwerp te gelasten, slaagt eveneens. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/03509 B
Zitting 26 augustus 2025
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[betrokkene],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
hierna: de betrokkene
1. Het cassatieberoep
1.1
De enkelvoudige raadkamer van de rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 13 juni 2023 (parketnummer 09-103508-22) de afzonderlijke vordering van de officier van justitie tot onttrekking aan het verkeer van een telefoon afgewezen en de teruggave ervan gelast aan de beslagene.
1.2
Het cassatieberoep is op 22 juni 2023 ingesteld door [naam 1], officier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag. Namens het Openbaar Ministerie heeft [naam 2], plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag, twee middelen van cassatie voorgesteld. In de middelen wordt opgekomen tegen (de motivering van) de afwijzing van de vordering en de teruggave van de telefoon.
1.3
Namens de betrokkene heeft L.E.G. van der Hut, advocaat te Den Haag, de middelen van cassatie schriftelijk tegengesproken.
1.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Den Haag, teneinde de bestaande vordering opnieuw te beoordelen en af te doen.
2. De zaak en het oordeel van de rechtbank
2.1
Op de telefoon van de betrokkene zijn vier videobestanden met dierenporno en vier fotobestanden en één videobestand met kinderporno aangetroffen.
2.2
De rechtbank heeft de vordering van de officier van justitie, strekkende tot onttrekking aan het verkeer van de betreffende telefoon, afgewezen en de teruggave ervan gelast. De rechtbank heeft dat oordeel als volgt gemotiveerd:
“In raadkamer is aannemelijk geworden dat de telefoon op 14 januari 2022 onder de belanghebbende in beslag is genomen. Het voorwerp is inbeslaggenomen bij gelegenheid van een onderzoek naar een gepleegd misdrijf, te weten bezit kinderporno (art. 240b Wetboek van Strafrecht (Sr)) en bezit dierenporno (art. 254a Sr).
Het ongecontroleerde bezit van de telefoon is in strijd met de wet en het algemeen belang. De vordering van de officier van justitie is derhalve op de wet gegrond en in beginsel voor toewijzing vatbaar. De rechtbank zal echter toch de teruggave gelasten aan de veroordeelde van de mobiele telefoon. Het gaat in dit geval om een zeer gering aantal bestanden, die bovendien al zijn geïdentificeerd door de politie. Daar komt bij dat de telefoon een aanzienlijke waarde heeft en dat met de onttrekking aan het verkeer bovendien persoonlijke bestanden verloren zouden gaan die van waarde zijn voor de belanghebbende. Uit niets is gebleken dat het technisch onmogelijk is de telefoon te ontdoen van de aangetroffen bestanden. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het in dit geval disproportioneel zou zijn om de telefoon te onttrekken aan het verkeer. De rechtbank gelast dan ook de teruggave van de telefoon aan de belanghebbende.”
3. Het eerste middel
3.1
Het eerste middel behelst de klacht dat het oordeel van de rechtbank getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het gegeven dat het gaat om een zeer gering aantal bestanden die al waren geïdentificeerd door de politie, de telefoon een aanzienlijke waarde heeft en dat met de onttrekking aan het verkeer persoonlijke bestanden met waarde voor de betrokkene verloren zouden gaan, niet ten grondslag kan liggen aan de afwijzing van de vordering. Als de rechtbank eenmaal heeft vastgesteld dat het ongecontroleerde bezit van de telefoon in strijd is met de wet en het algemeen belang, kan vanwege bijvoorbeeld vastgestelde disproportionaliteit slechts een vergoeding of geldelijke tegemoetkoming in beeld komen. Voor de door de rechtbank gemaakte belangenafweging (en het daarop gestoelde oordeel) kan volgens de steller van het middel geen steun worden gevonden in het recht.
3.2
In aanvulling daarop wordt door de steller van het middel de begrijpelijkheid c.q. de motivering van het oordeel bestreden. De teruggave zou er volgens hem toe leiden dat de rechtbank en het Openbaar Ministerie zich (in verschillende deelnemingsvormen) schuldig zouden maken aan de verspreidingsdelicten van art. 252 Sr en 254c Sr. Bovendien zou de rechtbank “in haar motivering onder ogen moeten [hebben gezien] of afwijzing van de vordering met de last tot teruggave tot gevolg zou hebben dat het voorwerp, dat van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of het algemeen belang, aan de rechthebbende zou dienen te worden teruggegeven en aldus wederom in het verkeer zou worden gebracht.” Ten slotte heeft de rechtbank, voor zover zij tot uitdrukking heeft willen brengen dat de telefoon slechts hoeft te worden teruggegeven indien de telefoon is ontdaan van de aangetroffen kinder- en dierenporno, een beslissing genomen waar de wet niet in voorziet, aldus de steller van het middel.
3.3
De rechtbank heeft overwogen dat het ongecontroleerde bezit van de telefoon in strijd is met de wet en het algemeen belang en dat de vordering van de officier van justitie strekkende tot onttrekking aan het verkeer “in beginsel” voor toewijzing vatbaar is. Gelet op diverse omstandigheden heeft de rechtbank het “disproportioneel” geacht om de telefoon te onttrekken aan het verkeer en heeft ze “echter toch” de teruggave gelast. Omdat de wet niet voorziet in een dergelijke inhoudelijke proportionaliteitstoets of belangenafweging, getuigt het oordeel van de rechtbank reeds daarom van een onjuiste rechtsopvatting.
3.4
Hetgeen namens de betrokkene in de schriftuur houdende tegenspraak naar voren is gebracht, te weten dat de bescherming van eigendom zoals opgenomen in art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM in gevallen als het onderhavige een proportionaliteitstoets vergt, doet daar niet aan af. In dat licht zij opgemerkt dat de wet daar op andere wijze aan tegemoetkomt en voorziet in mogelijkheden om een onevenredige last op c.q. een onevenredig treffen van de betrokkene te voorkomen of te compenseren.1.
3.5
Met het slagen van de rechtsklacht, behoeven de aanvullende in het middel opgenomen (motiverings)klachten m.i. geen bespreking meer. Indien de Hoge Raad hierover anders oordeelt, ben ik uiteraard bereid ten aanzien van het eerste middel aanvullend te concluderen.
3.6
Het eerste middel slaagt.
4. Het tweede middel
4.1
Met het oog op een (eventuele) terugwijzing van de zaak naar aanleiding van het slagen van het eerste middel en gelet op wat in de cassatieschriftuur, alsmede in de schriftuur houdende tegenspraak naar voren is gebracht, zie ik aanleiding om, ondanks het reeds slagen van het eerste middel, ook het tweede middel te bespreken.
4.2
Het tweede middel behelst de klacht dat de rechtbank heeft miskend dat de wet geen mogelijkheid kent om, indien zij heeft geoordeeld dat een vordering op grond van art. 552f Sv dient te worden afgewezen, in diezelfde procedure de teruggave van een voorwerp te gelasten.
4.3
De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 18 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:471, NJ 2023/165, het volgende overwogen:
“2.4. In artikel 36b lid 1, aanhef en onder 4º, Sr is de mogelijkheid geopend om voorwerpen bij afzonderlijke rechterlijke beschikking aan het verkeer te onttrekken, op een vordering als bedoeld in artikel 552f lid 2 Sv. Die procedure voorziet er niet in dat de rechtbank, als zij oordeelt dat de vordering moet worden afgewezen, de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelast. Reeds daarom is het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van de rechtbank, dat de wet voorziet in een beslissing als door de rechtbank genomen, onjuist.”
4.4
Gelet op deze overweging getuigt het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval, met welk oordeel ze een beslissing heeft genomen waarin de procedure naar aanleiding van een vordering als bedoeld in art. 552f lid 2 Sv niet voorziet, van een onjuiste rechtstoepassing.
4.5
Het tweede middel slaagt eveneens.
4.6
Met betrekking tot het tweede middel – en met het oog op een (eventuele) terugwijzing – zij nog het volgende opgemerkt. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de onttrekking aan het verkeer bij afzonderlijke beslissing, in het geval dat er nog vervolging in de hoofdzaak zal volgen, dient te worden tegengegaan. Uit het arrest van 11 maart 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC1898, NJ 1986/574, m.nt. Th.W. van Veen, kan worden afgeleid dat als een “gewichtig vermoeden” is gerezen dat het Openbaar Ministerie nog een strafvervolging zal instellen of daartoe het ernstige vermoeden bestaat (waardoor de vordering tot onttrekking aan het verkeer kan worden gekoppeld aan de hoofdzaak), het Openbaar Ministerie in zijn vordering tot onttrekking aan het verkeer bij afzonderlijke beschikking niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De rechter die een dergelijke vordering ontvangt, dient het bestaan van dat voornemen van het Openbaar Ministerie te onderzoeken.2.Dat de rechtbank in het onderhavige geval een dergelijk onderzoek heeft verricht c.q. de aan- of afwezigheid van een voornemen van het Openbaar Ministerie om (niet) tot vervolging of sepot over te gaan in het onderhavige geval heeft vastgesteld, heb ik niet kunnen destilleren uit de gewezen beschikking en evenmin uit het proces-verbaal van de zitting van 30 mei 2023.
5. Slotsom
5.1
Beide middelen slagen.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Den Haag, teneinde de bestaande vordering opnieuw te beoordelen en af te doen.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 26‑08‑2025
Zie ook: HR 28 januari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9208, NJ 1986/551; M. Hoendervoogt en P.S. Lambertina, in: T&C Strafvordering, art. 552f, aant. 3.
Beroepschrift 30‑10‑2024
CASSATIESCHRIFTUUR
Registratienummer: 23-008708
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Het beroep in cassatie van rekwirant is gericht tegen de beslissing van de enkelvoudige raadkamer van de Rechtbank Den Haag van 13 juni 2023, waarbij de Rechtbank heeft afgewezen de vordering ex art. 552f Sv tot onttrekking aan het verkeer van een Samsung telefoon in de zaak tegen:
[belanghebbende],
geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats].
Rekwirant kan zich met deze beslissing en de motivering daarvan niet verenigen en stelt daarom twee middelen van cassatie voor:
Eerste middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt als bedoeld in art. 79 lid 1 RO, in het bijzonder schending van art. 24 en 552f Sv en art. 36b Sr, aangezien de Rechtbank, zoals hieronder nader zal worden toegelicht, met de beslissing dat de vordering tot onttrekking aan het verkeer van de in die vordering genoemde mobiele telefoon dient te worden afgewezen, daartoe overwegende dat op de telefoon slechts een zeer gering aantal strafbare bestanden is aangetroffen, de telefoon een aanzienlijke waarde heeft, persoonlijke bestanden van de belanghebbende ook verloren zouden gaan en dat niet gebleken is dat het technisch onmogelijk is de telefoon te ontdoen van de aangetroffen bestanden, gelet waarop onttrekking aan het verkeer disproportioneel zou zijn, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel dat deze beslissing onbegrijpelijk is en/of ontoereikend gemotiveerd.
Toelichting
1.
In het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar het bezit van kinderporno en dierenporno is onder [belanghebbende] (hierna: belanghebbende) een Samsung telefoon in beslag genomen. Hierop is strafbaar beeldmateriaal in de zin van kinderpornografische en dierenpornografische afbeeldingen/bestanden aangetroffen. De officier van justitie heeft op 3 april 2023 op grond van art. 552f Sv gevorderd dat deze telefoon zal worden onttrokken aan het verkeer.
2.
Op 13 juni 2023 heeft de Rechtbank de vordering van de officier van justitie afgewezen. De rechtbank overwoog daartoe als volgt:
‘In raadkamer is aannemelijk geworden dat de telefoon op 14 januari 2022 onder de belanghebbende in beslag is genomen. Het voorwerp is inbeslaggenomen bij gelegenheid van een onderzoek naar een gepleegd misdrijf, te weten bezit kinderporno (art. 240b Wetboek van Strafrecht (Sr)) en bezit dierenporno (art. 254a Sr).
Het ongecontroleerde bezit van de telefoon is in strijd met de wet en het algemeen belang. De vordering van de officier van justitie is derhalve op de wet gegrond en in beginsel voor toewijzing vatbaar. De rechtbank zal echter toch de teruggave gelasten aan de veroordeelde van de mobiele telefoon. Het gaat in dit geval om een zeer gering aantal bestanden, die bovendien al zijn geïdentificeerd door de politie. Daar komt bij dat de telefoon een aanzienlijke waarde heeft en dat met de onttrekking aan het verkeer bovendien persoonlijke bestanden verloren zouden gaan die van waarde zijn voor de belanghebbende. Uit niets is gebleken dat het technisch onmogelijk is de telefoon te ontdoen van de aangetroffen bestanden. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het in dit geval disproportioneel zou zijn om de telefoon te onttrekken aan het verkeer. De rechtbank gelast dan ook de teruggave van de telefoon aan de belanghebbende.’
3.
Dat op de telefoon daadwerkelijk kinderporno en dierenporno is aangetroffen staat niet ter discussie. Dit volgt uit de beschrijving in het onderliggende opsporingsdossier van de vier videobestanden van seks met dieren1. en van de vier foto's en één video, die zijn aangemerkt als kinderpornografie2. en de (grotendeels) bekennende verklaring die belanghebbende als verdachte heeft afgelegd op 7 maart 20223.. Gelet daarop heeft de Rechtbank terecht geoordeeld dat het ongecontroleerde bezit van de telefoon in strijd is met de wet en het algemeen belang en dat de vordering tot onttrekking aan het verkeer op de wet is gegrond en voor toewijzing vatbaar is.
4.
Desondanks heeft de Rechtbank de vordering afgewezen, omdat het ging om ‘een zeer gering’ aantal bestanden, die al waren geïdentificeerd door de politie, de telefoon een aanzienlijke waarde heeft en dat met onttrekking aan het verkeer persoonlijke bestanden verloren zouden gaan die van waarde zijn voor belanghebbende.
Voor een dergelijke belangenafweging, leidende tot afwijzing van de vordering, is geen steun te vinden in de wet en de jurisprudentie. De enige mogelijkheid die de wet kent is het toekennen van een vergoeding of een geldelijke tegemoetkoming wanneer dit nodig is om te voorkomen dat de belanghebbende aan wie het voorwerp toebehoort onevenredig zou worden getroffen (art. 36b lid 2, jo. art. 33c lid 2 Sr). Aldus heeft de Rechtbank dan ook blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
Daarnaast is het oordeel van de Rechtbank naar de mening van rekwirant volstrekt onbegrijpelijk. Nog los van het feit dat de vraag gesteld kan worden wat moet worden verstaan onder ‘een zeer gering’ aantal bestanden, is ook een telefoon/gegevensdrager waarop slechts één kinderpornografische of dierenpornografische afbeelding staat reeds vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Indien het openbaar ministerie, althans de in art. 116 lid 1 Sv bedoelde (hulp)officier van justitie4., uitvoering zou geven aan de opdracht van de Rechtbank om de telefoon met daarop kinderporno en dierenporno aan belanghebbende terug te geven — zie daarover ook het tweede middel —, zou deze zich schuldig maken aan het verspreiden van kinderporno (art. 252 Sr) en het verspreiden van dierenporno (art. 254c Sr) en zou belanghebbende op het moment dat hij die telefoon in ontvangst zou nemen zich (wederom) schuldig maken aan het bezit daarvan. Er zou zelfs betoogd kunnen worden dat, indien het openbaar ministerie daaraan uitvoering geeft, de Rechtbank zich met haar beslissing schuldig maakt aan het doen plegen van die verspreiding — nu het openbaar ministerie zich (wellicht) zou kunnen beroepen op de strafuitsluitingsgrond van het ambtelijk bevel (art. 43 Sr) — dan wel het medeplegen daarvan en aan medeplichtigheid van het bezit daarvan door belanghebbende door daartoe gelegenheid en middelen te verschaffen, en zelfs nu al aan een strafbare poging daartoe. Rekwirant verwijst in dit kader naar HR 15 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9633, NJ 1994/489, en HR 14 februari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC9958, NJ 1995/405, waaruit volgt dat de Rechtbank in haar motivering onder ogen had moeten zien of afwijzing van de vordering met de last tot teruggave tot gevolg zou hebben dat het voorwerp, dat van zodanige aard is dat ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, aan de rechthebbende zou dienen te worden teruggegeven en aldus wederom in het verkeer zou worden gebracht. Door hier niet kenbaar aandacht aan te besteden heeft de Rechtbank haar beslissing ontoereikend gemotiveerd.
5.
Daarnaast is het rekwirant niet duidelijk wat de Rechtbank in dit verband bedoelt met haar overweging dat uit niets is gebleken dat het technisch onmogelijk is de telefoon te ontdoen van de aangetroffen bestanden. Indien de Rechtbank daarmee tot uitdrukking heeft willen brengen dat de telefoon slechts hoeft te worden teruggegeven aan belanghebbende indien de telefoon is ontdaan van de aangetroffen kinder- en dierenporno, heeft zij een beslissing genomen waarin de wet in een art. 552f lid 2 Sv-procedure niet voorziet, zie ook het tweede middel.
Opmerking verdient dat ook ingeval — anders dan in het onderhavige — tevens sprake zou zijn geweest van een afzonderlijk klaagschrift van belanghebbende, strekkende tot teruggave van het inbeslaggenomene, een dergelijke beslissing niet mogelijk is (vgl. HR 2 november 2021, ECLI:NL:2021:1573, NJ 2021/358, r.o. 2.7).
Tweede middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt als bedoeld in art. 79 lid 1 RO, in het bijzonder schending van art. 552f Sv, aangezien de Rechtbank, door naar aanleiding van een door de officier van justitie ingediende vordering tot onttrekking aan het verkeer als bedoeld in art. 552f Sv van een in die vordering genoemde mobiele telefoon, de teruggave van die mobiele telefoon te gelasten, heeft miskend dat de wet geen mogelijkheid kent om in het kader van de behandeling van een vordering als bedoeld in art. 552f Sv de teruggave van een voorwerp te gelasten.
Toelichting
1.
De beslissing van de Rechtbank op de vordering tot onttrekking aan het verkeer ex art. 552f Sv luidt als volgt:
‘De rechtbank:
wijst af de vordering tot onttrekking aan het verkeer en gelast de teruggave van een Samsung telefoon (met goednummer PL1500-2022013476-2708954) aan de belanghebbende.’
2.
Daarmee heeft de Rechtbank miskend dat de wet geen mogelijkheid kent om, indien zij heeft geoordeeld dat een vordering op grond van art. 552f Sv dient te worden afgewezen, in die procedure de teruggave van een voorwerp te gelasten en aldus blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting (HR 18 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:471, NJ 2023/165).
3.
Indien de Hoge Raad van oordeel is dat het tweede middel van cassatie slaagt en dat om die reden de bestreden beschikking moet worden vernietigd, verzoekt rekwirant dat de Hoge Raad zich ook uitlaat over het eerste middel, aangezien de overwegingen van de Rechtbank blijkbaar niet op zichzelf staan (zie bv Rechtbank Midden-Nederland 9 maart 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:1334), waardoor dit een punt is dat voor de rechtspraktijk van belang is.
Indien één of beide cassatiemiddelen, dan één of meer onderde(e)l(en) daarvan, doel treffen, zal de beslissing van de Rechtbank Den Haag van 13 juni 2023 niet in stand kunnen blijven. Rekwirant verzoekt de Hoge Raad der Nederlanden dan ook deze beslissing te vernietigen en vervolgens te bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet behoort of had behoren te geschieden.
's‑Gravenhage, 30 oktober 2024
mr. H.H.J. Knol
plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 30‑10‑2024
Proces-verbaal van bevindingen van 3 februari 2022, proces-verbaalnummer PDSDA22022 (dossier p. 6/7).
Proces-verbaal van bevindingen van 2 februari 2022, proces-verbaalnummer PDSDA22002-3 (dossier p. 18/19).
Proces-verbaal van verhoor verdachte van 7 maart 2022, proces-verbaalnummer PDSDA22002, documentcode 2202170900.VVERBT00 (dossier p. 22 e.v.).
Zie HR 18 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:471, NJ 2023/165, r.o. 2.6.