Inhoudsopgave
De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/2.4.1.6:2.4.1.6 Samenvatting rechtspraak 1838-1905
De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/2.4.1.6
2.4.1.6 Samenvatting rechtspraak 1838-1905
Documentgegevens:
Jacqueline Broese van Groenou, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
Jacqueline Broese van Groenou
- JCDI
JCDI:ADS391961:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Genotsrechten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Er werd in de erfpachtjurisprudentie van de Hoge Raad uit de periode 1838-1905 een enkele keer gerefereerd aan de rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter, maar op hun geschillen omtrent betaling van de canon of vervallenverklaring van het recht was het verbintenissenrecht niet van toepassing omdat dit zakelijke rechtsvorderingen waren waarvoor de wet een regeling bevatte. Voor de uitleg van de vestigingsakte werd indien nodig en in de vorm van aanvullend recht teruggegrepen op de regels voor de uitleg van overeenkomsten. Daarmee werd de verbintenisrechtelijke dimensie van de rechtsverhouding erkend en qua uitleg in het juiste toepasselijke recht geplaatst, tenzij het ging om wettelijk geregelde inhoud zoals de canonbetaling. De rechtsverhouding werd daarnaast veelal in verbintenisrechtelijke termen beschreven. Naast het geldende recht werd de partijbedoeling bij vestiging zoals neergelegd in de vestigingsakte (objectief uitgelegd) of zoals blijkend uit het voorheen geldende gewoonterecht in acht genomen. Daarbij kon bij wijze van aanvullend recht toepassing worden gegeven aan de regels voor de uitleg van overeenkomsten uit Boek 3 (art. 1378 e.v. OBW) indien goederenrechtelijke regels ter zake ontbraken of tekortschoten. Een enkele keer werd bij de uitleg van erfpachtvoorwaarden een redelijkheidstoets toegepast. De gebruikte argumenten duiden op een zoeken naar manieren om het door de wetgever niet geregelde verbintenisrechtelijke aspect van de rechtsverhouding in te passen in het stelsel van de wet. Daarbij vormden het strikte onderscheid in goederenrecht en verbintenissenrecht, maar ook het aan de absolute bevoegdheid van de rechter ten grondslag liggende procesrechtelijke onderscheid tussen persoonlijke en zakelijke rechtsvorderingen moeilijk te nemen hordes. De recognitiefunctie van de erfpachtcanon bleek hier een bemiddelende functie te kunnen vervullen. Ten aanzien van een vergelijkbare vergoeding bij opstalrechten, waar een wettelijke vermelding ontbrak, was dat veel moeilijker. In het algemeen bevestigde deze rechtspraak de eerdere bevindingen dat de aard van het recht beslissend was voor de vraag of een daaruit voortvloeiende verbintenis zakelijke werking had.