Procestaal: Pools.
HvJ EU, 09-10-2025, nr. C-551/24
ECLI:EU:C:2025:771
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
09-10-2025
- Magistraten
O. Spineanu-Matei, S. Rodin, N. Piçarra
- Zaaknummer
C-551/24
- Roepnaam
Deutsche Lufthansa (Cession d’une créance découlant d’un contrat de transport)
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:771, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 09‑10‑2025
Uitspraak 09‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Verordening (EU) nr. 1215/2012 — Artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje — Bijzondere bevoegdheid ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst — Bepaling van het bevoegde gerecht — Luchtvervoersovereenkomst tussen een consument en een verkoper — Schuldvordering van de passagier uit hoofde van de compensatie wegens een vertraagde vlucht — Overdracht van deze schuldvordering aan een incassobureau — Beroep tot compensatie dat door de cessionaris tegen de luchtvaartmaatschappij is ingesteld bij het gerecht van de plaats van vertrek van het vliegtuig — Plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt — Plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de vervoersovereenkomst zijn of hadden moeten worden verstrekt
O. Spineanu-Matei, S. Rodin, N. Piçarra
Partij(en)
In zaak C-551/24,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Okręgowy w Krakowie (rechter in tweede aanleg Krakau, Polen) bij beslissing van 1 augustus 2024, ingekomen bij het Hof op 14 augustus 2024, in de procedure
Deutsche Lufthansa AG
tegen
AirHelp Germany GmbH,
wijst
HET HOF (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: O. Spineanu-Matei (rapporteur), kamerpresident, S. Rodin en N. Piçarra, rechters,
advocaat-generaal: N. Emiliou,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Deutsche Lufthansa AG, vertegenwoordigd door M. Korcz, radca prawny,
- —
AirHelp Germany GmbH, vertegenwoordigd door P. P. Gad en K. Żbikowska, adwokaci,
- —
de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Hottiaux en S. Noë als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, en punt 5, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Deutsche Lufthansa AG (hierna: ‘Lufthansa’) en AirHelp Germany GmbH (hierna: ‘AirHelp’), in Duitsland gevestigde vennootschappen, over de betalingsvordering die bij een Pools gerecht tegen de eerstgenoemde vennootschap is ingediend door de laatstgenoemde vennootschap, die cessionaris is van een schuldvordering uit hoofde van de compensatie van een passagier na de vertraging van een vlucht.
Toepasselijke bepalingen
3
De overwegingen 15 en 16 van verordening nr. 1215/2012 luiden als volgt:
- ‘(15)
De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder. De bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt. Voor rechtspersonen moet de woonplaats autonoom worden bepaald om de gemeenschappelijke regels doorzichtiger te maken en jurisdictiegeschillen te voorkomen.
- (16)
Naast de woonplaats van de verweerder moeten er alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken. Het bestaan van een nauwe band moet zorgen voor rechtszekerheid en de mogelijkheid vermijden dat de verweerder wordt opgeroepen voor een gerecht van een lidstaat dat door hem redelijkerwijs niet voorzienbaar was. Dat is met name belangrijk bij geschillen betreffende niet-contractuele verbintenissen die voortvloeien uit een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer of op de persoonlijkheidsrechten, met inbegrip van smaad.’
4
Hoofdstuk II (‘Bevoegdheid’) van deze verordening bevat onder meer een afdeling 1, met als opschrift ‘Algemene bepalingen’, en een afdeling 2, met als opschrift ‘Bijzondere bevoegdheid’. Artikel 4, lid 1, van deze verordening, dat onderdeel is van afdeling 1, bepaalt:
‘Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.’
5
Artikel 5, lid 1, van die verordening, dat eveneens in afdeling 1 is opgenomen, bepaalt:
‘Degenen die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats hebben, kunnen slechts voor het gerecht van een andere lidstaat worden opgeroepen krachtens de in de afdelingen 2 tot en met 7 van dit hoofdstuk gegeven regels.’
6
Artikel 7 van verordening nr. 1215/2012, dat deel uitmaakt van afdeling 2 van hoofdstuk II van deze verordening, luidt als volgt:
‘Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:
- 1.
- a)
ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst, voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;
- b)
voor de toepassing van deze bepaling is, tenzij anders is overeengekomen, de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt:
- —
voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken, de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden;
- —
voor de verstrekking van diensten, de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden;
- c)
punt a) is van toepassing indien punt b) niet van toepassing is;
[…]
- 5.
ten aanzien van een geschil betreffende de exploitatie van een filiaal, van een agentschap of enige andere vestiging, voor het gerecht van de plaats waar het filiaal, het agentschap of andere vestiging gelegen zijn;
[…]’
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
7
Blijkens het dossier waarover het Hof beschikt, heeft AirHelp op 4 april 2023 bij de Sąd Rejonowy dla Krakowa — Krowodrzy w Krakowie (rechter in eerste aanleg Krakau — Krowodrza, Polen) tegen Lufthansa een beroep ingesteld tot betaling van een bedrag van 250 EUR, vermeerderd met vertragingsrente, uit hoofde van de compensatie die aan een passagier verschuldigd was wegens de vertraging van een door deze luchtvaartmaatschappij vanuit Krakau uitgevoerde vlucht.
8
Lufthansa heeft zich tegen het door dat gerecht uitgevaardigde betalingsbevel verzet en aangevoerd dat dit internationaal onbevoegd is.
9
Dit gerecht heeft bij beschikking van 5 december 2023 de door verweerster in het hoofdgeding opgeworpen exceptie van onbevoegdheid alsook het verzet afgewezen.
10
Lufthansa heeft tegen die beschikking hoger beroep ingesteld bij de Sąd Okręgowy w Krakowie (rechter in tweede aanleg Krakau, Polen), de verwijzende rechter, en daarbij aangevoerd dat de Sąd Rejonowy dla Krakowa — Krowodrzy w Krakowie zijn internationale bevoegdheid om van de compensatievordering kennis te nemen noch aan punt 1, onder b), tweede streepje, noch aan punt 5, van artikel 7 van verordening nr. 1215/2012 kon ontlenen, aangezien partijen in het hoofdgeding niet zijn verbonden door een vervoersovereenkomst. De oorsprong van de eis van AirHelp is gelegen in een overeenkomst tot overdracht van een schuldvordering die is gesloten met een passagier, die als enige door een vervoersovereenkomst met Lufthansa is verbonden.
11
Volgens Lufthansa zijn overeenkomstig de algemene bevoegdheidsregel van artikel 4, lid 1, van die verordening enkel de Duitse gerechten bevoegd om van een dergelijke vordering kennis te nemen.
12
De verwijzende rechter verduidelijkt dat hij, in elke stand van het geding, verplicht is om zelfs ambtshalve zijn internationale bevoegdheid te toetsen.
13
Daartoe vraagt de verwijzende rechter zich af of artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, en punt 5, van verordening nr. 1215/2012 van toepassing is om te bepalen welk gerecht bevoegd is om kennis te nemen van een geschil dat betrekking heeft op de invordering van een schuldvordering die voortvloeit uit een luchtvervoersovereenkomst en aan een incassobureau is overgedragen na cessie door een consument die partij is bij die luchtvervoerovereenkomst.
14
De verwijzende rechter geeft aan dat uit de praktijk van de Poolse gerechten met betrekking tot de uitlegging van deze bepalingen twee benaderingen naar voren komen. In een deel van de rechtspraak is het oordeel dat die bepalingen, ongeacht de aard van de overeenkomst tot overdracht van een schuldvordering naar Pools recht, de bevoegdheid van de Poolse gerechten om kennis te nemen van een dergelijk geding kunnen rechtvaardigen. Een ander deel van de rechtspraak baseert zich op de bijzonderheden van die overeenkomst naar Pools recht om te stellen dat diezelfde bepalingen de bevoegdheid van die gerechten uitsluiten.
15
De verwijzende rechter merkt op dat in de rechtspraak die in het voordeel van de bevoegdheid van de Poolse gerechten pleit, de nadruk ligt op de nauwe band tussen de overeenkomst en het aangezochte gerecht. De bevoegdheid van die gerechten is derhalve niet gebaseerd op subjectieve overwegingen in verband met de hoedanigheid van partijen in het geding, maar op het voorwerp van het geding, te weten de invordering van een schuldvordering die voortvloeit uit een dienstverleningsovereenkomst of die verband houdt met de activiteit van een filiaal, een agentschap of enige andere vestiging.
16
Deze rechter benadrukt eveneens dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat een verzoeker, om een schuldvordering uit hoofde van de uitvoering van een luchtvervoersovereenkomst te innen, zich ofwel, overeenkomstig artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1215/2012, kan wenden tot het gerecht van de woonplaats van de verweerder, ofwel, overeenkomstig artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van die verordening, tot het gerecht van de plaats waar de diensten verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden, te weten het bevoegde gerecht van de plaats van vertrek of aankomst van de betrokken vlucht. Deze bepalingen zijn van toepassing voor zover is voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing van de bijzondere bevoegdheidsregels van afdeling 2 van hoofdstuk II van die verordening, waar artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, en punt 5, van die verordening onder valt, zelfs wanneer het gaat om een geschil tussen verkopers.
17
De verwijzende rechter is evenwel van oordeel dat dit voorbehoud dient te worden uitgelegd en merkt in dit verband op dat het gerecht dat volgens artikel 7, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 bevoegd is om kennis te nemen van een geschil inzake verbintenissen uit overeenkomst, het gerecht is van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. In geval van overdracht van schuldvorderingen rijst de vraag of het geding betrekking heeft op de invordering van een schuldvordering die voortvloeit uit de cessieovereenkomst of de overeenkomst tot verstrekking van diensten, in casu een luchtvervoersovereenkomst.
18
De verwijzende rechter wijst erop dat een schuldeiser, naar nationaal recht, zijn schuldvordering zonder instemming van de schuldenaar aan een derde kan overdragen, tenzij de wet, de overeenkomst of de aard van de verbintenis zich daartegen verzet. Het voorwerp van een dergelijke overdracht bestaat in het subjectieve recht van de schuldeiser om van de schuldenaar te eisen dat deze zijn verplichting nakomt, hetgeen niet de procedurele rechten van de schuldeiser omvat, met name de mogelijkheid om excepties van onbevoegdheid, verjaring of compensatie op te werpen, tenzij dit in de cessieovereenkomst zou zijn bepaald.
19
Deze rechter preciseert dat uit de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst tot overdracht van een schuldvordering volgt dat AirHelp alleen procesbevoegdheid heeft verkregen met het oog op de uitvoering van de verplichting tot schadeloosstelling van de cedent. Bijgevolg kan niet worden geoordeeld dat AirHelp krachtens die overeenkomst alle uit de luchtvervoersovereenkomst voortvloeiende rechten heeft verworven, daaronder begrepen de procedurele rechten die deze cedent als consument geniet.
20
Derhalve kan worden betoogd dat de professionele handelaar die een uit een luchtvervoersovereenkomst voortvloeiende schuldvordering verkrijgt, zich als grondslag voor zijn beroep tot compensatie tegen de luchtvaartmaatschappij niet met succes kan beroepen op louter de vervoersovereenkomst tussen de cedent en die luchtvaartmaatschappij, aangezien dat beroep is gebaseerd op de overeenkomst tot overdracht van een schuldvordering waaraan die professionele handelaar procesbevoegdheid ontleent. Aangezien de cessionaris geen partij is bij de luchtvervoerovereenkomst, bestaat er een contractuele band tussen de cedent en de cessionaris, en niet tussen de cessionaris en de luchtvaartmaatschappij die de uit de vervoersovereenkomst voortvloeiende schuldvordering moet voldoen.
21
In dat geval kan AirHelp zich niet beroepen op de rechtspraak inzake de rechterlijke bevoegdheid op het gebied van luchtvervoersovereenkomsten door het inroepen van artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van verordening nr. 1215/2012, zoals uitgelegd in het arrest van 9 juli 2009, Rehder (C-204/08, EU:C:2009:439), aangezien partijen in het hoofdgeding niet door een vervoersovereenkomst zijn gebonden.
22
De verwijzende rechter wijst er echter op dat uit de rechtspraak van het Hof, met name uit de arresten van 20 mei 2021, CNP (C-913/19, EU:C:2021:399), en 21 oktober 2021, T.B. en D. (Bevoegdheid in verzekeringszaken) (C-393/20, EU:C:2021:871), blijkt dat een entiteit die als professionele handelaar een schuldvordering heeft verworven van een zwakkere partij, zich op artikel 7 van verordening nr. 1215/2012 kan beroepen. In het licht van die rechtspraak kan derhalve worden aangenomen dat de Poolse gerechten bevoegd zijn om kennis te nemen van een beroep dat is ingesteld tot invordering van een schuldvordering van een consument die voortvloeit uit een luchtvervoersovereenkomst en die door een professionele handelaar is verkregen.
23
In deze omstandigheden heeft de Sąd Okręgowy w Krakowie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof volgende prejudiciële vraag gesteld:
‘Valt de vordering tot invordering van een schuldvordering die is verworven op grond van een cessieovereenkomst die met een consument is gesloten door een buiten de Republiek Polen gevestigde professionele handelaar en waarbij een vordering wordt overgedragen die deze consument heeft op een andere professionele handelaar die ook in een andere lidstaat is gevestigd, onder de bevoegdheid van de nationale gerechten in Polen krachtens artikel 7, [punt] 1, onder b), tweede streepje, en artikel 7, [punt] 5, van verordening [nr. 1215/2012]?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
Ontvankelijkheid van de vraag over de uitlegging van artikel 7, punt 5, van verordening nr. 1215/2012
24
Lufthansa heeft een exceptie van niet-ontvankelijkheid van de gestelde vraag opgeworpen voor zover deze betrekking heeft op de uitlegging van artikel 7, punt 5, van verordening nr. 1215/2012, gelet op het hypothetische karakter ervan, aangezien in het kader van het hoofdgeding niet is aangevoerd dat haar vestiging in Polen op enigerlei wijze betrokken was bij het sluiten van de vervoersovereenkomst die aan de door AirHelp gevorderde schuldvordering ten grondslag ligt.
25
In dit verband volgt uit vaste rechtspraak dat het, om tot een voor de verwijzende rechter nuttige uitlegging van het Unierecht te komen, noodzakelijk is dat die rechter een omschrijving geeft van het feitelijk en juridisch kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of althans de feiten uiteenzet waarop die vragen zijn gebaseerd. Die rechter moet bovendien de precieze redenen vermelden waarom hij twijfelt over de uitlegging van het Unierecht en het noodzakelijk acht het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken (zie arresten van 26 januari 1993, Telemarsicabruzzo e.a., C-320/90–C-322/90, EU:C:1993:26, punt 6; 8 september 2009, Liga Portuguesa de Futebol Profissional en Bwin International, C-42/07, EU:C:2009:519, punt 40, en 29 juli 2024, LivaNova, C-713/22, EU:C:2024:642, punt 54).
26
Zoals staat vermeld in artikel 94, onder a) en c), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, moet een verzoek om een prejudiciële beslissing onder meer een summier overzicht van de relevante feiten bevatten, althans ten minste een uiteenzetting van de feitelijke gegevens waarop de vragen berusten, alsook een uiteenzetting van de redenen die de verwijzende rechter ertoe hebben gebracht om zich over de uitlegging of de geldigheid van bepalingen van het recht van de Unie vragen te stellen, alsook het verband tussen die bepalingen en de op het hoofdgeding toepasselijke nationale wettelijke regeling.
27
In casu zij eraan herinnerd dat artikel 7, punt 5, van verordening nr. 1215/2012, ten aanzien van geschillen betreffende de exploitatie van een filiaal, een agentschap of enige andere vestiging, een bijzondere bevoegdheidsregel vaststelt ten gunste van het gerecht van de plaats waar het filiaal, het agentschap of de andere vestiging gelegen zijn.
28
Opgemerkt dient te worden dat de verwijzende rechter — ondanks het feit dat hij zowel in de motivering van het verzoek om een prejudiciële beslissing als in de aan het Hof voorgelegde vraag naar dat artikel 7, punt 5, verwijst — geen enkel feitelijk gegeven vermeldt over handelingen betreffende de exploitatie van een filiaal, agentschap of enige andere vestiging van Lufthansa in Polen, of door hen namens Lufthansa aangegane verbintenissen, zoals een eventuele betrokkenheid van deze entiteiten bij het sluiten van de luchtvervoersovereenkomst waarop het geding in hoofdzaak betrekking heeft. Hoewel de verwijzende rechter uitvoerig ingaat op de vraag of de overeenkomst die in de zin van artikel 7, punt 1, van die verordening heeft geleid tot de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, betrekking heeft op de overeenkomst tot overdracht van een schuldvordering dan wel op de vervoersovereenkomst, geeft hij niet aan waarom hij ook over de uitlegging van artikel 7, punt 5, van die verordening twijfelt.
29
De verwijzende rechter verduidelijkt enkel dat hij ambtshalve moet nagaan of hij internationaal bevoegd is om kennis te nemen van het beroep dat bij hem aanhangig is gemaakt. Hoewel het niet is uit te sluiten dat een dergelijke verificatie ertoe kan leiden dat hij de bevoegdheidsgrond van artikel 7, punt 5, van verordening nr. 1215/2012 moet toetsen, neemt dit niet weg dat het Hof over voldoende informatie zou moeten beschikken om zich ervan te vergewissen dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht met de werkelijkheid of het voorwerp van het hoofdgeding verband houdt.
30
In casu ontbreekt dergelijke informatie echter. Bijgevolg is de prejudiciële vraag, voor zover zij betrekking heeft op de uitlegging van artikel 7, punt 5, van verordening nr. 1215/2012, niet-ontvankelijk.
Ten gronde
31
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat een gerecht van een lidstaat overeenkomstig deze bepaling bevoegd is om kennis te nemen van een geding betreffende een beroep tot compensatie dat tegen een op het grondgebied van een andere lidstaat gevestigde luchtvaartmaatschappij is ingesteld door een vennootschap die cessionaris is van de schuldvordering van een passagier die uit de uitvoering van een met die luchtvaartmaatschappij gesloten vervoersovereenkomst is ontstaan.
32
Om te beginnen zij eraan herinnerd dat verordening nr. 1215/2012 beoogt eenvormigheid van de regels inzake jurisdictiegeschillen in burgerlijke en handelszaken te creëren middels bevoegdheidsregels die in hoge mate voorspelbaar zijn. Deze verordening streeft dus een doelstelling van rechtszekerheid na die erin bestaat de rechtsbescherming van de in de Europese Unie gevestigde personen te vergroten door te verzekeren dat de eiser gemakkelijk kan bepalen welk gerecht hij kan aanzoeken en de verweerder redelijkerwijs kan voorzien voor welk gerecht hij kan worden opgeroepen (arrest van 11 april 2024, Credit Agricole Bank Polska, C-183/23, EU:C:2024:297, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33
Voorts berust het in hoofdstuk II van verordening nr. 1215/2012 neergelegde stelsel van toewijzing van algemene bevoegdheden op de in artikel 4, lid 1, van de verordening vervatte algemene regel dat personen die hun woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, worden opgeroepen voor de gerechten van die staat. Hoofdstuk II, afdeling 2, van deze verordening voorziet slechts in afwijking van de algemene regel dat de gerechten van de woonplaats van de verwerende partij bevoegd zijn in een aantal bijzondere bevoegdheidsregels, waaronder die van artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van die verordening (arrest van 14 september 2023, EXTÉRIA, C-393/22, EU:C:2023:675, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
34
Krachtens de in laatstgenoemde bepaling genoemde bijzondere bevoegdheidsregel is het gerecht dat bevoegd is om kennis te nemen van een vordering die voortvloeit uit een overeenkomst voor de verstrekking van diensten, het gerecht van de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden.
35
Uit de rechtspraak volgt ook dat de bijzondere bevoegdheidsregel in artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van verordening nr. 1215/2012 beantwoordt aan een nabijheidsdoelstelling die is ingegeven door de wens dat er een nauwe band bestaat tussen de betrokken overeenkomst en het gerecht dat daarvan kennis moet nemen (zie in die zin arrest van 14 september 2023, EXTÉRIA, C-393/22, EU:C:2023:675, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36
In het licht van deze overwegingen moet worden vastgesteld of de omstandigheid dat een uit de uitvoering van een tussen een consument en een verkoper gesloten luchtvervoersovereenkomst ontstane schuldvordering door die consument is overgedragen aan een vennootschap die gespecialiseerd is in de inning van vorderingen van luchtreizigers, in de weg staat aan de toepassing van artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van verordening nr. 1215/2012, teneinde vast te stellen welk gerecht bevoegd is om kennis te nemen van een beroep tot compensatie dat door de vennootschap waaraan die vordering is overgedragen tegen de luchtvaartmaatschappij is ingesteld.
37
In dit verband beoogt de bijzondere bevoegdheidsregel in dat artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, zoals blijkt uit punt 35 van het onderhavige arrest, niet de zwakste partij bij een verbintenis te beschermen, aangezien deze regel niet is vastgesteld met inachtneming van de hoedanigheid van de overeenkomstsluitende partijen, maar berust op het bestaan van een nauwe band tussen het aangezochte gerecht en de betrokken overeenkomst. In die omstandigheden heeft het feit dat de schuldvordering uit hoofde van de compensatie van de consument op een professionele handelaar is overgegaan geen gevolgen voor de toepassing van die regel.
38
Zoals het Hof heeft verduidelijkt in het kader van een geding betreffende schuldvorderingen die betrekking hadden op verbintenissen uit onrechtmatige daad, kan de overdracht van schuldvorderingen door de oorspronkelijke schuldeiser geen invloed hebben op de bepaling van het bevoegde gerecht (zie in die zin arresten van 18 juli 2013, ÖFAB, C-147/12, EU:C:2013:490, punt 58, en 21 mei 2015, CDC Hydrogen Peroxide, C-352/13, EU:C:2015:335, punt 35).
39
Op soortgelijke wijze blijft een geding betreffende de invordering van een schuldvordering die voortvloeit uit de uitvoering van een overeenkomst voor de verstrekking van diensten een nauwe band vertonen met de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd, namelijk de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden in de zin van artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, ook al is die schuldvordering aan een derde overgedragen.
40
Deze uitlegging waarborgt met name voor de verweerder de rechtszekerheid en de voorspelbaarheid op het gebied van de rechterlijke bevoegdheid, die, zoals blijkt uit de overwegingen 15 en 16 van verordening nr. 1215/2012, door deze verordening nagestreefde doelstellingen zijn, aangezien het gerecht dat bevoegd is om kennis te nemen van een dergelijke vordering altijd het gerecht zal zijn van de plaats waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden.
41
In casu blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat AirHelp een schuldvordering heeft verworven die voortvloeit uit de uitvoering van een tussen een consument en Lufthansa gesloten luchtvervoersovereenkomst en waarvan de oorsprong is gelegen in een vertraging van een door deze luchtvaartmaatschappij uitgevoerde vlucht van Krakau naar Nice (Frankrijk) met een overstap in München (Duitsland), hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.
42
Aangezien de plaats van vertrek van deze vlucht overeenkomt met een van de plaatsen waar de diensten waarop die overeenkomst betrekking heeft hoofdzakelijk worden verstrekt, en derhalve zorgt voor de door de in artikel 7, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 vastgestelde bijzondere bevoegdheidsregels vereiste nauwe band tussen die overeenkomst en het gerecht in het rechtsgebied waarvan die plaats zich bevindt, blijken de Poolse gerechten bevoegd om kennis te nemen van het beroep in het hoofdgeding (zie in die zin arrest van 3 februari 2022, LOT Polish Airlines, C-20/21, EU:C:2022:71, punt 20).
43
Noch de bijzonderheden van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde cessieovereenkomst, noch het ontbreken van een contractuele band tussen partijen in het geding kunnen aan deze bevoegdheid afdoen.
44
Ten eerste is het feit dat, volgens het Poolse recht, zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing, de cederende consument krachtens de betrokken overeenkomst tot overdracht van de schuldvordering niet zijn procedurele rechten overdraagt aan de gecedeerde professionele handelaar, niet relevant voor de toepassing van de bevoegdheidsregel van artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van verordening nr. 1215/2012. Deze regel is namelijk gebaseerd op de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, dat wil zeggen op het voorwerp van het geding, dat wordt bepaald door het voorwerp van de betrokken overeenkomst, aangezien de overeenkomst tot overdracht van de schuldvordering de cessionaris alleen procesbevoegdheid verleent.
45
Ten tweede moet met betrekking tot het feit dat partijen in het hoofdgeding niet rechtstreeks door een overeenkomst zijn gebonden, zoals zowel door de verwijzende rechter als door Lufthansa in hun schriftelijke opmerkingen is benadrukt, worden opgemerkt dat dit feit evenmin een belemmering vormt voor de toepassing van de in die bepaling vastgestelde bevoegdheidsregel, aangezien de cessieovereenkomst de cessionaris de rechten verleent die de cedent jegens de vervoerder geniet, en dus het recht om een procedure tot invordering van de uit de luchtvervoerovereenkomst voortvloeiende schuldvordering in te leiden.
46
Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat een gerecht van een lidstaat overeenkomstig deze bepaling bevoegd is om kennis te nemen van een beroep tot compensatie dat tegen een op het grondgebied van een andere lidstaat gevestigde luchtvaartmaatschappij is ingesteld door een vennootschap die cessionaris is van de schuldvordering van een passagier die uit de uitvoering van een met die luchtvaartmaatschappij gesloten vervoersovereenkomst is ontstaan, voor zover dat gerecht het gerecht is van de plaats waar de diensten krachtens die overeenkomst zijn of hadden moeten worden verstrekt.
Kosten
47
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:
Artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken
moet aldus worden uitgelegd dat
een gerecht van een lidstaat overeenkomstig deze bepaling bevoegd is om kennis te nemen van een beroep tot compensatie dat tegen een op het grondgebied van een andere lidstaat gevestigde luchtvaartmaatschappij is ingesteld door een vennootschap die cessionaris is van de schuldvordering van een passagier die uit de uitvoering van een met die luchtvaartmaatschappij gesloten vervoersovereenkomst is ontstaan, voor zover dat gerecht het gerecht is van de plaats waar de diensten krachtens die overeenkomst zijn of hadden moeten worden verstrekt.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 09‑10‑2025