RvdW 2018/350:Het oordeel van het hof, dat door de Hoge Raad aldus wordt verstaan dat de beantwoording van de vraag of de gevorderde immateriële schade rechtstreeks is toegebracht door de bedoelde bewezenverklaarde strafbare feiten een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, is mede gelet op de omstandigheid dat het bij die feiten telkens gaat om door verdachte ten onrechte uit naam van de bedoelde bewezenverklaarde geuite bedreigingen en beledigingen van anderen dan de bedoelde bewezenverklaarde niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.