HR, 23-03-2018, nr. 17/02152
ECLI:NL:HR:2018:414
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
23-03-2018
- Zaaknummer
17/02152
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 23‑03‑2018
ECLI:NL:HR:2018:414, Uitspraak, Hoge Raad, 23‑03‑2018; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2017:5597, Bekrachtiging/bevestiging
- Vindplaatsen
NLF 2018/0752 met annotatie van Lisanne Rijff
BNB 2018/96 met annotatie van O.C.R. MARRES
FED 2018/105 met annotatie van I.L.S. IJzerman
NTFR 2018/795 met annotatie van mr. N.I. Groenland
FutD 2018-0795
Viditax (FutD) 2018032302
Beroepschrift 23‑03‑2018
Beroep in cassatie
Inzake:
[X] B.V. te [Z] eiseres in cassatie […]
tegen:
DE INSPECTEUR VAN DE BELASTINGDIENST [P] verweerder in cassatie
Edelhoogachtbaar College,
[X] B.V., verder eisers, stelt bij deze beroep in cassatie in tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 21 maart 2017, gewezen in hoger beroep onder kenmerken 14/00681 tot en met 14/00683 tussen eiseres en de inspecteur verder verweerder. De uitspraak van het Hof is bijgevoegd.
Het gaat om twee uitspraken van het Hof, gewezen op 22 december 2016 en op 21 maart 2017. De eerstgenoemde uitspraak betrof de zaak tussen [A] wonende te [Q], Zwitserland, en de inspecteur van de Belastingdienst [P]. De tweede zaak, waarin op 21 maart 2017 door dezelfde kamer van het Hof uitspraak is gedaan, waarvan thans beroep in cassatie wordt ingesteld. Eiseres verwijst naar het gestelde sub 5.4. van de uitspraak dd. 21 maart 2017, waarvan bij deze beroep in cassatie wordt ingesteld. Sub 5.4. houdt in dat ‘met alle partijen is afgesproken dat al hetgeen in één van die zaken is aangevoerd, ook als aangevoerd in de andere zaken heeft te gelden’.
De reden dat eerstgenoemde uitspraak tussen [A] en de inspecteur is gedateerd 22 december 2016 en de tweede uitspraak op 21 maart 2017, is hierin gelegen dat verweerder aan het Hof cijfermatige inlichtingen diende te verstrekken ten aanzien van bedragen (loonbelasting en premies) die voor aftrek van de vpb-aanslagen voor de jaren 2004, 2005 en 2006, in aanmerking kwamen.
In de zaak, waarin door het Hof op 22 december 2016 uitspraak is gedaan, heeft [A] op pagina's 2 t/m 5 een Summiere voorgeschiedenis weergegeven, waarnaar eisers verwijst. Cassatie bij de Hoge Raad is ingesteld door [A] dd. 1 februari 2017 met kenmerken Hof 14/00741 tot en met 14/00745.
Middelen van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan niet-inachtneming nietigheid medebrengt, doordat het Hof bij de in dit beroepschrift bestreden uitspraak van 21 maart 2017, gewezen onder kenmerken 14/00681 tot en met 14/00683, heeft overwogen en beslist zoals in de genoemde uitspraak van het Hof vermeld, welke uitspraak hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, ten onrechte om één of meer van de navolgende redenen, zo nodig in onderling verband en samenhang te beschouwen. Met name gaat het om schending van Artt. 57 en volgende van de Wet op de rechterlijke organisatie, voorts Wetboek Rechtsvordering o.a. Art. 16 Rv-Eerste boek, alsmede met name ook schending van het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, en de beginselen van behoorlijk bestuur.
Geschil
Van de eerder genoemde uitspraak van 22 december 2016 van [A] tegen de inspecteur, gewezen in hoger beroep onder kenmerken 14/00741 tot en met 14/00745, heeft [A] beroep in cassatie ingesteld bij beroepschrift dd. 1 februari 2017. Zoals eerder gemeld onder verwijzing naar het gestelde sub 5.4. van de uitspraak dd. 21 maart 2017, waarop het onderhavige cassatie-beroepschrift betrekking heeft, is tussen alle partijen afgesproken ‘dat al hetgeen in één van die zaken is aangevoerd, ook als aangevoerd in de andere zaken heeft te gelden’. Eiseres neemt aan dat hetzelfde uitganspunt van kracht is in de beide cassatie-procedures, te weten de cassatie-procedure van [A] tegen de inspecteur waarvan het beroepschrift op 1 februari 2017 is gedateerd en ingediend bij de Hoge Raad, en de onderhavige cassatie-procedure van eiseres tegen de inspecteur, met als datum 1 mei 2017, op welke datum het cassatie-beroepschrift is ingediend bij de Hoge Raad. Teneinde herhalingen te voorkomen zal eiseres in deze cassatie-procedure dan ook verwijzen naar het beroepschrift in cassatie dd. 1 februari 2017 van [A] tegen de inspecteur, bij de Hoge Raad bekend onder zaaknummer F 17/00474.
Voor de omschrijving van het geschil verwijst eiseres naar het gestelde sub 12 op pag. 5 van het beroepschrift in cassatie dd. 1 februari 2017 ([A] tegen inspecteur). De twee voornaamste onderdelen in laatstgenoemd geschil hebben betrekking op de fiscale woonplaats en op de vraag wie UBO is van [F] en [H], met daarnaast nog enkele minder belangrijke geschilpunten.
In de onderhavige cassatie-procedure heeft het geschil tussen eiseres ([X]) en verweerder (de inspecteur) slechts betrekking op één geschilpunt namelijk wie de UBO (de uiteindelijk gerechtigde) is van de aandelen [F] resp. [H]. Met betrekking tot de litigieuze jaren 2004, 2005 en 2006, zijn er verder geen geschilpunten tussen eiseres en verweerder.
Beslissing van het geschilpunt wie de uiteindelijk gerechtigde is tot de aandelen [F] resp. [H], is in de onderhavige cassatie-procedure van belang omdat hiervan afhangt het al dan niet toepassen van de thin cap voor de vpb-heffingen in de jaren 2004, 2005 en 2006. Zoals bekend is de thin cap-wetgeving per ultimo 31 december 2012 door de Nederlandse regering afgeschaft. Deze was ingevoerd met ingang van 1 januari 2004.
DE KLACHTEN c.q. DE MIDDELEN
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt, althans niet-ontvankelijkheid, doordat het Hof Amsterdam ten onrechte heeft nagelaten een oordeel te geven met betrekking tot GRIEF XVII als geformuleerd in het beroepschrift c.q. de memorie van grieven dd. 28 november 2014, ingediend bij het Hof door [A] in zijn geschil met de inspecteur (pag. 45 e.v. en sub 136 e.v. van de genoemde memorie van Grieven). Voorts is in het cassatie-beroepschrift dd. 1 februari 2017 van [A] tegen de inspecteur sub 22 e.v. eveneens geklaagd dat het Hof heeft verzuimd GRIEF XVII van de memorie van Grieven/beroepschrift Hof dd. 28 november 2014 te behandelen. Hierdoor worden o.a. de Artikelen 57 e.v. van de Wet R.O. en Artikel 16 Eerste boek Rv. geschonden. Voorts schending van het rechtszekerheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het […] het beginsel fair play.
Toelichting
001.
In de memorie van Grieven/beroepschrift dd. 28 november 2014 dat omstreeks die datum is ingediend bij het Hof, is o.a. GRIEF XVII geformuleerd met sub 136 t/m 149 een toelichting op de Grief. (pag. 45 t/m 49 1e alinea). Eiseres verwijst in de eerste plaats naar die toelichting.
002.
Uit het gestelde sub 137 t/m 140 van de genoemde memorie van Grieven/ beroepschrift dd. 28 november 2014, blijkt dat er bij de Rechtbank kennelijk verwarring is gerezen met betrekking tot de vier notariële aktes, ten aanzien waarvan de Rechtbank sub 4.39 in zijn vonnis van 22 augustus 2014 een onjuiste lezing geeft, daarbij o.a. opmerkende:
‘Het waarmerk van de notaris is bovendien afzonderlijk op de achterzijde van het stuk gekopieerd, terwijl niet kan worden vastgesteld dat het waarmerk op de achterzijde verwijst naar de op de voorzijde gegeven bevestiging (bestätigung) of daarbij hoort. Originelen van het stuk zijn niet verstrekt.’
Uit het voren geciteerde wordt duidelijk dat de Rechtbank (via de Belastingdienst) beschikte over zwart-wit fotokopieën waarbij afzonderlijk van de voorzijde een fotokopie werd gemaakt en afzonderlijk van de achterzijde van de betreffende akte. Vandaar dat de Rechtbank klaagt dat niet kan worden vastgesteld ‘dat het waarmerk op de achterzijde verwijst naar de op de voorzijde gegeven bevestiging of daarbij hoort’. Onjuist is dat originelen van dat stuk niet zouden zijn verstrekt, zie hierover sub 138 van het meergenoemde beroepschrift dd. 28 november 2014.
003.
In zijn verweerschrift dd. 20 november 2014 (in de onderhavige procedure van [X] tegen de inspecteur) dat de inspecteur bij het Hof heeft ingediend stelt de inspecteur dat de bij het beroep gevoegde kopieën (van de vier bedoelde notariële aktes) ‘al eerder zijn overlegd’. Dat is niet juist want de kopieën waarover de Rechtbank beschikte en die kennelijk door de Belastingdienst aan de Rechtbank zijn verstrekt, hebben betrekking op zwart-wit kopieën waarbij afzonderlijk van de voorkant en de achterkant kopie werd gemaakt. Om die reden heeft [A] als GRIEF XVII bij de memorie van Grieven van 28 november 2014, van de originele aktes door een gespecialiseerd fotokopieerbedrijf nauwgezette kleurenkopieën laten maken van de vier bedoelde aktes, Prod. 17 bij de Mem. van Grieven, waarbij van iedere notariële akte zowel van de voorkant als van de achterkant op hetzelfde blad papier in kleur een kopie werd afgedrukt. Zelfs de kleur van de inkt van de handtekeningen is op de aldus vervaardigde kopieën weergegeven. Het Hof beschikte derhalve, anders dan de Rechtbank, over kopieën in kleur die loepzuiver identiek waren aan de originele vier aktes.
004.
Bij het beroepschrift dd. 19 september 2014 dat eiseres ([X]) bij het Hof heeft ingediend, zijn als Productie 7 nogmaals loepzuivere speciaal vervaardigde fotokopieën in kleur overgelegd, welke fotokopieën identiek zijn aan de originele aktes, zodat niet opnieuw verwarring kan ontstaan zoals het geval is geweest bij de Rechtbank die van de vier notariële aktes in totaal 8 zwart-wit fotokopieën heeft ontvangen (via de Belastingdienst), telkens 2 x 4 aparte zwart-wit kopieën van de voorkant en de achterkant. In genoemd beroepschrift dd. 19 september 2014 heeft eiseres sub 31, 32 en 34 een nadere toelichting gegeven op de vier genoemde notariële aktes die bij het beroepschrift zijn gevoegd als Productie 7.
005.
Tenslotte heeft [A] bij zijn TIEN DAGEN STUKKEN dd. 2 september 2016 nogmaals, nota bene voor de derde keer, als Productie 6 de vier loepzuivere fotokopieën in kleur van de vier notariële aktes, in het geding gebracht teneinde iedere verwarring en misverstand omtrent deze aktes uit te sluiten. Overigens wijst eiseres erop dat anders dan de Rechtbank heeft gesteld, er wel degelijk met betrekking tot de akte van [i] AG op de voorzijde een adres wordt vermeld, met telefoonnummer en faxnummer, terwijl op de achterkant een waarmerk staat van de handtekeningen zodat, anders dan de Rechtbank heeft aangenomen, precies duidelijk is van wie de handtekeningen op de voorkant afkomstig zijn namelijk van de Zwitsers [j] en [K] Alle aktes zijn voorzien van een apostille. De instantie die de apostilles heeft verzorgd, in casu de Staatskanzlei des Kantons Basel-Stadt, is wettelijk verplicht kopie te bewaren van de aktes waarop de apostille door genoemde instantie is geplaatst.
006.
Met het oog op dit laatste verwijst eiseres naar het commentaar onder het kopje ‘Ad 6’ dat [A] in zijn TIEN DAGEN STUKKEN van 2 september 2016 heeft gegeven op de als Productie 6 in het geding gebrachte vier aktes. Ondanks verzoeken aan de Rechtbank en op pag. 11 van genoemde TIEN DAGEN STUKKEN van 2 september 2016 aan Hof, is zowel Rechtbank als Hof niet ingegaan op het voorstel van [A] om aan de instrumenterende notarissen van de vier aktes en aan de Staatskanzlei des Kantons Basel-Stadt een briefje te sturen met de navolgende inhoud:
‘Bijgaand zenden wij u kopie van vier aktes waarop uw naam en handtekening voorkomen. Wij denken dat deze aktes vals zijn en om die reden verzoeken wij u zo spoedig mogelijk om een reactie. Hoogachtend.’
007.
SLOTCONCLUSIE: Het Hof heeft verzuimd GRIEF XVII in behandeling te nemen en daarover een gemotiveerde beslissing te geven. Men heeft de GRIEF en daarmede de essentiële vier notariële aktes volledig genegeerd, hoewel uit het hierboven gestelde door eiseres [X] is aangetoond dat nota bene driemaal speciaal vervaardigde loepzuivere fotokopieën van de oorspronkelijke vier notariële aktes, aan het Hof zijn overgelegd. Als Productie 17 bij het beroepschrift Hof van [A] d.d. 28 november 2014. Voorts zijn bedoelde loepzuivere fotokopieën bij beroepschrift Hof dd. 19 september 2014 van eiseres [X], nogmaals als Productie 7 overgelegd, terwijl voor de derde maal bedoeld loepzuivere kleurenkopieën van de vier notariële aktes als Productie 6 zijn overgelegd bij de TIEN DAGEN STUKKEN van [A] dd. 2 september 2016 i.v.m. de zittingsdagen van het Hof op 21 en 22 september 2016. Met commentaar op pag. 10, 11 en 12 van genoemde TIEN DAGEN STUKKEN. Het Hof is derhalve herhaaldelijk uitdrukkelijk geconfronteerd met de vier notariële aktes, die door het Hof zijn genegeerd. Deze omissie dient alsnog te worden hersteld omdat het belang van eiseres (en van [A]) evident is want deze vier notariële aktes vormen mede, samen met andere bewijsmiddelen die in de tweede GRIEF hieronder zullen worden besproken, een duidelijke ondersteuning van het standpunt in de zaak van eiseres (over toepassing van de thin cap) en de zaak van [A] (over aanslagen IB en vermogensrendementsheffing). Het zou fundamenteel onjuist zijn het evidente belang van de vier notariële aktes terzijde te schuiven met de overweging dat zowel eiseres [X] als [A] bij die aktes in de onderhavige procedures geen (redelijk) belang hebben. De burger moet beschermd worden tegen de overheid maar wanneer de verweermiddelen, zoals in casu de vier notariële aktes, niet behandeld worden, dan is de burger weerloos en rechteloos.
008.
De relevantie van de vier notariële aktes, speciaal voor wat betreft het feit dat door deze vier aktes is aangetoond dat [L] UBO was, blijkt ook uit de honorering van [A] met een door [L] toegezegde betaling van CHFr.225.000. Dit is ontleend aan een brief die [A] op 3 juni 2OO9 aan [N] heeft geschreven. [A] heeft zich steeds op het standpunt gesteld dat dit een toezegging van [L] N.V. was die echter niet geëffectueerd is in de litigieuze jaren 2002 t/m 2006 omdat de financiële positie van [L] toen al slecht was (enkele jaren later is [L] failliet verklaard en zijn de honderden dochters die [L] had in 2009 en 2010 verkocht).
009.
Discussie over de vraag of [L] metterdaad heeft uitbetaald dan wel dat dit in de litigieuze jaren bij een toezegging bleef, is thans niet aan de orde en evenmin zinvol. Waar het om gaat is dat zwart op wit is erkend dat [L] CHFr. 225.000 aan [A] zou betalen als vergoeding voor zijn activiteiten in Nederland t.b.v. [L] uiteraard. [L] was immers eigenares van de aandelen in [F]. [M] was de UBO van [F]. Na de pensionering van [A] met ingang van 1 januari 1998, is tussen [A] en [L] de afspraak gemaakt dat [A] vanuit ([R] Zw.) het reilen en zeilen van [X]. B.V. met dochters en deelnemingen in de gaten zou houden, zou begeleiden en daarvoor in alle voorkomende gevallen werkzaamheden zou verrichten. De Rechtbank overweegt:
‘4.51.
Verweerder heeft zich in de uitspraken op bezwaar met een beroep op interne compensatie op het standpunt gesteld dat een bedrag van CHFr. 225.000 als loon van eiser in aanmerking dient te worden genomen. De correctie is aangewend voor interne compensatie met de aanzienlijke vermindering van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in de jaren 2002, 2004 en 2005. Dit bedrag is in de onderhavige jaren omgerekend naar euro's tegen gemiddelde jaarkoersen in aanmerking genomen als inkomen uit werk en woning van eiser in de jaren 2002–2006.
4.52.
De rechtbank acht deze bijtelling op basis van CHFr. 225.000 niet redelijk. Deze bijtelling berust uitsluitend op meergenoemde brief van eiser van 3 juni 2009 aan [N], waarin eiser verklaart van [L] N.V. als zijnde de uiteindelijk aandeelhoudster ieder jaar op zijn Zwitserse bankrekening bij de [M] AG een vergoeding van Zwfr. 225.000 ontving als een soort pensioen en/of vergoeding voor zijn activiteiten in Nederland. Nu in het voorgaande is komen vast te staan dat eiser als (uiteindelijk) aandeelhouder dient te worden aangemerkt van [F] AG en [X] B.V. en niet [L] NV als aandeelhouder is aangemerkt en omdat er overigens onvoldoende aanknopingspunten zijn om deze bedragen als belastbare inkomsten in aanmerking te nemen, is de rechtbank van oordeel dat deze correctie dient te vervallen.’
010.
De inspecteur heeft ten aanzien van deze beslissing van de Rechtbank (het laten vallen van die CHFr. 225.000) incidenteel appel ingesteld bij het Hof, dat vervolgens sub 5.11 (pag. 56 in de zaak van de inspecteur tegen [A], 22-12-2016) het incidenteel appel als volgt besliste:
‘5.11.
Uitgaande van de omkering en verzwaring van de bewijslast, heeft de inspecteur zich op grond van de eigen verklaring van belanghebbende in diens brief van 3 juni 2009 aan [N] (2.70.6.1 uitspraak rechtbank) in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat belanghebbende in ieder van de onderhavige jaren een bedrag van 225.000 Zwitserse franken uit Zwitserland heeft genoten; in de hiervoor vermelde brief aangeduid als ‘een vergoeding (…) een soort van pensioen en/of vergoeding voor mijn activiteiten in Nederland’. Bij het doen van uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur deze vergoeding bij wege van interne compensatie in het belastbaar inkomen uit werk en woning van belanghebbende mogen begrijpen. Belanghebbende heeft niets aangevoerd waarmee hij van het tegendeel heeft doen blijken. Het Hof wijkt op dit punt af van hetgeen de rechtbank in 4.51 en 4.52 heeft beslist, en honoreert in zoverre het incidentele hoger beroep van de inspecteur.’
011.
De inspecteur, de Rechtbank en vervolgens het Hof hebben zich alle verdiept in de door [L] aan [A] toegezegde honorering van CHFr. 225.000. De inspecteur vond zelfs aanleiding om na afwijzing door de Rechtbank, incidenteel appel in te stellen bij het Hof, dat het incidenteel appel honoreerde. Daargelaten of het bij een toezegging is gebleven dan wel tot uitbetaling door [L] is gekomen en in welke jaren dat dan het geval zou zijn geweest, staat centraal de hamvraag waarom [L] ten tonele verscheen en waarom [L] een vergoeding van CHFr. 225.000 toezegde aan [A]. De enige redelijke uitleg is dat [L] ten tonele verscheen omdat zij UBO was van [F] en de enige reden van toezegging van het bedrag van CHFr. 225.000 was gelegen in de werkzaamheden die [A] vanuit [R] zou verrichten ten behoeve van het beheer, het toezicht, het reilen en zeilen, van [X] B.V. met dochters. Dit is de enige redelijke verklaring want hoe zou anders de aanwezigheid van [L] moeten worden verklaard? En hoe zou anders moeten worden verklaard Dat [L] heeft toegezegd CHFr. 225.000 aan [A] te zullen betalen? Dat alles kan maar één ding betekenen namelijk dat [L] aandeelhoudster was en ook UBO van [F] AG. Een bevestiging ten overvloede van de juistheid en de echtheid van de vier boven besproken notariële aktes.
Middel II
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt, althans niet-ontvankelijkheid, doordat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld en beslist zoals het Hof heeft uitgesproken, speciaal het oordeel van het Hof dat eiseres op basis van een door het Hof aangenomen bewijsvermoeden dat [A] aandeelhouder zou zijn van [F] resp. [H], dit bewijsvermoeden niet zou hebben ontzenuwd, waarbij het Hof in de eerste plaats heeft miskend het belangrijke feit dat de Nederlandse Staatssecretaris van Financiën bij zijn Zwitserse ambtgenoot in de regering te Bern, Inlichtingen heeft ingewonnen, waarin juist uitdrukkelijk, na uitgebreid onderzoek van De Zwitsers, wordt gesteld dat appellant géén UBO (Ultimate Beneficiary Owner=laatste economisch gerechtigde) is. Voorts schending van vaste rechtspraak van de Hoge Raad zoals omschreven in o.a. H.R. 28-06-2013, en de aldaar genoemde Rechtspraak. H.R. 28-06-2013, zaaknummer 11/04152 is als Bijlage 8 overgelegd bij Productie 1 behorende bij de Tien dagen Stukken dd. 2 september 2016 t.b.v. de zittingsdagen 21 en 22 september 2016. Schending van het rechtszekerheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, alsmede het fair play beginsel en het vertrouwensbeginsel.
Toelichting
1.
De uitspraak van de rechtbank dateert van 22 augustus 2014. Tijdens het verloop van de rechtbank-procedure heeft de Inspecteur bevorderd dat de Nederlandse Staatssecretaris van Financiën bij zijn Zwitserse ambtgenoot in de regering te Bern, inlichtingen is gaan inwinnen, met een beroep op artikel 26 van het Nederlands-Zwitsers Verdrag van 26 februari 2010, ter voorkoming van dubbele belasting. [A] wist hiervan niets af en behoefde hiervan ook niets af te weten omdat het de Staatssecretaris vrijstond namens de soevereine Staat Nederland bij zijn ambtgenoot van de soevereine Staat Zwitserland inlichtingen in te winnen op grond van artikel 26 van het genoemde Verdrag van 26 februari 2010. [A] werd daarvan voor het eerst op de hoogte gesteld bij brief van de UBS AG d. 8 juli 2013 die als Bijlage 2 bij Productie 1 van de Tien Dagen Stukken dd. 2 september 2016 in het geding is gebracht. Ook voor de verdere formele gang van zaken met betrekking tot het verzoek van de Nederlandse Staatssecretaris van Financiën en de brieven die daarover zijn geschreven aan de Zwitserse autoriteiten te Bern, waarbij zowel de Nederlandse als Zwitserse autoriteiten hun ambtelijk apparaat hebben ingeschakeld, verwijst eiseres naar Prod. 1 met Bijlagen van de Tien Dagen Stukken dd. 2 september 2016.
2.
De aanvraag van de Staatssecretaris, bestaande uit drie in het Duits gestelde brieven, zijn als Bijlagen 1, 2 en 3 gevoegd bij Productie 1 bij de Tien Dagen Stukken dd. 2 september 2016, samen met andere stukken waaruit de formele gang van zaken met betrekking tot het door de Zwitsers ingestelde onderzoek blijkt, alles resulterende in een berichtgeving van de Zwitsers per brief dd. 1 april 2016 welke brief als Productie 1 is gevoegd bij genoemde Tien Dagen Stukken. Achter die brief van 1 april bevinden zich nog acht bijlagen die behoren bij Productie 1 van de Tien Dagen Stukken. Eiseres verwijst naar deze gedingstukken.
3.
Ter voorkoming van misverstanden wijst eiseres erop dat het om twee brieven gaat, beide gedateerd 1 april 2016, die beide in eenzelfde enveloppe aangetekend door de ESTV (Eidgenössische Steuerverwaltung) zijn verzonden aan de Nederlandse Staatssecretaris d.w.z. t.a.v. het hoofd van het FIOD filiaal in [S] [AA]. De eerste brief heeft op [A] betrekking terwijl de tweede brief met precies dezelfde inhoud (behoudens zwart gemaakte passages die op [A]. persoonlijk betrekking hebben) betrekking heeft op [F]. Deze laatste brief is bij akte verzoek dd. 21-9-2016 bij het Hof in het geding gebracht, met toelichting, terwijl voorts in de pleitnota [A] van 21 en 22 september 2016 sub 1 e.v. verdere toelichting staat.
4.
De kwestie van de beide brieven dd. 1 april 2016 die in één enveloppe door de Zwitsers aangetekend aan Nederland zijn verstuurd, kan overigens als opgelost worden beschouwd omdat de inhoud van de tweede brief van 1 april 2016 die bij akte verzoek dd. 21-9-2016 in het geding is gebracht, precies dezelfde inhoud heeft als de eerder genoemde brief van 1 april 2016, met dit verschil dat in laatstgenoemde brief geen passages door de ESTV zwart zijn gemaakt. Er kan dus worden uitgegaan van de eerstgenoemde brief van 1 april 2016.
5.
De inspecteur heeft slechts vijf regels geciteerd van zijn 10-dagenstuk van 8 september 2016, zie de laatste alinea op pag. 7 van het proces-verbaal Hof van de zittingen van 21 en 22 september 2016.
6.
Blijkens het genoemde proces-verbaal van het Hof verklaart de inspecteur over de brief van 1 april 2016 als volgt:
‘U vraagt waarom het Hof de brief niet eerder heeft mogen ontvangen. Ik heb de brief gedeeltelijk geciteerd in mijn 10-dagenstuk van 8 september 2016. Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst geen commentaar heeft geleverd op de brief. Een officiële vertaling van de brief ontbreekt. Om die reden kan de brief naar mijn mening geen 100 procent zekerheid bieden over de vraag of belanghebbende wel/niet de UBO is. De aard en omvang van het onderzoek van ESTV dat aan de in de brief vermelde bevindingen ten grondslag heeft gelegen, is mij ook onbekend. Ik zet vraagtekens bij het onderzoek van de ESTV.
Ik erken dat het onderzoek heeft plaatsgevonden op mijn verzoek. Ik dacht op die manier mijn stelling dat belanghebbende de UBO is, bevestigd te zien.
Ik heb de brief laten vertalen; de Belastingdienst heeft een aparte vertaalafdeling. De vertaling was onduidelijk; ik vond het een deplorabele vertaling. Ik heb na ontvangst van de brief geen contact opgenomen met het CLO te [S] om opnieuw de Zwitserse autoriteiten te verzoeken om informatie. Met de informatieverschaffing uit Zwitserland is veel tijd gemoeid geweest als gevolg van een bezwaarprocedure in Zwitserland.’
7.
Uit vorenstaand citaat blijkt dat de inspecteur het standpunt inneemt dat de brief geen 100 procent zekerheid biedt over de vraag of belanghebbende wel/niet de UBO is, om de simpele reden volgens de inspecteur dat er een ‘officiële vertaling van de brief ontbreekt’. Een hoogst verbluffende redenering want in de eerste plaats is de brief van 1 april 2016 gesteld in een glashelder eenvoudig Duits, dat iedere leerling van een havo/vwo, gewapend met een woordenboek, zo kan vertalen. In de tweede plaats had de inspecteur een vertaling kunnen opvragen bij het FIOD-filiaal in [S] dat belast is met de buitenlandse contacten op het gebied van de informatievoorziening. De vertalers zijn academisch gevormd.
8.
Voorts erkent de inspecteur ‘dat het onderzoek heeft plaatsgevonden op mijn verzoek. Ik dacht op die manier mijn stelling dat belanghebbende de UBO is, bevestigd te zien’. Voorts dat de vertaling die hij toch heeft laten maken, onduidelijk was. De inspecteur stelt zelf: ‘ik vond het een deplorabele vertaling’. Mocht dit zo zijn, hetgeen appellant sterk betwijfelt omdat die zgn. ‘deplorabele vertaling’ niet in het geding is gebracht, dan had de inspecteur voor een betere vertaling moeten zorgdragen. De inspecteur is trouwens geen deskundige op vertaalgebied.
9.
Van de brief van 1 april 2016, die als Productie 1 bij de Tien Dagen Stukken van 2 september 2016 integraal in het geding is gebracht, zijn de navolgende passages essentieel:
- ‘a.
Wer ist oder sind der/die Aktionäre der [F] AG am 1. Januar 2012 und am 1. Januar 2013? Ich möchte gerne die vollständigen Namen und Adressen erhalten.
Die gemässs Aktienanteilen letztlich wirtschaftlich Berechtigten an der [F] AG sind gemäss den durch die ESTV eingeholten informationen natürliche Personen mit Schweizer Wohnsitz und mit Schweizer Staatsangehörigkeit. Da [A] nicht als wirtschaftlich berechtigte Person der [F] AG eruiert werden konnte, ist leider nicht ersichtlich, inwiefern die Beantwortung der vorliegenden Frage für eine Besteuerung von [A] in den Niederlanden voraussichtlich relevant ist.
Vertaling:
De volgens de verdeling van aandelen laatste economisch gerechtigden in [F] AG zijn volgens de door de ESTV ingewonnen inlichtingen natuurlijke personen met Zwitserse woonplaats en met Zwitserse nationaliteit. Omdat [A] niet als economisch gerechtigde persoon van [F] vastgesteld kon worden, is helaas niet duidelijk, in hoeverre de beantwoording van de voorliggende vraag voor een belastingaanslag van [A] in Nederland waarschijnlijk relevant is.’
10.
In bovenstaand citaat uit de brief van 1 april 2016 wordt in eerste instantie [F] AG genoemd maar op pag. 2 van dezelfde brief sub g wordt precies hetzelfde vastgesteld m.b.t. [H] AG. Ten overvloede staat in de brief van 1 april 2016 onderaan op pag. 3/bovenaan pag. 4 nog het navolgende, zulks naar aanleiding van een aanvullende vraag uit Nederland over de UBO:
Die gemäss Aktienanteilen letztlich wirtschaftlich Berechtigten an der [H] AG sowie der [F] AG sind Personen mit Schweizer Wohnsitz und mit Schweizer Staatsangehörigkeit. [A] konnte nicht als wirtschaftlich berechtigte Person der [H] AG oder der [F] AG eruiert werden.
Vertaling:
De volgens de verdeling van aandelen laatst economisch gerechtigden in [H] AG en in [F] AG zijn personen met Zwitserse woonplaats en met Zwitserse nationaliteit. [A] kon niet als economisch gerechtigde persoon van [H] AG of van [F] AG vastgesteld worden.
11.
Anders dan het Hof stelt sub 5.10.1 is de verklaring van de ESTV (de meergenoemde brief van 1 april 2016) niet door inspecteur in het geding gebracht, maar door appellant. Uit de hierboven geciteerde laatste alinea op pagina 7 van het proces-verbaal blijkt dat de inspecteur stelt dat hij ‘de brief gedeeltelijk heeft geciteerd’ in het 10-dagenstuk van 8 september 2016. Dat citeren betrof vijf regels.
12.
Ten onrechte heeft het Hof sub 5.10.2 t/m 5.10.4 van de uitspraak dd. 22 december 2016 inzake [A] als volgt overwogen:
5.10.2.
De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de verklaring van de ESTV op dit punt onvoldoende duidelijkheid verschaft en dat die verklaring hoe dan ook niet van belang is voor de onderhavige jaren, nu zij betrekking heeft op de situatie per 1 januari 2012 en 1 januari 2013, en de Zwitserse autoriteiten ingevolge het overgangsrecht bij artikel 26 van het Verdrag 2010 (inzake ‘uitwisseling van inlichtingen) geen informatie met betrekking tot tijdstippen gelegen vóór 1 maart 2011 kunnen en mogen verstrekken.
5.10.3.
Belanghebbende stelt zich in dit verband op het standpunt dat uit de verklaring eenduidig volgt dat hij op de daarin genoemde tijdstippen geen uiteindelijk gerechtigde is tot de aandelen [F] en [H] en dat dit behoudens tegenbewijs door de inspecteur ook dient te gelden voor eerdere en dus ook de onderhavige jaren.
5.10.4.
Het Hof laat daar of uit de verklaring eenduidig volgt dat belanghebbende op de daarin genoemde tijdstippen geen uiteindelijk gerechtigde is tot het in de aandelen [F] en [H] belichaamde vermogen. De verklaring is, gelet op de tijdstippen waarop zij betrekking heeft, hoe dan ook niet geschikt om te doen blijken van de onjuistheid van het standpunt, dan wel het bewijsvermoeden te ontzenuwen, dat belanghebbende in de onderhavige jaren uiteindelijk gerechtigde was tot (de aandelen van) [F] en [H] In dit verband zij nog opgemerkt dat in het Verdrag 1951 geen bepaling over de ‘uitwisseling van inlichtingen’ was opgenomen.
13.
De door de Nederlandse Staatssecretaris van Financiën bij zijn Zwitserse ambtgenoot ingewonnen inlichtingen, zijn van essentiële aard. Onomwonden wordt immers in de inlichtingen vanuit Zwitserland aan Nederland gesteld dat niet vastgesteld kon worden dat appellant UBO is, waarbij deze inlichting uitdrukkelijk wordt gecombineerd met de mededeling dat de UBO's op basis van de door de ESTV (vallende onder het Zwitserse Eidgenössisches Finanz Departement, EFD, zie het briefhoofd van de meergenoemde brief van 1 april 2016) ingewonnen informaties op basis van de verdeling van de aandelen aantonen dat de UBO's natuurlijke personen zijn met woonplaats in Zwitserland en met Zwitserse nationaliteit.
14.
De uitspraak van het Hof sub 5.10.4. is onbegrijpelijk en tegenstrijdig want in de verklaring van de inspecteur onderaan pag. 7/bovenaan pag. 8 van het proces-verbaal van de zitting op 21 en 22 september 2016, stelt de inspecteur nergens dat zijn verklaring niet van belang zou zijn nu zij betrekking heeft op de situatie per 1 januari 2012 en 1 januari 2013. Integendeel, de inspecteur verklaart: Ik erken dat het onderzoek heeft plaatsgevonden op mijn verzoek. Ik dacht op die manier mijn stelling dat belanghebbende de UBO is, bevestigd te zien’ (zie pag. 7 onderaan/ pag. 8 bovenaan proces-verbaal).
15.
Vast staat dat de inspecteur [BB] optreedt in de litigieuze jaren 2002 t/m 2006, die momenteel uitsluitend aan de orde zijn. Binnen het kader van de processuele behandeling voor Rechtbank en Hof heeft de inspecteur dan ook m.b.t. die jaren 2002 t/m 2006 de UBO (indirect) willen aantonen door de UBO aan te tonen voor het jaar 2012. Onbegrijpelijk is de overweging van het Hof dan ook omdat hieruit zou volgen dat de inspecteur niet beoogde de UBO voor de jaren 2002 t/m 2006 concreet zichtbaar te maken door het inwinnen van informaties in Zwitserland, maar geheel los van de procedures over de litigieuze jaren 2002 t/m 2006, door de Staatssecretaris inlichtingen in Zwitserland liet inwinnen voor een doel dat op dat ogenblik niet aan de orde was nl. de UBO voor het jaar 2012.
16.
Dat de door de Staatssecretaris bij zijn Zwitserse ambtgenoot ingewonnen informatie, uit een onverdachte bron stamt en van eminent belang is, is buiten kijf. Het Hof doet er in feite niets mee. Dit is des te kwalijker omdat het Hof de kwestie van de vier notariële aktes, waarop Grief XVII betrekking heeft, niet eens heeft behandeld, hoewel tussen partijen in confesso is dat [L] destijds vele honderden dochtervennootschappen bezat die in 2010, binnen de afwikkeling van het faillissement van [L], alle zijn verkocht. In het onderhavige geval kwamen de aandelen van [F], via enkele kleinere holding-vennootschappen, alle terecht bij Zwitsers. Uit de uit Zwitserland door de Staatssecretaris ingewonnen informatie blijkt immers dat de aandeelhouders thans ‘natuurlijke personen zijn met woonplaats in Zwitserland en met Zwitserse nationaliteit’.
17.
De Rechtbank, die op 22 augustus 2014 uitspraak heeft gedaan, kon uiteraard niet op de hoogte zijn van de door de Staatssecretaris bij zijn Zwitserse ambtgenoot ingewonnen informatie, die aan de Staatssecretaris is gezonden bij brief dd. 1 april 2016. Het Hof was van die berichtgeving bij brief dd. 1 april 2016 wel volledig op de hoogte maar heeft verzuimd deze berichtgeving te toetsen aan de bestaande rechtspraak m.b.t de KB-Luxzaken en het daarmede samenhangende bewijsvermoeden zoals dit is ontwikkeld door de Hoge Raad. Dit alles in combinatie met de vier notariële aktes waarop GRIEF XVII betrekking heeft. Uit de vier notariële aktes blijk dat [L] in ieder geval in het jaar 2008 en met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid ook in die voorgaande jaren, UBO van [F] was.
18.
De inspecteur heeft niets nader onderzocht en de rechtbank vond het ook niet nodig dienovereenkomstig een verzoek tot de inspecteur te richten, zie pag. 11 tweede alinea van de TIEN DAGEN STUKKEN dd. 2 september 2016, waar appellant aan Rechtbank en inspecteur voorstelde een briefje te zenden aan de instrumenterende notarissen en aan de Staatskanzlei Basel-Stadt, met de navolgende inhoud:
‘Bijgaand zenden wij u kopie van vier aktes waarop uw naam en handtekening voorkomen. Wij denken dat deze aktes vals zijn en om die reden verzoeken wij u zo spoedig mogelijk om een reactie. Hoogachtend.’
Bovendien behoudt de instantie die het apostille op de aktes plaatst en ondertekent, altijd zelf kopie van de betreffende aktes. Navraag was dus eenvoudig.
19.
Niets is nader onderzocht door de inspecteur, ook niet m.b.t. de berichtgeving bij het meergenoemde aangetekende schrijven dd. 1 april 2016 van Zwitserland aan de Staatssecretaris, ten aanzien waarvan de inspecteur op pag. 8, eerste alinea van het proces-verbaal dd. 21 en 22 september 2016 stelt:
‘Ik heb na ontvangst van de brief geen contact ogenomen met het CLO te [S] om opnieuw de Zwitserse autoriteiten te verzoeken om informatie.’
De inspecteur heeft geen enkele poging gedaan om tot waarheidsvinding te komen door in voorkomende aangelegenheden (de vier notariële aktes en de berichtgeving uit Zwitserland dd. 1 april 2016) nadere informatie in te winnen.
20.
Gezien het vorenstaande wil eiseres het onderhavige Middel 1I vermeerderen met de klacht dat het Hof heeft verzuimd GRIEF XVII (pag. 45 t/m 50, nrs 136 t/m 154 van het beroepschrift Hof dd. 28 november 2014) te behandelen. De Grief luidt als volgt:
‘GRIEF XVII
De Rechtbank heeft sub 4.39 een verkeerde uitleg gegeven aan de notariële aktes waarmee de UBO van [F] AG is aangetoond, terwijl de Rechtbank voorts ten onrechte op grond van informatie-uitwisseling met België alsmede de geconsolideerde jaarrekening 2005 van [L] S.A., verkeerde conclusies ten gunste van de fiscus trekt.
Eiseres verwijst naar de Toelichting op de Grief, alsmede naar al hetgeen hierboven m.b.t. Middel I is gesteld.
21.
Voor de beoordeling of [A] al dan niet beschouwd moet worden als UBO van [F] en/of [H] is niet alleen essentieel de berichtgeving die de Staatssecretaris heeft ingewonnen bij zijn Zwitserse ambtgenoot, met antwoord per aangetekend schrijven dd. 1 april 2016, maar is ook van belang bij de beantwoording van de gestelde vraag te betrekken de vier notariële aktes die betrekking hebben op de eigendom van de aandelen in [F] in het jaar 2008. Het Hof heeft GRIEF XVII van het beroepschrift dd. 28 november 2014 niet behandeld. Dit is een omissie van het Hof.
22.
Het Hof heeft verzuimd de door de Staatssecretaris bij zijn Zwitserse ambtgenoot ingewonnen inlichtingen, die verstrekt zijn bij brief dd. 1 april 2016, te toetsen aan de rechtspraak van de Hoge Raad m.b.t. de KB-Luxzaken, mede in verband met het door de Hoge Raad ontwikkelde bewijsvermoeden. Bij de Tien Dagen Stukken van [A] dd. 2 september 2016 zijn in totaal zeven Producties gevoegd (rode tabbladen). Bij Productie 1 zijn acht Bijlagen gevoegd (blauwe tabbladen). Als Bijlage 8 is overgelegd het arrest van de Hoge Raad van 28-06-2013 dat het beroep in cassatie betreft tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 11 augustus 2011.
23.
In genoemd arrest H.R. dd. 28-06-2013 (zaaknummer 11/04152) wordt sub 3.4.1. onder het hoofd a) Algemeen verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 15 april 2011, waarbij werd uitgesproken dat de inspecteur in beginsel gebruik mag maken van een bewijsvermoeden. Sub 3.5.1. van het arrest dd. 28-06-2013 (zoals gemeld Bijlage 8 bij Productie 1 van de Tien Dagen Stukken dd. 2 September 2016) overweegt de Hoge Raad het navolgende:
‘3.5.1
Voor het restant van het jaar 1994 vanaf 31 januari 1994 kan in een geval als het onderhavige een bewijsvermoeden worden aangenomen dat ter zake van inkomsten uit tegoeden op KB-Luxrekening(en) te weinig inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen is geheven. Het betreft dan een geval waarin vaststaat
- (i)
dat de belanghebbende op 31 januari 1994 rekeninghouder was van een of meer bankrekeningen bij KB-Lux,
- (ii)
dat die rekening(en) op 31 januari 1994 een aanzienlijk positief saldo vertoonde(n),
- (iii)
dat die belanghebbende het saldo en de rente-inkomsten die op die rekening(en) zijn ontvangen niet in de aangifte over het desbetreffende jaar heeft betrokken, en
- (iv)
hij de rentevrijstelling voor dat jaar reeds volledig had benut met de rente die in de aangifte is vermeld, dan wel de resterende ruimte van de rentevrijstelling niet toereikend is voor de rente waarvan kan worden aangenomen dat die is ontvangen op die KB-Lux-rekening(en).
Een dergelijk vermoeden is gerechtvaardigd, in aanmerking genomen
- (a)
dat een aanzienlijk tegoed op een bankrekening niet uit het vermogen van een belastingplichtige pleegt te verdwijnen en
- (b)
een bank, naar van algemene bekendheid is, rente pleegt te vergoeden over een zodanig tegoed (vgl. HR 18 maart 2008, nr. 00974/07, LJN BC6858, NJ 2008/182).
3.5.3.
De belastingplichtige die wil ontkomen aan bewijs door middel van een zodanig vermoeden, kan zich verweren hetzij door de feiten en omstandigheden te betwisten die aan het bewijsvermoeden ten grondslag zijn gelegd, hetzij door andere feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken waardoor redelijke twijfel wordt gewekt aan de redengevende kracht van dat bewijsvermoeden, zodat dit vermoeden wordt ontzenuwd (vgl. HR 25 oktober 2002, nr. 36898, LJN AE9354, BNB 2003/14).’
24.
Het Hof heeft verzuimd de berichtgeving die de Staatssecretaris bij zijn Zwitserse ambtgenoot heeft ingewonnen en die is neergelegd in de meergenoemde antwoordbrief van Zwitserland dd.1 april 2016, te toetsen aan de hierboven genoemde rechtspraak van de Hoge Raad m.b.t. de KB-Luxzaken en in verband daarmede het bewijsvermoeden. Appellant gaat er vanuit dat de kwestie van het bewijsvermoeden een ontwikkeling van het recht betreft zodat de vraag of het Hof heeft getoetst aan die ontwikkeling van het recht, geen feitelijke kwestie is dan wel een kwestie van uitleg, die alleen aan het Hof zijn voorbehouden en ten aanzien waarvan geen cassatie mogelijk zou zijn, maar een toetsing die erop gericht is te controleren of het Hof de door de Hoge Raad uitgestippelde rechtsontwikkeling heeft gevolgd. Eiseres gaat er daarbij vanuit dat wanneer de Hoge Raad een bepaalde rechtsontwikkeling aan de orde stelt, de Hoge Raad ook naderhand in voorkomende gevallen zal toetsen of het Hof redelijkerwijs de door de Hoge Raad uitgestippelde nieuwe rechtsontwikkeling heeft gevolgd. Indien geen controle achteraf van de Hoge Raad op een bepaalde rechtsontwikkeling mogelijk zou zijn, zou er geen sprake zijn van een rechtsontwikkeling die ook voor de toekomst behoort te gelden maar slechts van een incidentele rechtsontwikkeling die niet van invloed is op toekomstige gevallen.
25.
Het essentiële bewijsmateriaal omtrent de vraag wie UBO is zoals neergelegd in de meergenoemde brief met inlichtingen uit Zwitserland dd. 1 april 2016, dient centraal te staan in de UBO-vraag. Het Hof wijdt er nauwelijks aandacht aan, minimaliseert en bagatelliseert de inlichtingen uit Zwitserland, ingewonnen nota bene door de Staatssecretaris zelf. Het gestelde dienaangaande van het Hof sub 5.10.4. houdt geen goede, althans geen volledige motivering in van het afwijzend standpunt van het Hof. Allerlei factoren heeft het Hof niet meegewogen als hoedanig appellant noemt:
- a.
Vooropgesteld moet worden dat de opmerking van het Hof sub 5.10.4. dat in het Verdrag 1951 geen bepaling over de ‘uitwisseling van inlichtingen’ was opgenomen, niet nader is gemotiveerd. Het Hof knoopt hier geen konsekwenties aan vast. De opmerking van het Hof is nietszeggend in die zin dat het immers gaat om waarheidsvinding, waarbij het irrelevant is om welke reden of uit welke bron die waarheidsvinding ter tafel wordt gebracht. Het Hof suggereert dat deze waarheidsvinding afhankelijk is van de vraag of dienaangaande enige bepaling is opgenomen. Dit zou een foutieve suggestie van het Hof zijn, aangenomen dat dit Hof zulks heeft bedoeld. Waarheidsvinding is geheel onafhankelijk van de aanleiding daartoe, de gronden, de tijdstippen van verdragen, het al dan niet vermelden in die verdragen van een inlichtingen-artikel. Het gaat immers om het naakte feit van de waarheidsvinding op tafel te krijgen, ongeacht hoe dat naakte feit op tafel is gekomen.
- b.
Het Hof heeft voorts verzuimd de nieuwe informatie uit Zwitserland te toetsen aan de rechtspraak van de Hoge Raad, met name voor wat betreft de redenering dat met aan ‘zekerheid grenzende waarschijnlijkheid’ dient te worden aangenomen dat de eigendomsrechten op [H] en [F] zoals blijkens Zwitserse informatie vastgesteld t.a.v. het jaar 2012, eveneens gelden m.b.t. de jaren voorafgaande aan het jaar 2012.
- c.
Het Hof heeft nagelaten te motiveren waarom de nieuwe bewijsmiddelen uit Zwitserland geen feiten vormden die aannemelijk maken dat er sprake is van redelijke twijfel aan de redengevende kracht van het bewijsvermoeden, zoals de Rechtbank (die de nieuwe; inlichtingen niet kende) zulks heeft aangenomen. Er was alle aanleiding voor het Hof vast te stellen dat er sprake was van een redelijke twijfel op grond waarvan het vermoeden, zoals gehanteerd door de Rechtbank, werd ontzenuwd. De summiere overweging van het Hof sub 5.10.4. is, gezien het kardinale belang van de nieuwe informatie uit Zwitserland, geen deugdelijke motivering. Het rechtszekerheidsbeginsel is geschonden, alsmede het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Dit alles klemt temeer gezien het verzuim van het Hof om GRIEF XVII van het Beroepschrift Hof dd. 28 november 2014, te behandelen. Als essentiële aanvulling op de nieuwe informatie uit Zwitserland, dienen ook in aanmerking te worden genomen de vier notariële aktes, waaruit blijkt dat [L] de UBO van [F] was in de litigieuze jaren. Mocht dit niet zonder meer uitdrukkelijk en concreet blijken, dan had het op de weg van de inspecteur gelegen even inlichtingen in te winnen bij de curatoren in het faillissement van [L] Aldus had de inspecteur te weten kunnen komen dat [L] al verscheidene jaren UBO was van genoemde vennootschap. Weliswaar heeft [A] zulks steeds gesteld maar dit argument is, zoals zovele argumenten van [A]., terzijde geschoven als niet-geloofwaardig, onwaarschijnlijk. Door geen enkele poging te doen bij de curatoren van [L] en evenmin bij de Zwitserse autoriteiten, teneinde nadere inlichtingen te verkrijgen, is er bij de inspecteur sprake van schending van de beginselen van behoorlijk bestuur. Appellant mocht erop vertrouwen dat de inspecteur waar nodig nadere inlichtingen zou inwinnen. Het vertrouwensbeginsel is door de inspecteur geschonden.
- d.
Eiseres wil gaarne haar standpunt zo goed mogelijk duidelijk maken en om die reden neemt zij de vrijheid hieronder te citeren wat staat op pag. 4 en 5 van de Tien Dagen Stukken dd. 2 september 2016: (zaak [B]):
‘Hoewel de zaken die bij het Hof behandeld worden betrekking hebben op de jaren 2002 t/m 2006 en de van de Zwitserse regering verkregen inlichtingen betrekking hebben op het jaar 2012, is het duidelijk dat het jaar 2012 mede bepalend is t.a.v. de voorgaande jaren. In verband met de KBLux-zaken is o.a. door de Hoge Raad een formulering gebruikt die de Belastingdienst in Nederland, waar nodig, steeds toepast.’
Het betreft het geval van iemand, t.a.v. wie was vastgesteld dat hij een KB-Lux-rekening had met stel op de peildatum van 31 januari 1994 een vermogen van 3 miljoen. Een jaar later verklaarde deze persoon dat hij niets meer had, het vermogen was weg, was verdwenen, opgemaakt, etc.. Hij had niets meer, dus belastingheffing t.a.v. die 3 miljoen was niet meer aan de orde. Volkomen terecht heeft o.a. de Hoge Raad gesteld dat dit onaanvaardbaar was omdat het onwaarschijnlijk was dat het vermogen zo maar verdwenen was. Zie ook H.R. 28-06-2013 dat gemakshalve t.b.v. de fiscus compleet als Bijlage 8 (Prod. 1, bijlage 8, Tien Dagen Stukken van 2 september 2016) in het geding wordt gebracht. De redenering luidt als volgt:
‘Er dient van uitgegaan te worden dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid het vermogen in 1995 nog geheel of voor een aanzienlijk deel, aanwezig was, behoudens het recht van de belanghebbende dit te ontzenuwen.’
Die laatste toevoeging dat belanghebbende het recht heeft die vaststelling te ontzenuwen, is essentieel want een belanghebbende kan bv. harde bewijzen op tafel leggen waaruit blijkt dat hij het gehele vermogen heeft weggeschonken. Een notariële schenkingsakte, betaalde schenkingsrechten en toevoeging door de begiftigde van het geschonkene aan zijn vermogen volgens Box 3, zijn daartoe noodzakelijk.
Een redenering parallel lopende aan de hierboven geciteerde overweging, is hierin gelegen dat door het leveren door de Belastingdienst zelf van de nodige bewijsmiddelen uit Zwitserland, op overtuigende wijze aannemelijk is gemaakt dat eiser niets te maken had en heeft met de eigendom van de aandelen van de beide Zwitserse ondernemingen [F] AG resp. [H] AG., behoudens het recht van de andere partij, in casu de Belastingdienst, om dit te ontzenuwen door het leveren van concreet tegenbewijs. Op zijn minst had het Hof zich ervan behoren te onthouden [A] te kwalificeren als UBO.
CONCLUSIE: op grond van de door de Belastingdienst zelf ingewonnen inlichtingen bij de ESTV in Bern, dient er van uitgegaan te worden dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de eigendomsrechten m.b.t. de aandelen van [F] AG resp. [H] AG dezelfde of nagenoeg dezelfde zijn in de jaren voorafgaande aan het jaar 2012, als in het controle-jaar 2012, behoudens het recht van de andere partij, in casu de Belastingdienst, om dit te ontzenuwen. Na een onderzoek van bijna drie jaar heeft de ESTV in Bern vastgesteld dat de aandeelhouders van [F], resp. de aandeelhouders van [H] zijn met Zwitserse nationaliteit, wonende in Zwitserland. [A] wordt nergens genoemd en heeft/had niets te maken met de eigendomsrechten van de aandelen van de beide Zwitserse vennootschappen.
26.
De paar regels die het Hof sub 5.10.4. uitspraak 22 december 2016 wijdt aan het nieuwe feit in de vorm van door de Staatssecretaris in Zwitserland ingewonnen inlichtingen, acht eiseres extreem onredelijk. In bedoelde paar regels, in een uitspraak nota bene van 60 pagina's, minimaliseert, bagatelliseert het Hof het feit van de door de Staatssecretaris in Zwitserland ingewonnen inlichtingen. Er is zo te zeggen sprake van een stiefmoederlijke bedeling. Eiseres acht dit onaanvaardbaar. Het rechtszekerheidsbeginsel is geschonden, voorts het vertrouwensbeginsel alsmede het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van fair play. Eveneens het gelijkheidsbeginsel. Als fiscale inlichtingen die door de Staatssecretaris zelf nota bene zijn ingewonnen, vervolgens door de Staatssecretaris worden genegeerd omdat deze niet m zijn kraam binnen het kader van de belastingheffing te pas komen, dan is er sprake van schending van beginselen van behoorlijk bestuur, schending van het vertrouwen dat de belastingplichtige mag stellen in de overheid, met dien verstande dat iedere belastingplichtige er vanuit gaat dat de overheid ook de nodige aandacht zal schenken aan feiten en omstandigheden die toevallig negatief voor de overheid uitpakken. Het Hof heeft niet adequaat geoordeeld en zich beperkt tot enkele regels zoals weergegeven sub 5.10.4. van de uitspraak van 22 december 2016. Dit is niet alleen extreem onredelijk maar doet tevens de vraag rijzen of er nog wel sprake is van een eerlijk proces.
27.
De inlichtingen uit Zwitserland tonen aan dat het hanteren van een bewijsvermoeden tot ongewenste, zelfs kwalijke gevolgen kan leiden. Als onderdeel van het onderhavige Middel II moet appellant dan ook bezwaar maken tegen de wijze waarop de Rechtbank, met sanctionering door het Hof, het bewijsvermoeden hanteert.
28.
Gaat men uit van een eerlijke, integere, ijverige inspecteur, dan moet men er redelijkerwijs vanuit gaan dat iedere door de inspecteur opgelegde belastingaanslag gerechtvaardigd is, gezien de onbaatzuchtige en integere bron waaruit die aanslag stamt. Ook in gevallen waarin er voor de inspecteur geen bewijs aanwezig is, kan door de inspecteur worden volgehouden dat de aanslag juist is en dat hij deze baseert op een bewijsvermoeden, (dat in de meeste gevallen niet door de belastingplichtige kan worden ontzenuwd). Resultaat: door het niet ontzenuwde bewijsvermoeden is komen vast te staan dat de aanslag juist is.
29.
In de door de Hoge Raad behandelde KB -Luxzaak was de zaak zonneklaar. Iemand die op 31 januari 1994 een aanzienlijk vermogen had, stelde dat hij een jaar later niets meer had. Brede lagen van de bevolking zullen beamen dat dat natuurlijk niet kan want een vermogen is niet zo maar verdwenen. De bewijslast rust in dat geval op de belastingplichtige die mag aantonen dat het bewijsvermoeden onjuist is bv. doordat hij in 1995 zijn vermogen heeft weggeschonken. Zo niet, dan is de aanslag juist.
30.
Men kan echter het begrip bewijsvermoeden voortdurend oprekken en hierop te pas en te onpas een beroep doen. Waar liggen de grenzen? Het is de taak van de Hoge Raad om grenzen te stellen zodat de inspecteur niet onbeperkt het bewijsvermoeden kan toepassen in alle mogelijke situaties waarin hij zelf iets aannemelijk moet maken terwijl hij daartoe niet in staat is. In het geval van [A] is door de Rechtbank, gesanctioneerd door het Hof, op veel te lichtvaardige wijze geconcludeerd tot de aanwezigheid van een bewijsvermoeden, dat niet door [A] zou zijn ontzenuwd, ook niet op grond van door de Staatssecretaris in Zwitserland ingewonnen inlichtingen. Een kritische opstelling en grote terughoudendheid zijn geboden bij het toepassen van een bewijsvermoeden, zeer zeker wanneer door een nieuw feit in de vorm van geheel nieuwe inlichtingen uit Zwitserland, blijkt dat het bewijsvermoeden misplaatst was, ten aanzien waarvan het Hof niet een beslissing had mogen nemen, noch direct noch indirect, zoals het Hof heeft gedaan. Dit zou een verkeerde rechtsontwikkeling zijn. Bovendien ontstaat door het lichtvaardig hanteren van het begrip bewijsvermoeden het risico van een rechtsontwikkeling die uiteindelijk leidt tot een ondermijning van de rechtsstaat doordat bij voorbaat al de rechten van belastingplichtigen illusoir worden gemaakt door bedoeld beroep op een bewijsvermoeden. De klacht van appellant is dan ook dat het Hof niet het bewijsvermoeden had mogen toepassen en/of beoordelen zoals het Hof heeft gedaan. De gronden daartoe waren voor het Hof te mager en te onvolledig.
Samenvatting
33.
Onder verwijzing naar de gedingstukken bij Rechtbank en Hof, acht eiseres het van belang een opsomming te geven van feiten die naar het oordeel van eiseres toereikend zijn om het bewijsvermoeden, waarop rechtbank en Hof zich beroepen in verband met UBO en toepassing thincap-regeling, als ontzenuwd […] beschouwen. Het gaat om de volgende argumentaties/feiten:
- a.
Er is geen geschrift waarin staat dat [A] eigenaar zou zijn van de aandelen [F] en/of [H] Er is ook geen verslag dat [a] zoiets ooit zou hebben medegedeeld. Het maximaal gunstige voor de Belastingdienst, dus voor verweerder, betreft een enkele op zichzelf staande veronderstelling van financier ING Bank dat [A] wel eens een financieel belang zou kunnen hebben in [F]. Zie het sub 15 gestelde op pag. 4 en 5 van de pleitnota van [A] dd. 21 en 22 september 2016 (de beide zittingsdagen bij het Hof).
- b.
De informatie die de Nederlandse Staatssecretaris van Financiën bij zijn Zwitserse ambtgenoot heeft ingewonnen, uitmondende in twee brieven dd. 1 april 2016 van de Zwitserse regering (ESTV), waarin uitdrukkelijk en met zoveel woorden wordt bevestigd dat [A] geen UBO van [F] is maar dat de UBO c.q. aandeelhouders Zwitsers zijn, met Zwitserse nationaliteit, wonende in Zwitserland.
- c.
De door het Hof volledig genegeerde vier notariële aktes die hierboven bij Middel I besproken zijn.
- d.
De honorering van CHFr. 225.000 van [A], te vergoeden door [L] Zie het laatste gedeelte van de toelichting hierboven op MIDDEL I.
34.
Bij de Tien Dagen Stukken van appellant dd. 2 september 2016 zijn in totaal zeven Producties gevoegd (rode tabbladen). Bij Productie 1 zijn acht Bijlagen gevoegd (blauwe tabbladen). Als Bijlage 8 is overgelegd het arrest van de Hoge Raad Van 28-06-2013 dat het beroep in cassatie betreft tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 11 augustus 2011.
35.
In genoemd arrest H.R. dd. 28-06-2013 (zaaknummer 11/04152) wordt sub 3.4.1 onder het hoofd a) Algemeen verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 15 april 2011, waarbij werd uitgesproken dat de inspecteur in beginsel gebruik mag maken van een bewijsvermoeden. Sub 3.5.1. van het arrest dd. 28-06-2013 (zoals gemeld Bijlage 8 bij Productie 1 van de Tien Dagen Stukken dd. 2 september 2016) wordt het navolgende overwogen:
3.5.1.
Voor het restant van het jaar 1994 vanaf 31 januari 1994 kan in een geval als het onderhavige een bewijsvermoeden worden aangenomen dat ter zake van inkomsten uit tegoeden op KB-Luxrekening(en) te weinig inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen is geheven. Het betreft dan een geval waarin vaststaat
- (i)
dat de belanghebbende op 31 januari 1994 rekeninghouder was van een of meer bankrekeningen bij de KB-lux,
- (ii)
dat die rekening(en) op 31 januari 1994 een aanzienlijk positief saldo vertoonde(n),
- (iii)
dat die belanghebbende het saldo en de rente-inkomsten die op die rekening(en) zijn ontvangen niet in de aangifte over het desbetreffende jaar heeft betrokken, en
- (iv)
hij de rentevrijstelling voor dat jaar reeds volledig had benut met de rente die in de aangifte is vermeld, dan wel de resterende ruimte van de rentevrijstelling niet toereikend is voor de rente waarvan kan worden aangenomen dat die is ontvangen op die KB-Lux-rekening(en).
Een dergelijk vermoeden is gerechtvaardigd, in aanmerking genomen
- (a)
dat een aanzienlijk tegoed op een bankrekening niet uit het vermogen van een belastingplichtige pleegt te verdwijnen en
- (b)
een bank, naar van algemene bekendheid is, rente pleegt te vergoeden over een zodanig tegoed (vgl. HR 18 maart 2008, nr. 00974/07, LJN BC6858, NJ 2008/182).
3.5.3.
De belastingplichtige die wil ontkomen aan bewijs door middel van een zodanig vermoeden, kan zich verweren hetzij door de feiten en omstandigheden te betwisten die aan het bewijsvermoeden ten grondslag zijn gelegd, hetzij door andere feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken waardoor redelijke twijfel wordt gewekt aan de redengevende kracht van dat bewijsvermoeden, zodat dit vermoeden wordt ontzenuwd (vgl. HR 25 oktober 2002 , nr. 36898, LJN AE9354, BNB 2003/14).
36.
Uit het hierboven sub 3.5.3. weergegeven gedeelte uit het arrest van de Hoge Raad van 25 oktober 2002, blijkt dat er voor de belastingplichtige twee mogelijkheden zijn om aan het bewijsvermoeden te ontkomen:
- •
Betwisting van de grondslag van het bewijsvermoeden.
- •
Andere feiten te stellen en aannemelijk te maken waardoor redelijke twijfel wordt gewekt aan de redengevende kracht van dat bewijsvermoeden, zodat dit vermoeden wordt ontzenuwd.
37.
Het Hof heeft verzuimd het bewijsvermoeden, dat de Rechtbank heeft aangenomen en dat door het Hof is overgenomen, te toetsen aan de hierboven sub a t/m d genoemde feiten, waarbij aangetekend moet worden dat de Rechtbank uiteraard nog niet op de hoogte was van de berichtgeving van de Zwitserse regering aan de Nederlandse regering in de vorm van de twee meergenoemde brieven dd. 1 april 2016 (afkomstig van de Zwitserse ESTV). Zoals gemeld heeft het Hof de vier notariële aktes als hierboven sub b vermeld, volledig genegeerd terwijl het Hof en verweerder door uitdrukkelijk het hierboven sub d bedoelde bedrag van CHFr. 225.000 als beloning van [L] voor [A] te beschouwen, juist op een essentieel punt hebben bijgedragen aan het leveren van het bewijs door eiseres dat Dexia aandeelhoudster was van de aandelen [F], welke aandelen in 2009/2010, binnen het kader van de algehele liquidatie in het faillissement van [L], aan Zwitsers zijn verkocht. Dat Zwitsers, met Zwitserse nationaliteit en wonende in Zwitserland, eigenaar zijn en dus UBO, van de aandelen in [F] is door de Zwitserse regering aan de Nederlandse regering in de beide meergenoemde brieven van 1 april 2016 bevestigd.
38.
Het Hof heeft geen behoorlijk onderzoek ingesteld o.a. niet met betrekking tot de hierboven sub b genoemde vier notariële aktes en de beloning van [L] voor [A]. van CHFr. 225.000. Hierdoor is de uitspraak van het Hof niet althans niet voldoende gemotiveerd als gevolg van het feit dat het Hof de hierboven sub a t/m d genoemde feiten voor een groot deel buiten beschouwing heeft gelaten. Bij dit alles gaat eiseres er vanuit dat de leer van het bewijsvermoeden zoals door de Hoge Raad ontwikkeld, een nieuwe rechtsontwikkeling betreft, met als gevolg dat de toetsing aan die ontwikkeling van het recht, geen feitelijke kwestie is dan wel een kwestie van uitleg, die alleen aan het Hof zijn voorbehouden, maar een toetsing die erop gericht is te controleren of het Hof de door de Hoge Raad ontwikkelde rechtsontwikkeling heeft gevolgd. De Hoge Raad kan een bepaalde rechtsontwikkeling bevorderen maar in voorkomende gevallen behoort de Hoge Raad te toetsen of het Hof redelijkerwijs de door de Hoge Raad uitgestippelde nieuwe rechtsontwikkeling heeft gevolgd. Kortom, de onderhavige materie leent zich voor beroep in cassatie. 39. Aan de toetsing zoals hierboven door eiseres wordt bedoeld, voegt eiseres (nogmaals) toe dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de eigendomsrechten met betrekking tot de aandelen in [F] (en ook [H]) in de litigieuze jaren 2004, 2005 en 2006 dezelfde waren als in de daaropvolgende jaren. Dit betreft een door de Belastingdienst veelvuldig gehanteerd criterium in o.a. de KB-Lux zaken.
Middel III
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan niet inachtneming nietigheid medebrengt, doordat het Hof bij de in dit beroepschrift bestreden uitspraak heeft overwogen en beslist zoals in de genoemde uitspraak van het Hof vermeld, speciaal schending van de thin cap-regeling en art. 10d Wet Vennootschapsbelasting.
40.
Voor de toepassing van de zogeheten thin cap-regeling op basis van artikel 10d Wet Vennootschapsbelasting, worden twee harde eisen gesteld:
- •
Er moet sprake zijn van een economische eenheid tussen de betreffende ondernemingen
- •
Er moet sprake zijn van een organisatorische verbondenheid in de zin van artikel 2:24b Burgerlijk Wetboek.
41.
Het Hof legt niet uit dat er in casu sprake zou zijn van een economische eenheid en een organisatorische verbondenheid en wel zodanig dat in het onderhavige geval toepassing van de thin cap-regeling juist zou zijn. De uitspraak van het Hof is dan ook niet althans niet voldoende gemotiveerd en onbegrijpelijk. Schending van het rechtszekerheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel (eiseres wordt als in feite een Zwitserse onderneming anders behandeld dan de Nederlandse ondernemingen).
42.
Onjuist, onbegrijpelijk en tegenstrijdig is dat het Hof [F] en de financieringsmij [H] over één kam scheert. [H] behoort behandeld te worden als iedere andere (Nederlandse) financier zoals ING Bank, Philips Pensioenfonds, ZwitserLeven, SNS, e.d. met wie eiseres zaken deed en doet.
Mitsdien:
Op grond van vorenstaande middelen tot cassatie te horen vernietigen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 21 maart 2017, waartegen de middelen zich richten, met zodanige verdere behandeling en beslissing als uw Hoge Raad zal menen te behoren, kosten rechtens.
Uitspraak 23‑03‑2018
Inhoudsindicatie
Vennootschapsbelasting. Art. 10d, leden 1 en 2, Wet Vpb 1969 (oud). Thincap-regeling. Aftrekbeperking geldt ook indien rente wordt betaald aan een verbonden lichaam in de zin van artikel 10a, lid 4, Wet Vpb 1969 dat geen deel uitmaakt van de groep lichamen die met belastingplichtige zijn verbonden in de zin van artikel 2:24b BW.
Partij(en)
23 maart 2018
nr. 17/02152
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 21 maart 2017, nrs. 14/00681, 14/00682 en 14/00683, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. AWB 12/471, 12/472 en 12/473) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2004 tot en met 2006 opgelegde aanslagen in de vennootschapsbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Beoordeling van de middelen
2.1.1.
Het Hof heeft geoordeeld dat de Zwitserse vennootschap [H] AG op grond van het bepaalde in artikel 10a, lid 4, letter c, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst voor de onderhavige jaren; hierna: de Wet) moet worden aangemerkt als een met belanghebbende verbonden lichaam.
2.1.2.
Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbende met andere lichamen is verbonden in een groep in de zin van artikel 2:24b BW. Het Hof heeft hieraan de gevolgtrekking verbonden dat toepassing van artikel l0d, lid 1, van de Wet niet afstuit op het bepaalde in het tweede lid van dat artikel, dat een uitzondering bevat voor belastingplichtigen die niet deel uitmaken van zo een groep. Aan deze gevolgtrekking doet volgens het Hof niet af dat niet is komen vast te staan dat [H] AG, de vennootschap waaraan belanghebbende rente is verschuldigd, behoort tot de andere lichamen waarmee belanghebbende is verbonden in een groep in de zin van artikel 2:24b BW.
2.2.
De middelen I en II, die zich richten tegen ’s Hofs hiervoor in 2.1.1 weergegeven oordeel, kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
2.3.1.
Middel III richt zich tegen ’s Hofs hiervoor in 2.1.2 weergegeven oordelen.
2.3.2.
Het middel faalt voor zover het is gericht tegen het oordeel dat belanghebbende met andere lichamen is verbonden in een groep in de zin van artikel 2:24b BW. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
2.3.3.
Het middel faalt ook voor het overige. Artikel 10d van de Wet richt zich tegen een onevenwichtige verdeling van financieringslasten binnen een concern. De in het eerste lid van dat artikel bedoelde aftrekbeperking is daarom slechts van toepassing indien de belastingplichtige deel uitmaakt van een concern. Voor het begrip concern heeft de wetgever in dit verband aangesloten bij de definitie van een groep zoals opgenomen in artikel 2:24b BW (zie onder meer Kamerstukken II 2003/04, 29 210, nr. 8, blz. 9). Wanneer een belastingplichtige deel uitmaakt van een dergelijk concern komt in bepaalde gevallen een gedeelte van de door deze belastingplichtige betaalde rente niet in aftrek indien sprake is van een teveel aan vreemd vermogen (artikel 10d, leden 1 en 4, van de Wet). Het bedrag aan rente dat aldus niet aftrekbaar is, kan op grond van artikel 10d, lid 3, van de Wet niet hoger zijn dan het bedrag aan rente van geldleningen dat de belastingplichtige direct of indirect is verschuldigd aan met haar verbonden lichamen, verminderd met het bedrag aan rente ter zake van geldleningen die door de belastingplichtige zijn verstrekt aan zodanige lichamen. Voor het begrip verbonden lichaam heeft de wetgever in dit verband aangesloten bij de definitie daarvan in artikel 10a, lid 4, van de Wet. Het Hof is daarom terecht ervan uitgegaan dat artikel l0d, lid 1, van de Wet van toepassing is, ook indien de met belanghebbende in de zin van artikel 10a, lid 4, van de Wet verbonden vennootschap [H] AG niet behoort tot de lichamen waarmee belanghebbende een groep vormt in de zin van artikel 2:24b BW.
3. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2018.