In de bestreden beschikking wordt bovenaan de datum van 20 november 2023 genoemd. Onderaan de beschikking staat echter vermeld dat deze op 4 december 2023 in het openbaar is uitgesproken. In het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer van 20 november 2023 is voorts gerelateerd dat het klaagschrift op 20 november 2023 ter openbare raadkamerzitting is behandeld en dat de beschikking op 4 december 2023 ter openbare raadkamerzitting zal worden uitgesproken. Het bovenstaande maakt dat in deze conclusie ervan wordt uitgegaan dat de bestreden beschikking dateert van 4 december 2023 en dat de vermelding van de datum van 20 november 2023 bovenaan deze beschikking een kennelijke misslag betreft.
HR, 24-06-2025, nr. 24/01015 B
ECLI:NL:HR:2025:991
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
24-06-2025
- Zaaknummer
24/01015 B
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:991, Uitspraak, Hoge Raad, 24‑06‑2025; (Cassatie, Beschikking)
ECLI:NL:PHR:2025:160, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 04‑02‑2025
- Vindplaatsen
Uitspraak 24‑06‑2025
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag ex art. 94 Sv op partij voorwerpen t.z.v. verdenking overtreding art. 18 Warenwet. Ontvankelijkheid cassatieberoep i.v.m. vernietiging, art. 134.2.c Sv jo. 117 Sv. O.b.v. door HR ingewonnen inlichtingen moet ervan worden uitgegaan dat inbeslaggenomen voorwerpen in november 2024 zijn vernietigd met machtiging van OvJ van 21-10-2024 a.b.i. art. 117 Sv. Hieruit volgt dat beslag inmiddels is beëindigd. Daarom zal HR cassatieberoep van klaagster niet in behandeling nemen. Klaagster n-o. CAG: anders. Samenhang met 23/01629 B en 23/01638 B en met 23/02666 B en 24/01159 B (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, betrokkene n-o).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/01015 B
Datum 24 juni 2025
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 4 december 2023, nummer RK 23/026388, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klaagster] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: de klaagster.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft de advocaat K. Canatan bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot niet-ontvankelijkverklaring van de klaagster in haar klaagschrift van 23 oktober 2023.
De raadsman van de klaagster heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
2.1
Het gaat in deze zaak om de inbeslagneming onder de klaagster van 110 kilogram EU01 en 460 kilogram CLV03. De rechtbank heeft het klaagschrift van de klaagster dat strekt tot teruggave aan haar van de inbeslaggenomen voorwerpen op 4 december 2023 ongegrond verklaard.
2.2
Op basis van door de Hoge Raad ingewonnen inlichtingen moet ervan worden uitgegaan dat de inbeslaggenomen voorwerpen in november 2024 zijn vernietigd met een machtiging van de officier van justitie van 21 oktober 2024 als bedoeld in artikel 117 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).
2.3
Artikel 134 lid 2 Sv luidt:
“Het beslag wordt beëindigd doordat hetzij
(...)
c. de machtiging als bedoeld in artikel 117 is verleend en het voorwerp niet om baat is vervreemd;
(...).”
2.4
Hieruit volgt dat het beslag inmiddels is beëindigd. Daarom zal de Hoge Raad het cassatieberoep van de klaagster niet in behandeling nemen.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juni 2025.
Conclusie 04‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Hernieuwd beklag a.b.i. art. 552a Sv. Beslag op 460 kg CLV03 (3-CMC) en 110 kg EU01 (N-ethylbutylon) die ten tijde van inbeslagneming niet verboden waren, maar inmiddels wel. Volgens A-G heeft de rechtbank ten onrechte de klaagster ontvankelijk geacht in het hernieuwde beklag nu dat beklag is gedaan hangende het cassatieberoep tegen de ongegrondverklaring door de rechtbank van het namens de klaagster eerder gedane beklag. A-G adviseert de Hoge Raad te doen wat de rechtbank had behoren te doen door de klaagster alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in het hernieuwde beklag.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01015 B
Zitting 4 februari 2025
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[klaagster],
gevestigd te [plaats],
hierna: de klaagster
1. Het cassatieberoep
1.1
De rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, heeft bij beschikking van 4 december 20231.zowel de vordering van de officier van justitie als bedoeld in art. 552f Sv strekkende tot onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen 460 kilogram CLV03 en 110 kilogram EU01 afgewezen als het op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschrift van de klaagster, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klaagster van die voorwerpen, ongegrond verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is op 13 december 2023 ingesteld namens de klaagster.2.K. Canatan, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld dat is gericht tegen de ongegrondverklaring van het klaagschrift.
1.3
Deze conclusie leidt tot de slotsom dat de bestreden beschikking wordt vernietigd en de klaagster niet-ontvankelijk wordt verklaard in het (hernieuwde) beklag.
2. Wat aan het cassatieberoep vooraf is gegaan
2.1
Chronologisch is de zaak – voor zover daarvan blijkt uit de in cassatie ter beschikking staande stukken – als volgt verlopen.
2.2
Op 20 april 2022 zijn op grond van art. 94 Sv opslagcilinders van karton, zogenaamde ‘fibre drums’, en kartonnen dozen met daarin in totaal 460 kilogram CLV03 en 110 kilogram EU01 in beslag genomen.
2.3
Op 26 april 2022 rapporteert het NFI dat deze voorwerpen 3-CMC en N-ethylbutylon bevatten. Dit zijn volgens het NFI ‘nieuwe psychoactieve stoffen’ (NPS’en) die als drugs worden gebruikt, maar (ten tijde van de inbeslagneming) niet vermeld stonden op de lijsten van de Opiumwet, terwijl zij voor de volksgezondheid wel een vergelijkbaar risico kunnen vormen als Opiumwetsubstanties.
2.4
Op 18 mei 2022 is namens de klaagster een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv ingediend, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klaagster van de onder randnr. 1.1 genoemde stoffen.
2.5
Op 5 juli 2022 heeft de rechtbank het klaagschrift gegrond verklaard en de teruggave gelast van de in beslag genomen stoffen. Die beschikking houdt onder meer in:
“Het Openbaar Ministerie heeft in het kader van de onderhavige procedure aangevoerd dat nog wordt onderzocht of sprake is van overtreding van artikel 174 en 175 Sr, dan wel overtreding van wetgeving op het gebied van opslag, etikettering en/of vervoer van de chemicaliën (onder de WED of geneesmiddelen, voedsel- en warenwetgeving). Echter, dit is sinds 26 april 2022 in onderzoek en heeft niet geleid tot een concreet en onderbouwd redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit.
Gelet op het ontbreken van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit en in het licht van de huidige stand van de wetgeving inzake zogenaamde NPS’en, is het niet waarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van de voorwerpen zal bevelen.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het beslag dient te worden opgeheven.”
2.6
Op 18 juli 2022 is door de officier van justitie beroep in cassatie ingesteld tegen de onder randnr. 2.5 genoemde beschikking van de rechtbank.
2.7
Op 4 april 2023 heeft de Hoge Raad de beschikking van de rechtbank vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank, opdat de zaak opnieuw zou worden behandeld en afgedaan.3.De Hoge Raad heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:
“De rechtbank heeft vastgesteld dat het Nederlands Forensisch Instituut heeft gerapporteerd dat de in beslag genomen voorwerpen N-ethylbutylon en 3-CMC – zogenoemde nieuwe psychoactieve stoffen – bevatten en dat nieuwe psychoactieve stoffen substanties zijn die als drugs worden gebruikt en niet zijn vermeld op de lijsten van de Opiumwet, maar voor de volksgezondheid wel een vergelijkbaar risico kunnen vormen als Opiumwetsubstanties. In het licht daarvan en gelet op wat de officier van justitie in raadkamer heeft aangevoerd over onder meer de manier van opslag, de indicaties dat sprake was van herverpakking zonder juiste etikettering en van het ontbreken van productbladen met de chemische gegevens en veiligheidsaspecten – een en ander in verband met het nog lopende onderzoek naar een (mogelijke) overtreding van artikel 174 en/of 175 Sr, dan wel wetgeving op het gebied van opslag, etikettering of vervoer van chemicaliën – is het oordeel van de rechtbank dat een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit ontbreekt, niet zonder meer begrijpelijk.”
2.8
De rechtbank heeft na de terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad het klaagschrift van de klaagster opnieuw beoordeeld en dit bij beschikking van 4 juli 2023 ongegrond verklaard. Die beschikking houdt onder meer het volgende in:
“De beoordeling die nu moet plaatsvinden is enigszins anders dan de beoordeling die op de raadkamer van 5 juli 2022 heeft plaatsgevonden nu het Openbaar Ministerie heeft aangegeven dat klaagster voor art. 18 Warenwet (en niet art. 174 en 175 Sr) zal worden vervolgd. De Hoge Raad heeft zich niet uitgelaten over deze bepaling. De rechtbank benadrukt dat het onderzoek in raadkamer een marginale toetsing betreft. In tegenstelling tot de beslissing van 5 juli 2022, waarin de rechtbank concludeerde dat een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit ontbrak, stelt de rechtbank nu vast dat er geen gebrek is aan een redelijk vermoeden van schuld aan art. 18 Warenwet. Gelet op de ontwikkelingen die betrekking hebben op (de schadelijkheid van) de stoffen 3-CMC en eutylon – zoals blijkt uit de stukken die inmiddels zijn toegevoegd aan het dossier – is het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter – later oordelend – de stoffen verbeurd zal verklaren dan wel onttrekken aan het verkeer. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag.
Het beklag zal daarom ongegrond worden verklaard.”
2.9
Op 6 juli 2023 is namens de klaagster beroep in cassatie ingesteld tegen de onder randnr. 2.8 genoemde beschikking van de rechtbank. De Hoge Raad heeft ten tijde van deze conclusie nog niet beslist op dat cassatieberoep.4.
2.10
Op 6 oktober 2023 heeft de officier van justitie een vordering als bedoeld in art. 552f Sv ingediend, strekkende tot onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen voorwerpen bevattende 3-CMC en N-ethylbutylon. Voorts heeft de officier van justitie bij sepotbrief van diezelfde datum de bestuurder van de klaagster geïnformeerd dat hij niet verder zal worden vervolgd. Deze brief houdt onder meer het volgende in:
“Doordat 3-CMC en N-ethylbutylon (eutylon) inmiddels strafbaar zijn gesteld onder de Opiumwetgeving mogen de verdovende middelen op grond van de wet niet terugkomen in het verkeer; deze zullen daarom worden vernietigd. Deze strafbaarstelling maakt ook dat de rechtsvormende belangen ten aanzien van vervolging ter zake artikel 18 Warenwet komen te vervallen.
Door genoemde gewijzigde omstandigheden en nu de verdovende middelen worden onttrokken aan het verkeer, zal het Openbaar Ministerie u niet verder vervolgen voor dit feit.”
2.11
Op 23 oktober 2023 is namens de klaagster opnieuw een klaagschrift ingediend. Het klaagschrift strekt tot afwijzing van de bovengenoemde vordering van de officier van justitie, opheffing van het beslag en teruggave aan de klaagster van de in beslag genomen stoffen.
2.12
Op 20 november 2023 zijn de vordering tot onttrekking aan het verkeer als bedoeld in art. 552f Sv van 6 oktober 2023 en het op grond van art. 552a Sv opnieuw ingediende klaagschrift van de klaagster van 23 oktober 2023 behandeld door de enkelvoudige raadkamer van de rechtbank. De officier van justitie heeft op die raadkamerzitting aangegeven dat de klaagster ook een sepotbrief zal ontvangen, maar dat dat administratief nog moet worden afgewikkeld.
2.13
Vervolgens heeft de rechtbank bij één beschikking van 4 december 2023 zowel de vordering van de officier van justitie tot onttrekking aan het verkeer afgewezen als het klaagschrift van de klaagster ongegrond verklaard.
2.14
Op 13 december 2023 is namens de klaagster beroep in cassatie ingesteld tegen de onder randnr. 2.13 genoemde beschikking van de rechtbank. Het cassatieberoep ziet op de ongegrondverklaring van het (opnieuw ingediende) klaagschrift van de klaagster.
3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden beschikking
3.1
Als een eerder ingediend klaagschrift niet heeft geleid tot opheffing van het beslag en dat beslag nog niet anderszins is geëindigd, is het in beginsel mogelijk om opnieuw een klaagschrift in te dienen dat strekt tot beëindiging van het op de voet van art. 94 Sv dan wel art. 94a Sv gelegde beslag. De aanleiding daarvoor kan zijn gelegen in het tijdsverloop sinds de inbeslagneming en de beslissing op het eerdere klaagschrift en/of in een wijziging van de voor de beoordeling van het beklag relevante omstandigheden. Door het wederom indienen van een klaagschrift kan dan het beklag opnieuw worden beoordeeld op grond van de informatie die op dat moment voorhanden is over de strafzaak of ontnemingszaak, waarbij de beklagrechter mede acht kan slaan op het tijdsverloop sinds de inbeslagneming.5.
3.2
Voor de ontvankelijkheid van het hernieuwde beklag is allereerst vereist dat de beslissing op het eerder ingediende klaagschrift onherroepelijk is. Daarnaast geldt in het algemeen dat een hernieuwd beklag ontvankelijk is als een beroep wordt gedaan op andere feiten of omstandigheden dan die waarop het eerdere klaagschrift was gebaseerd en die van zodanige aard zijn dat zij nopen tot een nieuwe beoordeling van het verzoek tot opheffing van het beslag. Het is niet vereist dat de feiten of omstandigheden waarop in het hernieuwde beklag een beroep wordt gedaan in die zin nieuw zijn dat zij zich pas na de behandeling van het eerdere klaagschrift hebben voorgedaan of bekend zijn geworden. Een hernieuwd beklag kan echter niet in behandeling worden genomen als daarin uitsluitend een beroep wordt gedaan op feiten en/of omstandigheden waarop de klager in het eerdere klaagschrift of bij gelegenheid van de behandeling daarvan een beroep heeft gedaan.6.
3.3
Uit de onder randnr. 2 geschetste procesgang blijkt dat de klaagster bij klaagschrift van 18 mei 2022 voor het eerst heeft verzocht om opheffing van het beslag en teruggave aan haar van de onder randnr. 1.1 genoemde voorwerpen. Dat klaagschrift is (uiteindelijk) bij beschikking van 4 juli 2023 ongegrond verklaard. Tegen die beschikking heeft de klaagster beroep in cassatie ingesteld. Hangende dat cassatieberoep heeft de klaagster bij klaagschrift van 23 oktober 2023 andermaal verzocht voormelde voorwerpen aan haar terug te geven. De rechtbank heeft dat hernieuwde beklag in behandeling genomen en bij beschikking van 4 december 2023 ongegrond verklaard. Daarin ligt als haar oordeel besloten dat de klaagster ontvankelijk is in het hernieuwde beklag. Het onderhavige cassatieberoep is gericht tegen de ongegrondverklaring door de rechtbank van dat hernieuwde beklag.
3.4
In aanmerking genomen dat ten tijde van de behandeling door de rechtbank van het hernieuwde beklag door de Hoge Raad nog niet was beslist op het cassatieberoep tegen de ongegrondverklaring van het eerder ingediende klaagschrift van de klaagster en die beslissing dus nog niet onherroepelijk was, had de rechtbank de klaagster niet-ontvankelijk moeten verklaren in het hernieuwde beklag.7.De Hoge Raad zal kunnen doen wat de rechtbank had behoren te doen door de klaagster alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in haar klaagschrift van 23 oktober 2023.
4. Slotsom
4.1
Het middel behoeft geen bespreking.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot niet-ontvankelijkverklaring van de klaagster in haar klaagschrift van 23 oktober 2023.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 04‑02‑2025
Op 15 december 2023 heeft de officier van justitie beroep in cassatie ingesteld tegen de afwijzing door de rechtbank van de vordering tot onttrekking aan het verkeer. Op 11 juli 2024 heeft de officier van justitie dit cassatieberoep ingetrokken, zodat enkel het cassatieberoep van de klaagster tegen de ongegrondverklaring van het klaagschrift resteert.
HR 4 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:417, NJ 2023/152, m.nt. P.A.M. Mevis.
Het cassatieberoep is geregistreerd onder het griffienr. 23/02666.
HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:81, NJ 2023/150, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.5.1 en HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:494, rov. 2.3.2.
HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:81, NJ 2023/150, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.5.2 en HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:494, rov. 2.3.3.
Vgl. HR 4 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2161. In de zaak die leidde tot deze beschikking van de Hoge Raad had de rechtbank de klaagster niet-ontvankelijk verklaard in het hernieuwde beklag mede omdat cassatieberoep was ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank op het eerder ingediende klaagschrift, zodat die beslissing nog niet onherroepelijk was. Volgens de Hoge Raad had de rechtbank door aldus te overwegen geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en had zij haar beschikking toereikend gemotiveerd.