Einde inhoudsopgave
Transparante en eerlijke verdeling (Meijers-reeks) 2015/10.4.5
10.4.5 De exploitatievergunning in de omgevingsverordening
A. Drahmann, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
A. Drahmann
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Voetnoten
Voetnoten
Zie de Kabinetsnotitie Stelselwijziging Omgevingsrecht d.d. 9 maart 2012 (Kamerstukken II 2011/12, 33 118, nr. 3).
Dit schaarse exploitatierecht zou dan een derde recht zijn naast het bestaande eigendomsrecht en het gebruiksrecht dat voortvloeit uit het (thans nog) bestemmingsplan.
Naast de jurisprudentie van het CBb over de Winkeltijdenwet, is ook de jurisprudentie van het CBb over exploitatievergunningen voor het exploiteren van speelautomatenhallen die door de burgemeester worden verleend (zoals de hiervoor beschreven Hommerson’szaak CBb 3 juni 2009, AB 2009/373 en AB 2009/374, beide m.nt. C.J. Wolswinkel) relevant.
In dit artikel laat ik de Mijnbouwwet buiten beschouwing. In het kader van de transparantieverplichting wijs ik echter graag op artikel 15 Mijnbouwwet. Dit artikel bepaalt dat zodra een aanvraag om een vergunning is ingediend, anderen in de gelegenheid worden gesteld om aanvragen om een soortgelijke vergunning in te dienen voor dezelfde delfstof voor hetzelfde gebied. Hiertoe wordt een uitnodiging in de Staatscourant gepubliceerd.
Het ontwerp voor deze AMvB is gepubliceerd in Stcrt. 2011, 4830. De volledige naam van het ontwerpbesluit is: ‘Besluit van ... tot wijziging van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, het Besluit bodemkwaliteit, het Besluit lozen buiten inrichtingen, het Besluit omgevingsrecht en het Waterbesluit met betrekking tot het installeren en in werking hebben van bodemenergiesystemen’. De wettelijke basis voor het besluit is gelegen in de Wm, de Wet bodembescherming (Wbb), de Wabo en de Waterwet.
In het ontwerpbesluit (Stcrt. 2011, 4830) wordt ’gesloten bodemenergiesysteem’ omschreven als een ’installatie waarmee gebruik wordt gemaakt van de bodem voor de levering van warmte of koude ten behoeve van de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken, door middel van een gesloten circuit van leidingen, met inbegrip van het bovengrondse deel van de installatie’.
Wanneer de thermische invloedsgebieden van verschillende bodemenergiesystemen overlappen, kunnen namelijk energierendementen teruglopen. Daarom is het niet alleen wenselijk om in kaart te brengen waar de systemen worden aangelegd (door middel van een meldplicht), maar ook om waar nodig de aanleg te kunnen sturen (door middel van een vergunningplicht). Zonder deze sturing zou bijv. de aanwezigheid van een klein gesloten systeem dat het eerst is geïnstalleerd, het gebied op slot kunnen zetten en de installatie van een groot systeem kunnen verhinderen. Dit zou leiden tot inefficiënt gebruik van de schaarse ondergrond. In gebieden waar veel bodemenergiesystemen worden verwacht is sturing vereist.
Artikel 1.9a en 3.29 Besluit lozen buiten inrichtingen en artikel 3.16g Activiteitenbesluit. Voor de eenvoud laat ik de regeling voor de open bodemenergiesystemen hier buiten beschouwing.
In het kader van de transparantie verdient het mijns inziens de voorkeur om niet in de beleidsregel maar in de verordening te bepalen welk verdeelmechanisme wordt gekozen.
Wel is een Handreiking Masterplannen bodemenergie opgesteld. Dit document is tot stand gekomen door ARCADIS, TTE, Witteveen+Bos, Ministerie van IenM, Tauw, IF Technology en SKB.
Artikel 2 en 3 WTW.
Op de website van de VNG is een Handreiking zondagavondsupers en een document met ’tips & trics’ te vinden.
CBb 24 augustus 2012, LJN BX6540 (Castricum).
Bijv. het eerdergenoemde arrest van de HR 4 november 2005, BR 2006/36, m.nt. H. Nijholt en NJ 2006/204, m.nt. M.R. Mok.
Dit is echter niet noodzakelijk. Een separate exploitatieverordening is ook mogelijk. Voorbeelden zijn de bestaande winkeltijdenverordeningen die zijn gebaseerd op de Winkeltijdenwet of de Speelautomatenverordening die is gebaseerd op de Wet op de kansspelen. Ook de verdeling van marktplaatsen vindt nu al plaats bij gemeentelijke verordening.
Vgl. de parkeervergunning.
Vgl. artikel 2.2 lid 1 Wabo voor de wettelijke basis.
Volgens Tjepkema mogen burgers er enerzijds in beginsel niet op rekenen dat de regels die op een bepaald moment gelden, nooit zullen veranderen: een vergunning heeft geen eeuwigheidswaarde. Anderzijds gaat het risico van intrekking van een vergunning niet zo ver dat een vergunninghouder op elk willekeurig moment met de intrekking kan worden geconfronteerd (M.K.G. Tjepkema, Nadeelcompensatie op basis van het égalitébeginsel, Deventer: Kluwer 2010, p. 460).
Dit overgangsrecht zou eventueel verder beperkt kunnen worden door alleen persoonsgebonden vergunningen te verlenen.
Ch. Backes, A. Keessen & M. van Rijswick, Effectgerichte normen in het omgevingsrecht. De betekenis van kwaliteitseisen, instandhoudingsdoelstellingen en emissieplafonds voor de bescherming van milieu, water en natuur, Den Haag: BJu 2012, p. 13 (aanbeveling 13), p. 35-39.
Vgl. het Engelmann-arrest (HvJ EU 9 september 2010, nr. C-64/08, NJ 2010/661). In dit arrest oordeelde het Hof van Justitie dat in dat geval de verlening van concessies voor een duur tot vijftien jaar gerechtvaardigd leek, met name gelet op het feit dat de concessiehouder voldoende tijd nodig heeft om de noodzakelijke investeringen (voor in casu de oprichting van een casino) af te schrijven.
Hiervoor is ingegaan op de mogelijkheid een verdelingsregeling op te nemen in een bestemmingsplan. Zoals gesteld zal het bestemmingsplan naar verwachting niet terugkeren in de Omgevingswet, maar plaatsmaken voor de omgevingsverordening. Het is mij niet bekend hoe deze regeling vormgegeven zal worden. Als een gemeentebestuur ervoor zou kiezen om schaarste te creëren in de omgevingsverordening dan zou het mijns inziens goed passen binnen het stelsel voor de nieuwe Omgevingswet om een exploitatierecht als onderdeel van de omgevingsvergunning te creëren. Naast het afschaffen van het bestemmingsplan is het immers de bedoeling van de regering om in de Omgevingswet te komen tot een verdere integratie van diverse vergunningstelsels in de omgevingsvergunning.1 Bij (gemeentelijke) omgevingsverordening kan bepaald worden dat het verboden is een bepaalde activiteit te verrichten zonder een omgevingsvergunning voor het exploiteren (hierna afgekort tot ’de exploitatievergunning’). Deze toestemming staat dus los van de regulering van het gebruik door middel van (thans het bestemmingsplan en in de toekomst) de omgevingsverordening.2 Daarnaast zou in de omgevingsverordening het aantal te verlenen exploitatievergunningen beperkt moeten worden. In de omgevingsverordening kan vervolgens worden uitgewerkt hoe het aantal vergunningen kan worden verdeeld. Om te voorkomen dat iedere gemeente een andere regeling treft, verdient het aanbeveling om de minimumeisen voor een dergelijke regeling in een omgevingsverordening op te nemen in een op de Omgevingswet gebaseerde AMvB. Voor de vormgeving van een dergelijk onderdeel van de omgevingsverordening kan worden gekeken naar de gemeentelijke winkeltijdenverordeningen.3 Een ander vergunningstelsel dat het gebruik van ruimte reguleert zal (naar verwachting) op 1 juli 2013 geïntroduceerd worden met de inwerkingtreding van het Wijzigingsbesluit bodemenergiesystemen. Deze twee stelsels zal ik hieronder kort toelichten.
A) Voorbeeld 1: Bodemenergiesystemen4
Het Besluit bodemenergiesystemen5 bevat een meld- en vergunningplicht voor gesloten bodemenergiesystemen.6 De aanleg van een nieuw bodemenergiesysteem kan door interferentie nadelige gevolgen hebben voor bestaande en andere toekomstige systemen.7 Het Besluit bodemenergiesystemen maakt het mogelijk om bij gemeentelijke verordening een interferentiegebied aan te wijzen als ’ter voorkoming van interferentie tussen bodemenergiesystemen of anderszins ter bevordering van het doelmatig gebruik van bodemenergie’ voorafgaande toestemming van b&w gewenst is. Voor het in werking hebben van een gesloten bodemenergiesysteem in een interferentiegebied is een omgevingsvergunning (beperkte milieutoets) vereist.8 Deze omgevingsvergunning wordt geweigerd als het bodemenergiesysteem zodanige interferentie kan veroorzaken met een ander bodemenergiesysteem dat het doelmatig functioneren van de desbetreffende systemen kan worden geschaad dan wel anderszins sprake is van een ondoelmatig gebruik van bodemenergie.9 In de toelichting bij het ontwerpbesluit wordt gesteld dat het wenselijk is om naast de verordening ook beleidsregels op te stellen, omdat het te voeren beleid voor eenieder kenbaar moet zijn en ook consequent moet worden toegepast. Als geen beleidsregels worden opgesteld zal het beginsel ‘wie het eerst komt, het eerst pompt’ gelden. In beleidsregels kan een ander verdeelsysteem worden gekozen.10 Als voorbeeld wordt gegeven dat het beleid kan inhouden dat bepaalde bodemenergiesystemen voorrang krijgen en dat voor andere systemen geen vergunning wordt verleend, bijvoorbeeld voor kleine individueel beheerde systemen, indien het voornemen bestaat in het gebied een groot collectief beheerd systeem te installeren. Het Besluit bodemenergiesystemen bevat geen eisen waaraan een verordening en de daarop gebaseerde beleidsregels moeten voldoen.11 Vanuit een oogpunt van transparantie zijn hier wel wat richtsnoeren voor te geven. Deze zullen verderop in deze paragraaf worden gegeven.
B) Voorbeeld 2: de winkeltijdenverordening
Op grond van de Winkeltijdenwet (wtw) is het verboden op zondagen een winkel geopend te hebben voor het publiek. De gemeenteraad kan bij verordening aan b&w de bevoegdheid geven om ontheffing te verlenen van dit verbod.12 Veel gemeentelijke verordeningen bepalen dat slechts een beperkt aantal supermarkten op zondag open mag zijn en dat b&w de ontheffing(en) verleent door middel van loting, een kwalitatieve toets of op volgorde van binnenkomst. De afgelopen jaren heeft het cbb regelmatig de rechtmatigheid van deze ontheffingen (en onderliggende verdeelprocedures) getoetst. Deze ervaringen kunnen ook worden gebruikt voor schaarse omgevingsvergunningen.13
Ter illustratie wijs ik op de uitspraak van het cbb van 24 augustus 2012.14 In deze procedure had b&w aan Albert Heijn voor onbepaalde tijd ontheffing verleend om de winkel vanaf 1 december 2010 op zondagen van 16.00 uur tot 20.00 uur voor het publiek geopend te hebben. De ontheffing was verleend nadat tussen drie belangstellenden was geloot. Het cbb begint met haar standaardoverweging dat
’volgens vaste jurisprudentie aan de besluitvorming met betrekking tot de toekenning van een schaarse ontheffing zoals hier in het geding onder meer uit het oogpunt van rechtszekerheid zware eisen dienen te worden gesteld.’
In deze procedure was hieraan niet voldaan. Ten eerste heeft b&w slechts een aantal supermarkten in de gelegenheid gesteld hun belangstelling kenbaar te maken. Zij hebben evenwel niet alle winkels in de betrokken kernen aangeschreven. Het cbb acht dit onzorgvuldig. Vanuit een oogpunt van transparantie zou ik daaraan willen toevoegen dat er geen passende bekendmaking heeft plaatsgevonden.
Ten tweede heeft b&w de ontheffing verleend voor onbepaalde tijd. Het cbb oordeelt terecht dat zij hiermee het belang van de andere gegadigden om in de toekomst te kunnen meedingen naar de ontheffing hebben miskend, omdat ontheffingverlening voor onbepaalde tijd uitsluit dat andere gegadigden in de toekomst alsnog een ontheffing kunnen krijgen. De tijdelijkheid van vergunningen bij het verstrekken van exploitatierechten is een belangrijk aandachtspunt. Zou het introduceren van een tijdelijk exploitatierecht beschouwd kunnen worden als een beperking van het eigendomsrecht in de zin van artikel 1ep? Hierop zal hierna nog nader worden ingegaan.
Ten slotte stelt het cbb dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting naar voren komt dat de betrokken ondernemingen wel wisten dat zij deelnamen aan de loting voor een ontheffing voor zondagsopenstelling, maar dat de precieze inhoud van die ontheffing hun pas werd meegedeeld op het moment dat de loting een aanvang nam. Op dat moment was het niet goed meer mogelijk tegen die inhoud nog bezwaren in te brengen. Volgens vaste jurisprudentie impliceert het transparantiebeginsel dat alle voorwaarden en modaliteiten van de procedure voor aanvang van de procedure moeten worden vastgesteld of bekendgemaakt en op een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige wijze moeten worden geformuleerd. Alle geïnteresseerde partijen moeten dus voorafgaand aan de procedure een duidelijk inzicht hebben in de voorwaarden waaronder de selectieprocedure plaatsheeft, zoals de selectiecriteria.15 In dit geval was daar geen sprake van. Aan deze voorwaarde kan worden voldaan door bijvoorbeeld voorafgaand aan de procedure al een ontwerp- of modelbeschikking bekend te maken.
Deze richtsnoeren die volgen uit de jurisprudentie van het cbb zullen ook bij een verdeelprocedure in een omgevingsverordening in acht moeten worden genomen.
C) Introductie van een exploitatievergunning in de omgevingsverordening
In artikel 2.2 Wabo zijn een aantal gemeentelijke en provinciale vergunningstelsels opgenomen die verplicht of facultatief integreren met de omgevingsvergunning. Indien een gemeente van mening is dat het absolute aantal vestigingen van bijvoorbeeld een bepaalde (detailhandel- of horeca)branche of de emissie binnen een bepaald gebied zou moeten worden gemaximeerd, dan kan overwogen worden hiervoor bij (gemeentelijke) (omgevings)verordening een vergunningstelsel te introduceren. Hoewel de redenen voor een dergelijke maximering niet (uitsluitend) ruimtelijk gemotiveerd hoeven te zijn, verdient het mijns inziens gelet op samenhang met de omgevingsrechtelijke aspecten de voorkeur om deze toestemming onder de Wabo (of in de toekomst de Omgevingswet) te laten vallen.16 Zowel het hiervoor genoemde one-in-outout- systeem als vergunningverlening in het kader van milieuzonering zouden hieronder kunnen vallen.
Indien wordt gekozen voor het creëren van een plafond, zal vanuit een oogpunt van transparantie, nagedacht moeten worden over de verdeling van de rechten binnen dat plafond. Dit betekent dat in de (omgevings)verordening ten minste het volgende moet worden bepaald:
het aantal beschikbare vergunningen (het plafond);
de wijze van verdeling (de eerdergenoemde verdeling op volgorde van binnenkomst, loting, veiling of een vergelijkende toets);
de voorschriften die aan de vergunning worden verbonden en/of (voorafgaand aan de verlening) een ontwerp-beschikking bekend te maken;
de vergunningscriteria (waaraan de aanvragen getoetst worden). Alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende aanvragers moeten de criteria kunnen begrijpen en op dezelfde manier kunnen interpreteren;
wanneer en op welke wijze aanvragen kunnen worden ingediend. Indien niet gekozen wordt voor een kwalitatieve toets, maar voor verdeling op volgorde van binnenkomst van de aanvragen, kan ook gewerkt worden met een wachtlijst.17 De mogelijkheid om aanvragen in te kunnen dienen zal op passende wijze bekendgemaakt moeten worden;
de geldigheidsduur van de vergunning.
Het ligt het meest in de rede om de exploitatievergunningplicht te baseren op een gemeentelijke (omgevings)verordening. Zoals gesteld zal terughoudend met het creëren van plafonds moeten worden omgegaan, omdat voor het beperken van de mededinging een dwingende reden van algemeen belang nodig is. Op decentraal niveau kan per geval bepaald worden of een dergelijk stelsel nodig is. In het kader van de harmonisatie van de diverse gemeentelijke verordeningen verdient het wel de voorkeur om in de Omgevingswet voor deze exploitatievergunning een wettelijke basis te creëren, aangevuld met de minimumeisen waaraan een transparant verdeelsysteem moet voldoen.18
D) Belemmeringen voor de introductie van een schaars exploitatievergunningstelsel
Het voordeel van het introduceren van een transparante verdeelprocedure in het omgevingsrecht is dat alle geïnteresseerde marktpartijen gelijkelijk in aanmerking komen voor het verrichten van een bepaalde activiteit. Het risico van willekeur en favoritisme bij het bestuursorgaan wordt verkleind en de concurrentiemogelijkheden worden vergroot. Desalniettemin zijn er ook een aantal nadelen verbonden aan het introduceren van een dergelijk vergunningstelsel. Hieronder zal ik er een aantal kort noemen.
Ten eerste de rol van het eigendomsrecht (artikel 1ep). Indien de exploitatievergunning wordt geïntroduceerd voor nieuwe ontwikkelingen dan zal niet snel sprake zijn van eigendomsontneming. Als er echter voor wordt gekozen om ’bestaande rechten’ aan te tasten (door een nieuw vergunningstelsel in te voeren dat (feitelijk) tot gevolg heeft dat bestaande vestigingen (ondanks dat ze positief bestemd zijn in het bestemmingsplan) hun activiteiten niet meer kunnen exploiteren) dan zou dit tot gevolg kunnen hebben dat deze ondernemers in aanmerking willen komen voor nadeelcompensatie.19 Het gaat het bestek van dit artikel te buiten om uitgebreid in te gaan op de problematiek van de bestaande rechten.20 Stel dat gekozen wordt om het aantal horecaondernemingen in het centrum van een gemeente te maximeren dan zou de makkelijkste manier om een exploitatievergunningstelsel te introduceren zijn om aan alle bestaande horecaexploitanten (alsmede alle vergevorderde voornemens voor nieuwe vestigingen) deze vergunning te verlenen.21 De vergunningplicht gaat in dat geval pas gelden voor nieuwe horeca-initiatieven. Indien het aantal huidige horecaexploitanten meer is dan het aantal gewenste exploitanten (en dus het plafond wordt overschreden) dan kunnen geen nieuwe vergunningen worden verleend totdat het vergunningenplafond niet meer wordt overschreden.
Naast het absolute karakter van het eigendomsrecht zijn ook de feitelijk bestaande grondposities van belang. Het is niet uitzonderlijk dat één marktpartij meerdere vestigingen of grondposities heeft, bijvoorbeeld in de horeca. Indien het aantal exploitatievergunningen beperkt wordt, is het wenselijk om te voorkomen dat meerdere of zelfs alle vergunningen uiteindelijk in handen komen van één marktpartij. In de omgevingsverordening zou daarvoor een regeling kunnen worden opgenomen.
Hiermee komen we direct op een derde aandachtspunt, namelijk de positie van ’nieuwkomers’. Als (mede in het licht van artikel 1ep) aan alle huidige exploitanten een vergunning wordt verleend en daarmee het plafond is bereikt (of zelfs overschreden) dan kunnen nieuwkomers de (horeca)markt niet meer betreden. Daarom zal nagedacht moeten worden of de exploitatievergunning persoons- of objectgebonden zou moeten zijn. Ook is de vraag of de exploitatievergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd zou moeten zijn.
De competitiemogelijkheden worden vergroot door de vergunning persoonsgebonden te maken, omdat als een ondernemer stopt in dat geval niet alleen een nieuwe ondernemer op dezelfde locatie in aanmerking komt, maar ook eventuele andere ondernemers.
Voor de duur van de vergunning geldt dat een vergunning voor onbepaalde tijd minder competitie mogelijk maakt dan een tijdelijke vergunning. Ook Backes e.a. wijzen op de nieuwkomersproblematiek bij de verdeling van (milieu)vervuilingsrechten. Zij wijzen erop dat (her)verdeling via de regel ’wie het eerst komt, het eerst maalt’ in combinatie met vergunningverlening voor onbepaalde tijd nieuwkomers benadeelt ten opzichte van degenen met bestaande rechten en niet billijk, effectief en proportioneel is. In plaats van ’eeuwigdurende’ vervuilingsrechten pleiten zij voor een verdeling op grond van het (zich nog verder te ontwikkelen) beginsel van een proportionele lastenverdeling.22
Indien wordt gekozen voor een tijdelijke vergunning dan zal de duur van de vergunning dusdanig moeten zijn dat daarmee naar verwachting de vergunninghouder zijn investeringskosten kan terugverdienen en een redelijke winstmarge kan behalen.23 Voorkomen moet immers worden dat een te korte vergunningsduur de investeringsbereidheid van ondernemers wegneemt.
Een laatste nadeel dat ik hier zal noemen is de ’rompslomp’ die aanbestedingsprocedures voor zowel de gemeente als de marktpartijen met zich brengt. Hiervoor is van belang dat een ’transparante verdeelprocedure’ niet hetzelfde is als een aanbestedingsprocedure in de zin van de aanbestedingsrichtlijnen. Ik zou er geen voorstander van zijn om een volledige aanbesteding volgens de regels van de aanbestedingsrichtlijnen plaats te laten vinden via de Omgevingswet. Wel kan een ’aanbesteding light’ in de vorm van de hiervoor beschreven transparante verdeelprocedure toegevoegde waarde hebben. Het is transparanter, zorgvuldiger en minder willekeurig als het bestuursorgaan vóórdat de aanvragen zijn ingediend nadenkt over wat een ‘goede’ aanvraag is in plaats van nadat de aanvragen zijn ingediend. Dit kost wellicht meer voorbereidend werk, maar is in het kader van behoorlijk bestuur mijns inziens niet te veel gevraagd. Daarnaast is van belang dat het transparantiebeginsel niet de inhoud van de toetsingscriteria en indieningsvereisten van de aanvraag bepaalt. Bij de concrete uitwerking van de procedure zullen dan ook altijd de (administratieve) lasten in de gaten gehouden moeten worden.