Ambtshalve toepassing van EU-recht
Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/8.4:8.4 Conclusies
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/8.4
8.4 Conclusies
Documentgegevens:
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS304588:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Richtlijn van de Raad van de EEG van 9 februari 1976, nr. 76/207 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen, en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, Pb. 1976 L 39/40; Richtlijn 2002/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 tot wijziging van Richtlijn 76/207/EEG, Pb. 2002 L 269/15.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
293
De effectiviteit van het EU-recht wordt niet in die mate belemmerd door artikel 24 Rv dat dit artikel buiten toepassing zou moeten worden gelaten door de nationale rechter. Kortom, de voor de toepassing van een bepaling van EU-recht noodzakelijke feiten dienen door partijen aan hun vordering of verweer ten grondslag te worden gelegd, behalve als de bepaling van EU-recht van openbare orde is. Dus als de Nederlandse rechter wil weten wanneer hij buiten de grenzen van de rechtsstrijd moet treden om toepassing te geven aan een bepaling van EU-recht, dan dient hij te bepalen of die bepaling van openbare orde is in de zin van de ambtshalve aanvulling van rechtsgronden. Voor artikel 101 VWEU heeft het HvJ EU immers geoordeeld dat het een bepaling van openbare orde betreft. Enkele elementen hebben, blijkens die uitspraak, kennelijk in grote mate bijgedragen aan die conclusie. Zo gaat het om een rechtstreeks werkende bepaling, waaraan justitiabelen rechten kunnen ontlenen en die rechten moeten door de rechter worden verzekerd. Het vormt een onontbeerlijke bepaling voor de vervulling van de taken van de EU en voor de werking van de interne markt. Bovendien moeten met deze bepaling strijdige nationale bepalingen buiten toepassing worden gelaten op grond van het beginsel van voorrang. Of al deze elementen in gelijke mate hebben bijgedragen aan de conclusie dat artikel 101 VWEU van openbare orde is, kan worden betwijfeld. Zo zijn er ook niet-rechtstreeks werkende bepalingen aan te wijzen die van zodanig belang zijn binnen de EU-rechtelijke rechtsorde dat zij zich lenen om als van openbare orde te worden aangemerkt, bijvoorbeeld de Richtlijn gelijke behandeling mannen en vrouwen.1 Het lijkt erop dat vooral het doel van de bepaling in combinatie met de doelen en taken van de EU richtinggevend zijn voor de vraag welke bepalingen van EU-recht van openbare orde zijn.
294
Ook in zaken met betrekking tot consumentenbeschermende EU-richtlijnen heeft het HvJ EU meermaals verwezen naar het aan de Richtlijn oneerlijke bedingen ten grondslag liggende doel, waaraan een openbaar belang verbonden zou zijn. Aangezien het doel van bescherming van de consument niet alleen eigen is aan de Richtlijn oneerlijke bedingen zou de reikwijdte van deze jurisprudentie ruimer zijn. Mocht de conclusie zijn dat een consumentenbeschermende richtlijn van openbare orde is, dan is het voor de Nederlandse rechter veel beter in te zien waarom hij de daaruit voortvloeiende omzettingswetgeving ambtshalve buiten de grenzen van de rechtsstrijd zou moeten aanvullen. Weliswaar kan het HvJ EU niet bepalen dat nationale omzettingswetgeving van openbare orde is, omdat dat dient te worden beoordeeld in de nationale rechtsorde, maar hij kan wel bepalen dat de bepalingen van de richtlijn op een lijn moeten worden gesteld met bepalingen van openbare orde uit het nationale recht. Het is alleen de vraag of het HvJ EU daadwerkelijk van oordeel is dat het aan de Richtlijn verbonden doel van openbare orde is, of dat de openbare orde meer selectief wordt gebruikt, namelijk als middel om aan de consument een effectief rechtsmiddel te verzekeren. Dat laatste is mijns inziens het geval en verklaart ook meteen waarom er in sommige uitspraken wordt verwezen naar het openbaar belang, terwijl hier in andere uitspraken helemaal geen gewag van wordt gemaakt. Uiteindelijk telt maar een zaak voor het HvJ EU: de consument moet op de meest optimale manier worden beschermd tegen zijn professionele wederpartij (en tegen zijn eigen onwetendheid).