Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/3.3
3.3 Literatuur Burgerlijk Wetboek (oud): kort overzicht
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS484800:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Voetnoten
Voetnoten
Hofmann 1944, p. 272 en 273.
Hofmann 1944, p. 273.
Asser/Scholten 1945, p. 241.
Asser/Scholten 1945, p. 241 en 242.
Asser/Scholten 1945, p. 242.
Asser/Mijnssen/Van Dam/Van Velten 2002 (3-II), p. 149.
Suyling 1940, p. 208.
Suyling 1940, p. 208.
Suyling 1940, p. 208.
Suyling 1940, p. 224.
Suyling 1940, p. 225.
Pitlo/Brahn 1980, p. 271 e.v.
Meijers 1948, p. 144.
Meijers 1948, p. 144.
Meijers 1948, p. 146.
Het woordje ‘naast’ is eigenlijk misplaatst. Mandeligheid is immers een vorm van medeeigendom.
Eggens 1960, p. 6 en 7; Zie voor kritiek hierop Van Acht 1990, p. 95 en 96. Meijers 1948 (p. 145) acht het onderscheid kunstmatig.
Zie hierover ook Van Acht 1990, p. 96.
Van Acht 1990, p. 96.
Eggens 1960, p. 5, noot1.
a. Hofmann
Hofmann is van mening dat de beperkingen uit het burenrecht voortvloeiende, moeten worden aangemerkt als beperkingen van het eigendomsrecht. Het betreft hier beperkingen die naar haar aard overeenkomen met die zoals voortvloeiende uit art. 625 BW (oud). En voorts: veel bepalingen van het burenrecht werken ook tegen de nabuur-gebruiker. Hij vervolgt dan met:
‘Het burenrecht schept dan ook niet verbintenissen uit de wet.’1
En ten slotte:
‘een beperking van een recht is niet een verbintenis, en er is hier dan ook niet een debiteur en een crediteur.’2
b. Asser/Scholten 1945
Titel 4 BW((oud): burenrecht) bevat, aldus Scholten,3 bepalingen die het uitoefenen van eigendomsbevoegdheden beperken.
Daarnaast staan in deze titel echter ook bepalingen die met beperkingen als evenbedoeld niets van doen hebben. Scholten noemt als voorbeeld: mandeligheid. Hij vervolgt dan met:
‘Zonder deze laatste onderwerpen (onderwerpen die met beperking van eigendomsrechten niets te maken hebben: JGG) zou men gevoeglijk deze stof bij de beperkingen van den eigendom kunnen behandelen (…), de meeste dezer voorschriften immers bepalen nader den inhoud van den grondeigendom.’4
Overigens zou ten aanzien van de uit het burenrecht voortvloeiende verplichtingen nog wel gesproken kunnen worden van kwalitatieve verbintenissen. Het gaat dan over verbintenissen die verbonden zijn aan de eigendom.
‘De eigendom’, aldus Scholten, ‘kristalliseert zich dan in een bepaalde verplichting van den eenen buur tegen den ander.’5
Of op grond van deze citaten mag worden aangenomen dat Scholten van mening is dat het burenrecht bepalingen bevat die moeten worden aangeduid als kwalitatieve verbintenissen, zoals Asser/Mijnssen/Van Dam/Van Velten6 beweert, is voor mij onzeker.
Ik zou eerder geneigd zijn om te denken dat de zoon, G. J. Scholten (zie hierna), de visie van zijn vader goed weergeeft.
c. Suyling
Volgens Suyling openbaart zich in de titel ‘burenrecht’, ‘treffend’ de complexe natuur van het eigendomsrecht. In een noot merkt hij vervolgens opdat zowel de voorstelling als zouden de verplichtingen moeten worden aangemerkt als wettelijke servituten dan wel wettelijke verbintenissen onjuist is.7 Volgens Suyling vormt het burenrecht een heterogene massa.8
Aan de zijde van de bevoegdheden maakt hij het navolgende onderscheid.
Een aantal van de bevoegdheden maakt deel uit van het genotsrecht dat het eigendomsrecht met zich meebrengt. Voorts zijn er een aantal bepalingen die een zakelijke actie aan de naburen verlenen (recht tot afpaling en afscheiding). Dan wordt aan de naburen een aantal obligatoire verplichtingen opgelegd. Ten slotte wordt nog gesproken over mandeligheid en toe-eigeningsrechten.9
Suyling spreekt vervolgens over de mandelige muren als zaken die een wezenlijk bestanddeel van de aangrenzende erven zijn, maar toch ‘aan een zelfstandige zaak zijn geassimileerd’.10
En even later: er is sprake van een gemeenschappelijke zelfstandige zaak.11
d. Pitlo/Brahn 1980
Pitlo/Brahn was onder het regime van het oude Burgerlijk Wetboek van mening dat de burenrechtelijke rechten en verplichtingen moesten worden aangemerkt als kwalitatieve verbintenissen uit de wet.12 Overigens merkt Pitlo/ Brahn opdat niet alle bepalingen van het burenrecht van verbintenisrechtelijke aard zijn. Hij noemt dan mandeligheid als de meest gebonden vorm van mede-eigendom die het recht kent.
e Meijers 1948
Meijers komt tot de conclusie dat in de algemene rechtsleer de bevoegdheden uit het burenrecht het beste kunnen worden aangemerkt als onderdeel uitmakende van het eigendomsrecht van de erven.13
De voorbeelden die hij gebruikt om deze stelling te staven verdienen nadere bestudering.
Hij schrijft:
‘Wie de bevoegdheid heeft voor zijn goed van een noodweg of een scheidingsmuur gebruik te maken, dient dit hem toegekend genot ook tegen derden te kunnen handhaven; het verlies van de bevoegdheid om een noodweg of het gebruik van de scheidingsmuur te eisen door een non-usus is evenzeer gewenst of misplaatst als de erkenning van deze mogelijkheid ten aanzien van de algemene bevoegdheid van de eigenaar om door derden niet in zijn genot gestoord te worden; slechts wanneer de naburen of de derde door acquisitieve verjaring een recht verkregen hebben, waarmede de bevoegdheid van de eigenaar niet meer verenigbaar is, dient deze bevoegdheid door tijdsverloop te vervallen.’14
Later schrijft hij:
‘Slechts wanneer een bevoegdheid zijn eigen wijzen van ontstaan en tenietgaan, onafhankelijk van die van het eigendomsrecht heeft, gelijk b.v. bij de erfdienstbaarheden het geval is, bestaat er voldoende grond om van een bijzonder recht, staande naast het eigendomsrecht, te spreken.’15
Meijers vervolgt dan met:
‘om deze reden zou men verstandig doen een bevoegdheid als b.v. het Ned. B.W. in art. 719 de eigenaar geeft, (...), buiten het eigendomsrecht te plaatsen en onder de erfdienstbaarheden op te nemen.’
Mandeligheid zal in deze visie, evenals een erfdienstbaarheid moeten worden beschouwd als een bijzonder recht ‘naast’ het eigendomsrecht.16 Mandeligheid kent zijn eigen wijze van ontstaan en tenietgaan, onafhankelijk van die van de eigendomsrechten op de erven.
Meijers’ benadering in het eerste citaat is evenwel niet juist.
Meijers suggereert een tegenstelling die er niet is. Een mandelige scheidsmuur – en daarover heeft Meijers het – behoort in mede-eigendom toe aan de deelgenoten. Eigendom derhalve. Non-usus leidt niet tot verlies van eigendom.
De mede-eigenaren kunnen uiteraard – als eigenaren van die muur, en niet als eigenaren van de erven – hun rechten tegen derden handhaven.
De eigendom van de muur moet, als het gaat om handhaving van rechten tegenover derden en non-usus, als zelfstandige eigendom worden gezien, los van de eigendom van de erven. Dit zou er voor pleiten om, anders dan Meijers, mandeligheid los van het burenrecht te benaderen.
f. Eggens
Eggens onderscheidt tussen de bevoegdheden die aan een eigenaar toekomen met betrekking tot het eigen erf en bevoegdheden met betrekking tot het naburige erf. De eerste bevoegdheden maken deel uit van het eigendomsrecht. Bevoegdheden aan diezelfde eigenaar tot machtsuitoefening over het naburige erf dienen daarentegen te worden aangemerkt als kwalitatieve bevoegdheden.17 Over de noodweg merkt Eggens opdat de bevoegdheid om een noodweg te vorderen en de bevoegdheid om van die weg gebruik te maken moeten worden aangemerkt als kwalitatieve verbintenissen.18
Van Acht spreekt in dit verband over een ‘rigoreuze vereenzelviging van eigendomsrecht en eigendomsobject’.19
Over de mandelige muur merkt Eggens in een noot op:
‘Dat de grens der erven een scheidende en verenigende functie heeft in de verhouding der betrokken buren, wordt “betekend” door de tot afscheiding dienende (grens)muur, bedoeld in art. 681 BW, welke verondersteld wordt tussen de eigenaren gemeen te zijn. Dat uit het gezamenlijk eigenaar zijn van deze muur (kwalitatieve) verbintenissen kunnen voortvloeien (art. 683 e.v. B.W.) spreekt wel vanzelf, en evenzeer dat de “kwalitatieve gemeenschap” der naburen ook andere zaken dan muren kan omvatten (verg. b.v. art. 704 BW).’20