Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/V.5
V.5 Synthese
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS379804:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Ik teken aan dat ik de procesrechtelijke aspecten van de deskundigenbenoeming en het tijdstip van de overdracht (bijv. de uitvoerbaar bij voorraadverklaring) niet in dit voorstel opneem. Deze aspecten komen in hoofdstuk VI aan de orde.
Dat zo een kennelijk onredelijke prijs tot stand kan komen, is niet een oordeel dat de rechter ambtshalve mag vellen. De in het geding opkomende aandeelhouders moeten op dit punt gemotiveerd verweer voeren waarom bijv. een contractuele regeling tot een onjuiste prijs zou leiden.
De toelichting bij de tweede zin van dit lid 2 verduidelijkt vervolgens hoe de van overeenkomstige toepassing van art. 2:351 en 2:352 BW uitpakt.
Het is een stap in de goede richting dat de deskundigenbenoeming na de uitspraak van de Hoge Raad inzake Hoffmann niet langer verplicht is. Indien uit de statuten de waarde van de aandelen onmiskenbaar blijkt, kan een kostbaar en tijdrovend deskundigenbericht achterwege blijven. Mijns inziens kan deze regel extensief uitgelegd worden. Niet alleen de statuten, maar ook een overeenkomst tussen de aandeelhouders kan een dergelijke prijs of prijsbepalingsregeling bevatten. Indien partijen tijdens de procedure aangeven dat wat hen betreft de aandelen een bepaalde waarde vertegenwoordigen, kan de rechter ook hierbij aansluiting zoeken. Dit geldt niet alleen voor de toekomstige wetgeving, maar mijns inziens ook reeds voor de toepassing van de huidige geschillenregeling. Met de wijze waarop het wetsvoorstel Flex-BV de Hoffmann-regel codificeert, kan ik evenwel instemmen. Het is een goede zaak dat de deskundigenbenoeming niet langer verplicht is voorgeschreven.
Ik sluit op dit punt aan bij de motivering van A-G Timmerman ten aanzien van de rechterlijke prijsbepaling zonder hulp van de deskundige. Een zwaarwichtig bezwaar kan met zich brengen dat de benoeming van de deskundige achterwege blijft. Zo'n bezwaar is in dit geval gelegen in het feit dat logischerwijs geen andere waarde aan de aandelen kan worden toegekend dan uit de statuten, een overeenkomt of uit verklaringen van partijen volgt.
De deskundige dient zijn taak 'naar beste weten' te vervullen. De OK heeft in een van haar Hooymans-arresten deze norm voor de deskundige in de geschillenregelingprocedure gepreciseerd. De deskundige moet nader, gemotiveerd en concreet aangeven op welke wijze hij tot zijn oordeel komt. Hij moet rekenschap geven van de door hem gebruikte waarderingsmethode en de daarbij gehanteerde uitgangspunten en gegevens. Hiermee voorkomt de deskundige dat hem onduidelijkheid en onvolledigheid verweten kan worden. Ik vind dat deze door de OK geformuleerde norm als standaardnorm voor iedere deskundige in de geschillenregeling heeft te gelden. Overigens acht ik het niet nodig wettelijk vast te leggen dat het bericht schriftelijk wordt uitgebracht, al zal in de praktijk — gezien ook bovengenoemde norm — een schriftelijk bericht het uitgangspunt zijn. De deskundige van de geschillenregeling dient eveneens de overige normen voor een goede taakvervulling van art. 198 Rv in acht te nemen.
De deskundige heeft bij het uitoefenen van zijn taak onder meer de bevoegdheden van art. 2:351 en 2:352 BW uit het enquêterecht. De van overeenkomstige toepassingsverklaring in art. 2:339 lid 3 BW van deze artikelen schept echter verwarring. Het is nodig te verduidelijken hoe de deskundige van de geschillen-regeling een beroep op de informatievergaringsbepalingen van art. 2:351 en 2:352 BW kan doen. Mijns inziens behoort hij een verzoekschrift te richten aan de rechter van de instantie waar op dat moment het geding aanhangig is. Teneinde de zaak zo spoedig mogelijk af te handelen, beveel ik aan te verduidelijken dat op het verzoek door de behandelende rechter beslist wordt. Hij is reeds bekend met de feiten en omstandigheden van de zaak. De mogelijkheid getuigen te horen, vervat in art. 2:352a BW, is niet van overeenkomstige toepassing in de huidige geschillen-regeling. Voor de volledigheid stel ik voor deze bevoegdheid aan de deskundige in de geschillenregeling toe te kennen.
De waardering van de aandelen kent twee belangrijke componenten. De eerste component betreft de waarderings- of rekenmethode. De wetgever heeft geen antwoord willen geven op de vraag welke methode toegepast moet worden om de prijs van de aandelen vast te stellen. Ook de wet zwijgt. Ik vind dit een juiste benadering. Het hangt van de aard van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming af, welke rekenmethode tot de juiste prijs leidt. Het uitgangspunt is, volgens de jurisprudentie van de OK, de fictieve waarde in het economisch verkeer. De te hanteren rekenmethode kan per geval verschillen. Het is op dit punt van belang dat de deskundige de geformuleerde standaardnorm in acht neemt en openheid van zaken verschaft over de gehanteerde rekenmethode. Blijkt dat de aandeelhouders een waarderingsmaatstaf hebben, dan moet de deskundige of de rechter deze volgen. Uiteindelijk geschiedt de waardering op een pro rata parte basis. Voor een korting omdat de over te dragen aandelen slechts een minderheid vertegenwoordigen, is geen plaats.
De Hoge Raad formuleerde in zijn arrest Zondag Beheer een mijns inziens juiste verhouding tussen de waardering door de deskundige en de prijsbepaling door de rechter. Omdat de laatste de prijs vaststelt, moet hij met waardeveranderingen die zich na het uitbrengen van het deskundigenbericht hebben voorgedaan, rekening houden. Dit hangt overigens samen met het feit dat naar de stand van de huidige jurisprudentie het hanteren van de flexibele peildatum niet is toegestaan. Ook het wetsvoorstel FlexBV gaat uit van de waardering op het moment zo dicht mogelijk bij de overdracht. De toelichting benadrukt dat een flexibele peildatum niet gewenst is.
Ik vind dit een gemiste kans. Met een flexibele peildatum kunnen samenhangende procedures voorkomen worden. Ook een billijke verhoging ex art. 343 lid 4 Wv Flex-BV, waarover veel onduidelijkheid bestaat, is niet nodig. Ik stel dan het volgende voor. Het uitgangspunt blijft de peildatum die thans ook gehanteerd wordt. De prijs van de aandelen wordt gewaardeerd tegen een moment dat zo dicht mogelijk bij de daadwerkelijke overdracht ligt. In de praktijk is dit de datum van het toewijzende eindvonnis Dit wordt dus de 'standaardpeildatum'. De eerste uitzondering is een door partijen overeengekomen alternatieve peildatum. Overigens ben ik van mening dat indien bij de huidige wettelijke regeling een eigen datum voorhanden is, het gebruik ervan geboden is. De grens voor een eigen (overeengekomen) peildatum ligt op het moment van het vonnis, een toekomstige peildatum is niet toegestaan. Een peildatum in het verleden mag daarentegen nu juist wél. De rechter mag ook zelf de peildatum in het verleden 'vastpinnen', mits hij motiveert waarom hij van de standaardpeildatum afwijkt. Ik beveel aan dit in een wetsartikel op te nemen.
De procedure voor de levering en betaling van de aandelen is te gecompliceerd. Ik zie geen goede gronden voor het volgen van de statutaire aanbiedingsregeling. Dit klemt te meer nu de verplichte blokkeringsregeling bij de Flex-BV verdwijnt. Indien partijen de toepassing van een blokkeringsregeling (ongeacht in welke vorm) wensen, kunnen zij dit de rechter in overweging geven. Ziet hij dat zo de levering en betaling nodeloos vertraagd worden, dan heeft hij de vrijheid het verzoek van partijen niet in te willigen. Ik stel daarom voor art. 2:341 lid 2 en 3 BW alsook art. 2:343 lid 4 en 5 BW te schrappen.
Daarnaast kunnen de levering en de betaling op een andere wijze vereenvoudigd worden. De regels die gelden indien één van de partijen het rechterlijk bevel tot overdracht of tot betaling niet opvolgt, zijn nodeloos omslachtig. Deze conclusie leidt tot aanpassing van art. 2:341 lid 4 en 5 BW en art. 2:343 lid 6 en 7 BW. Tot slot is de extra verzoekschriftprocedure van art. 2:341 lid 7 (en 2:343 lid 9) BW overbodig. Zij roept slechts vragen op in verband met mogelijk te voeren andere procedures, zoals bijvoorbeeld ten aanzien van de executie van het vonnis. Het dient de duidelijkheid indien deze regeling uit de wet verdwijnt.
Bovenstaande conclusies laten zich vertalen in een (gedeeltelijk) nieuwe regeling voor de waardering en de overdracht van de aandelen. Deze bepalingen gelden voor de uitstoting en de uittreding:1
de deskundige
(eventuele benoeming) 1. Indien de vordering wordt toegewezen benoemt de rechter een of meer deskundigen die over de prijs bericht uitbrengen. De rechter kan de benoeming van een deskundige achterwege laten, indien geen andere waarde aan de aandelen kan worden toegekend dan die uit de statuten, een overeenkomst of uit de verklaringen van partijen volgt.2
(taak en bevoegdheden) 2. De artikelen 194 tot en met 199 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van toepassing. De artikelen 351, 352 en 352a zijn van overeenkomstige toepassing.3
de waardering
(regels van partijen volgen) 1. Indien tussen partijen overeenstemming bestaat omtrent de wijze van waardering van de aandelen of de peildatum, stelt de deskundige zijn bericht op met inachtneming daarvan.
(rekenmethode) 2. De deskundige moet rekenschap geven van de door hem gebruikte waarderingsmethode en de daarbij gehanteerde uitgangspunten en gegevens. (standaardpeildatum en afwijking) 3. Het moment waartegen de aandelen gewaardeerd worden, ligt zo dicht mogelijk bij de datum van feitelijke overdracht. De rechter kan in afwijking hiervan een peildatum in het verleden vaststellen.
het eindvonnis
(rechter bepaalt prijs) 1. De rechter bepaalt de prijs van de aandelen in het vonnis waarbij de vordering wordt toegewezen of na het uitbrengen van het deskundigenbericht.
(kosten deskundigenbericht) 2. Bij hetzelfde vonnis bepaalt de rechter wie van de partijen welk deel van de kosten van het deskundigenbericht moet dragen. Hij kan de vennootschap veroordelen (een deel van) de kosten te dragen.
(levering en betaling) 3. Het vonnis treedt in de plaats van een notariële leveringsakte onder de opschortende voorwaarde van betaling van de vastgestelde prijs. De rechter kan nadere voorwaarden voor de levering en de betaling vaststellen.