Einde inhoudsopgave
De ex-werknemer (MSR nr. 83) 2023/5.2.2
5.2.2 Worstelingen van de wetgever
Vincent Gerlach, datum 10-11-2022
- Datum
10-11-2022
- Auteur
Vincent Gerlach
- JCDI
JCDI:ADS687259:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
SER-advies van 24 april 1987, Advies ex-deelnemers pensioenfondsen, nummer 1987/09, p. 21. Wel behoudens toeslagen, zo werd opgemerkt.
Kamerstukken I 2006/07, 30413, C, p. 48, met de opmerking dat hier geen sprake is van een wijziging ten opzichte van de PSW; Kamerstukken II 2005/06, 30413, nr. 3, p. 39; Kamerstukken II 2005/06, 30413, nr. 17, p. 34. Zie paragraaf 5.2.3 over artikel 20 Pw.
Zo ook Kamerstukken II 2013/14, 33972, nr. 3, p. 1-2: risico’s die aan pensioenen verbonden zijn worden op basis van solidariteit door werkenden en gepensioneerden gedeeld. Dat voorkomt dat de risico’s volledig door een beperkte groep moeten worden gedragen. Vergelijk bijvoorbeeld ook de solidariteitsreserve bij de solidaire premieovereenkomst, ook gewezen deelnemers en pensioengerechtigden dragen daaraan bij: Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 3, p. 50.
Kamerstukken I 2013/14, 33847, F, p. 3. Daarover M. Grashoff, ‘De positie van de arbeidsongeschikte bij een wijziging van het fiscale kader’, in: Vereniging voor Pensioenrecht, Arbeidsongeschikt, en mijn pensioen dan?, Den Haag: Sdu 2017, p. 15-16.
Kamerstukken I 2006/07, 30655, C, p. 8-10. Zie verder Kamerstukken II 2005/06, 29760, nr. 69, p. 1.
Besluit van 23 september 2014, Stcrt. 2014, nr. 28039, p. 4-5.
Zie bijvoorbeeld het Besluit van 24 november 2017, Stcrt. 2017, nr. 70301, p. 14.
Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 3, p. 142, p. 313 en p. 423; Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 7, p. 111; Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 11, p. 81; Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 12, p. 3; Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 15, p. 11-12. Bij gesloten pensioenfondsen zou de pensioenovereenkomst niet meer gewijzigd kunnen worden. Het conceptwetsvoorstel Wtp vermeldde dat voor bestaande verzekeringsovereenkomsten met ingegane premievrijstelling bij invaliditeit bij niet invaren deze geëerbiedigd zouden worden, p. 60-61.
Niet alleen de rechtspraak en literatuur, ook de wetgever zelf heeft geworsteld met het leerstuk, ondanks het ontbreken van een wettelijk wijzigingsverbod. In het PSW-tijdperk stelde de wetgever dat als er geen sprake meer is van een arbeidsovereenkomst, de rechtsverhouding niet meer bestaat en de rechten die onderdeel waren van de vroegere arbeidsovereenkomst definitief vastliggen.1 Ook is het standpunt ingenomen dat er bij slapers sprake is van een uitgewerkte rechtsverhouding waarvan de aanspraken niet kunnen worden aangetast2 en stelde de SER dat na het einde van de arbeidsovereenkomst het pensioen ‘vast’ staat.3 De Hoge Raad oordeelde in ECN, gewezen onder het regime van de PSW, anders.
Bij de totstandkoming van de Pw ging de wetgever expliciet niet mee met onwijzigbaarheid ten opzichte van ex-werknemers, met uitzondering van tot het tijdstip van wijziging opgebouwde pensioenaanspraken (artikel 20 Pw). Indien gepensioneerden ontzien zouden worden, zou dat de solidariteit tussen jong en oud ontwrichten, waarbij als gevolg van vergrijzing een onaanvaardbare grote last zou ontstaan voor werknemers.4 Het uitgangspunt van de Pw is dus solidariteit tussen werknemers en ex-werknemers.5 Ook in de Wtp wordt expliciet benoemd dat een pensioenovereenkomst na het actieve dienstverband kan worden gewijzigd.6
Desondanks blijft de wetgever ook in het Pw-tijdperk bij tijd en wijle met de problematiek worstelen. Illustratief zijn hier de verschillende wijzigingen die de wetgever doorvoerde in het fiscale kader voor pensioenopbouw en de gevolgen daarvan voor premievrije pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid. Ontvangt een arbeidsongeschikte eenmaal een WIA-uitkering, dan is er vaak geen dienstverband meer, maar wordt soms nog wel premievrij pensioen opgebouwd. Bij gebreke van aanpassing van de regeling aan het nieuwe fiscale kader zou de pensioenopbouw fiscaal onzuiver worden. Door de regering is herhaaldelijk het standpunt ingenomen dat wijziging achterwege mocht blijven indien het recht op premievrije opbouw met vaststaande premiebedragen was ingegaan en daarmee ‘civielrechtelijk definitief’ was. In dat geval was wijziging niet mogelijk en kon deze achterwege blijven.7 Volgens de regering deed zich dit met name bij verzekeraars voor, omdat de polisvoorwaarden na verwezenlijking van het verzekerde risico niet meer zonder instemming van de deelnemer kunnen worden gewijzigd. Bij pensioenfondsen zou wijziging van het pensioenreglement echter doorgaans nog wel mogelijk zijn en was er geen sprake van een vooraf betaalde risicopremie (zoals bij een verzekeraar); pensioenfondsen dienden daarom aan te kunnen tonen dat wijziging ‘onmogelijk’ was, wilden zij ontkomen aan de noodzakelijke aanpassingen van de regeling.8 Onder voorwaarden werd een wijziging van premievrije opbouw daarom niet nodig geacht. Daarbij nam de staatssecretaris zelfs op enig moment in de mond dat pensioenfondsen enkel gebruik konden maken van de uitzondering voor verzekeraars indien zij konden aantonen dat er sprake was van een ‘definitief uitgewerkte rechtsverhouding’.9 Ook stelde deze dat daar ‘doorgaans’ geen sprake van is bij pensioenfondsen.10 In latere besluiten keerde die bewoording niet terug en werd enkel een uitzondering mogelijk gemaakt voor fondsen indien zij dit risico hadden ondergebracht bij een verzekeraar.11 In de Wtp wordt, enigszins vergelijkbaar, overgangsrecht aangekondigd voor arbeidsongeschikte deelnemers van wie de premievrijstelling al is ingegaan onder het oude stelsel bij verzekeraars en gesloten pensioenfondsen.12