De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/12.4.4.6:12.4.4.6 Vernietiging besluit en tijdelijk afwijken van statuten
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/12.4.4.6
12.4.4.6 Vernietiging besluit en tijdelijk afwijken van statuten
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS367310:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 27 september 2000, NJ 2000, 653, JOR 2000/217 m.nt. Brink (Gucci), r.o. 4.2.
HR 1 maart 2002, NJ 2002, 296 m.nt. Maeijer, JOR 2002/79 m.nt. Van den Ingh, Ondernemingsrecht 2002, 29 m.nt. Timmerman.
Art. 2:107/217 lid 1 BW.
Wwaarbij voor ogen moet worden gehouden dat alle bevoegdheden die niet op grond van de wet of statuten aan een ander orgaan zijn toegekend aan de aandeelhoudervergadering toekomen. Zie art. 2:107/217 lid 1 BW.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de Gucci-beschikking1 vernietigde de ondernemingskamer eerst een besluit, maar vernietigde de Hoge Raad vervolgens de desbetreffende beschikking van de ondernemingskamer. De ten onrechte uitgesproken vernietiging maakt inbreuk op de rechten van degene aan wie in dit besluit rechten waren toegekend. Het desbetreffende besluit is derhalve bepalend voor de vraag of en zo ja jegens wie onrechtmatig is gehandeld.
In de Zwagerman-I-beschikking2 had de ondernemingskamer tijdelijk een commissaris aangesteld en kende zij deze bijzondere bevoegdheden toe. Het toekennen van die bevoegdheden hield geen stand in cassatie.3 In de periode tussen beschikkingen van de ondernemingskamer en Hoge Raad zal echter zijn aangenomen dat de bijzondere bevoegdheden wel waren toegekend. Dat miskent veelal de rechten en bevoegdheden (van de leden) van andere organen. Bijvoorbeeld omdat de uitoefening van voorheen vrije beslissingsbevoegdheden van organen aan goedkeuring of een initiatiefrechten van de commissarissen zijn onderworpen, of omdat een bevoegdheid is verlegd.4 Of het miskennen van de rechten en bevoegdheden (van de leden) van andere organen een onrechtmatige daad oplevert en zo ja jegens wie, hangt onder meer af van de vragen (i) om welke bevoegdheden het gaat, (ii) of deze bevoegdheden kwalificeren als subjectieve rechten en zo ja (iii) wie deze kan uitoefenen. Verwezen zij voorts naar par. 12.4.3.5.