RI 2020/1
Kan IVO art. 25 (oud)/art. 32 (herschikking) zo worden uitgelegd dat onder omstandigheden kan worden afgedaan aan de exclusieve internationale bevoegdheid van de rechter van de opening van de insolventieprocedure?
HvJ EU 04-12-2019, ECLI:EU:C:2019:1046 (Tiger e.a.)
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
4 december 2019
- Magistraten
S. Rodin, D. Šváby, K. Jürimäe
- Zaaknummer
C-493/18
- Conclusie
A-G M. Bobek
- Roepnaam
Tiger e.a.
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS181954:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Insolventierecht / Europees insolventierecht
- Brondocumenten
ECLI:EU:C:2019:1046, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 04‑12‑2019
- Wetingang
Art. 3 lid 1, 32 IVO; art. 25 lid 1 (oud) Insolventieverordening 2000
Essentie
Internationale bevoegdheid. Exclusiviteit.
Kan IVO art. 25 (oud)/art. 32 (herschikking) zo worden uitgelegd dat onder omstandigheden kan worden afgedaan aan de exclusieve internationale bevoegdheid van de rechter van de opening van de insolventieprocedure om kennis te nemen van vorderingen die rechtstreeks voortvloeien uit de insolventieprocedure en daar nauw op aansluiten?
Samenvatting
In deze zaak verklaarde de Engelse rechter een natuurlijk persoon failliet. De Engelse curator stelde dat twee rechtshandelingen die deze schuldenaar had verricht ten aanzien van in Frankrijk gelegen onroerende goederen van deze schuldenaar niet aan de boedel konden worden tegengeworpen (Pauliana). Het ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.